Short Reads

Het Besluit pChw nader beschouwd: meer mogelijkheden, meer vragen

Het Besluit pChw nader beschouwd: meer mogelijkheden, meer vragen

Het Besluit pChw nader beschouwd: meer mogelijkheden, meer vragen

19.01.2015 NL law

In het januarinummer van Bouwrecht (BR 2015/3) verscheen mijn artikel “Het Besluit pChw nader beschouwd: meer mogelijkheden, meer vragen“. Over het ontwerp van het Besluit pChw schreef ik eerder een blogbericht. De inwerkingtreding per 1 november 2014 van dit besluit was voor mij aanleiding op een aantal aspecten dieper in te gaan, waaronder natuurlijk de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp. Hierna treft u aan de samenvatting en slotobservaties van deze bijdrage.

 

  • De lat om voor tijdelijk gebruik in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning zonder goede ruimtelijke onderbouwing te verlenen is per 1 november 2014 aanzienlijk verlaagd, terwijl de maximale periode daarvoor is verruimd van vijf naar tien jaar. Niet meer vereist is dat er objectieve en concrete gegevens voorhanden dienen te zijn op grond waarvan het gebruik niet langer dan de vergunde periode zal voortduren, vereist is nu nog slechts dat aannemelijk dient te zijn dat het gebruik tijdig kan worden beëindigd. Het doel van het nieuwe vereiste is gelijk aan het oude, namelijk dat voorkomen moet worden dat met een daarvoor niet bedoelde lichtere procedure permanent planologisch strijdig gebruik wordt vergund. Vanuit dit doel bezien is goed denkbaar dat de Afdeling – in het bijzonder bij planologisch ingrijpende projecten waarbij de maximale periode van tien jaar wordt benut – een strengere invulling aan het aannemelijkheidsvereiste zal stellen dan de regering blijkens de nota van toelichting voor ogen staat.
  • Het toepassingsbereik van de “kruimel”-regeling voor planologisch strijdig gebruik van een bestaand bouwwerk is niet meer begrensd tot 1.500 m2. Dat biedt de mogelijkheid om op grond van artikel 4 lid 9 bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor) een omvangrijke bedrijfshal te gebruiken als (mega)bouwmarkt inclusief parkeerterrein, zonder dat een goede ruimtelijke onderbouwing gegeven dient te worden en zonder verantwoording aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Indien een dergelijk omvangrijk project met een aanzienlijke ruimtelijke uitstraling mogelijk wordt gemaakt met artikel 4 lid 9 bijlage II Bor, dan valt er veel voor te zeggen dat de invulling van de motivering van de ruimtelijke aanvaardbaarheid overeenkomt met de inhoud van een goede ruimtelijke onderbouwing zoals die hoort bij een projectomgevingsvergunning.
  • Doordat de kruimelgevallenregeling onder het bereik van algemene regels is geplaatst, kunnen in provinciale ruimtelijke verordeningen (motiverings)regels worden opgenomen die gebruikmaking van de verruimde mogelijkheden teniet kunnen doen. Zo is er geen formeel beletsel om voor toepassing van de kruimelgevallenregeling in een provinciale ruimtelijke verordening een verantwoording aan de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) op te nemen, hoewel de ladder formeel niet van toepassing is op de kruimelgevallenregeling.
  • Het toepassingsbereik van het nieuwe kruimelgeval “het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied” (artikel 4 lid 8 bijlage II Bor) zal door de rechter moeten worden bepaald vanwege de onduidelijkheid van de begrippen “niet-ingrijpende herinrichting” en “openbaar gebied”.
  • Een kruimelomgevingsvergunning wordt van rechtswege verleend bij niet tijdig beslissen. Vanwege de verruiming van het toepassingsbereik door met name lid 9 en 11 van artikel 4 van bijlage II Bor is het eens te meer zaak dat het bevoegd gezag nauwkeurig de beslistermijnen in de gaten houdt.
  • De introductie in artikel 3.1.2 lid 2 aanhef en onder a Bro van de bevoegdheid om in een bestemmingsplan regels op te nemen waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Deze nieuwe bevoegdheid betekent een breuk met de jurisprudentie die vergt dat regels in een bestemmingsplan concreet en objectief bepaalbaar zijn; dat de toelaatbaarheid van een bepaalde functie niet afhankelijk mag worden gesteld van een nadere belangenafweging, anders dan via de binnenplanse flexibiliteitsbevoegdheden op grond van artikel 3.6 lid 1 Wro; en dat het niet is toegestaan bouwaanvragen te toetsen aan planregels die verwijzen naar documenten die geen deel uitmaken van het bestemmingsplan en niet de bestemmingsplanprocedure hebben doorlopen. Het toepassingsbereik van artikel 3.1.2 lid 2 aanhef en onder a Bro lijkt zich uit te strekken tot de verlening van omgevingsvergunningen voor bouwen en sluit niet uit dat een belangrijk onderdeel van het daarop van toepassing zijnde toetsingskader wordt ingevuld aan de hand van beleidsregels die door het college van burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld. Een vanuit een oogpunt van rechtszekerheid bezien wenselijke begrenzing van de aard van de begrippen waarop artikel 3.1.2 lid 2 aanhef en onder a Bro van toepassing is, ontbreekt nu, zodat het primaat van de ruimtelijke planvorming in belangrijke mate naar het college van burgemeester en wethouders zou kunnen verschuiven (mits de raad gebruik maakt van zijn nieuwe bevoegdheid). Verder is onduidelijk hoe het onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de maximale planologische mogelijkheden moet worden vormgegeven, indien de criteria voor de toelaatbaarheid van bepaalde bouwplannen geen onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan.

Al met al kan worden vastgesteld dat het Besluit pChw veel nieuwe mogelijkheden biedt om sneller en flexibeler tot planologische besluitvorming te komen, maar dat de vereisten en gevolgen van daartoe verruimde of geïntroduceerde bevoegdheden nog de nodige vragen oproepen.

Het bericht ’Het Besluit pChw nader beschouwd: meer mogelijkheden, meer vragen’ is een bericht van Stibbeblog.nl.

 

Related news

11.07.2019 NL law
Niet nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit kan leiden tot een kennelijk gegrond beroep en een 'kale vernietiging'

Short Reads - Een hard gelag voor de gemeenteraad van Rotterdam en de ontwikkelaar: bij uitspraak van 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2298, verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep tegen het bestemmingsplan "De Nieuwe Wielewaal" zonder zitting kennelijk gegrond wegens het ontbreken van een m.e.r.-beoordelingsbesluit en vanwege een gebrekkige vormvrije m.e.r.-beoordeling. De sloop van 545 woningen en de nieuwbouw van 675 woningen lopen hierdoor grote vertraging op, omdat het bestemmingsplan eerst weer in ontwerp ter inzage moet worden gelegd.

Read more

11.07.2019 NL law
Monitor Wind op Land 2018: Doelstelling voor 2020 naar verwachting niet gehaald, optimistisch over opgesteld vermogen in 2023

Short Reads - De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) stuurde op 28 juni 2019 de Monitor Wind op Land 2018 ("Monitor") naar de Tweede Kamer vergezeld van een kamerbrief. In de Monitor concludeert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) dat de doelstelling uit het Energieakkoord van 6.000 Megawatt (MW) aan opgesteld vermogen windenergie op land in 2020 naar verwachting niet zal worden gehaald. In dit blog zetten wij de aandachtspunten uit de Monitor op een rij.

Read more

28.06.2019 NL law
Transparantie-eisen en horecavergunningen: de toenemende invloed van de Dienstenrichtlijn

Short Reads - Deze maand heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat het weigeren van een exploitatievergunning voor een café vanwege het "levensgedrag" van de exploitant mogelijk strijdig is met de Dienstenrichtlijn. Het levensgedrag als criterium komt vaker in gemeentelijke verordeningen voor. Wat blijkt uit deze uitspraak en wat zijn de gevolgen voor de praktijk?

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring