Signaleringsblog week 9: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode. 

I- Jurisprudentie 

Hoge Raad blokkeert in belastingzaken mogelijkheid doorbreken rechtsmiddelenverbod bij wrakingsbeslissingen 

De belastingkamer van de Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 13 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:236) dat het voortaan niet meer mogelijk is om in belastingzaken het rechtsmiddelenverbod van art. 8:18, zesde lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) te doorbreken. Met deze koerswijziging vervalt de mogelijkheid om in belastinggeschillen hoger beroep of beroep in cassatie in te stellen tegen een beslissing op een verzoek tot wraking van de behandelend rechter. Hoewel ingevolge art. 8:18, zesde lid, Awb tegen een dergelijke beslissing geen rechtsmiddel openstaat, kon dit rechtsmiddelenverbod op grond van eerdere rechtspraak van de civiele kamer en de belastingkamer van de Hoge Raad toch worden gepasseerd als daartoe zogenoemde ‘doorbrekingsgronden’ werden aangevoerd: gesteld zou moeten worden dat de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824 en 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041). In navolging van de civiele kamer (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918) komt ook de belastingkamer van de Hoge Raad nu terug van die rechtspraak. De Hoge Raad overweegt dat een partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, de mogelijkheid heeft om in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven vanwege het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1738). Omdat het rechtsmiddelenverbod hieraan niet in de weg staat, heeft de verzoeker tot wraking in zoverre geen belang bij een zelfstandig hoger beroep of beroep in cassatie tegen de beslissing op zijn wrakingsverzoek (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918). Dit geldt ook in zaken waarin art. 6 EVRM van toepassing is. Die bepaling noodzaakt evenmin tot handhaving van de mogelijkheid om het rechtsmiddelenverbod van art. 8:18, lid 6, Awb te doorbreken. De vraag of sprake is van een eerlijk proces moet immers worden beantwoord ten aanzien van de procedure als geheel (vgl. EHRM 23 oktober 1996, nr. 17748/91, Ankerl t. ZwitserlandEHRM 7 juni 2012, nr. 38433/09, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië en EHRM 19 september 2017, nr. 35289/11, Regner t. Tsjechië); de mogelijkheid om de onpartijdigheid van de rechter aan de orde te stellen in een beroep tegen de door die rechter gedane uitspraak volstaat daartoe. Omdat het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen tegenover het belang bij voortgang van de procedure onvoldoende gewicht in de schaal legt, sluit de Hoge Raad de weg af om op basis van doorbrekingsgronden hoger beroep of beroep in cassatie in te stellen tegen een beslissing op een wrakingsverzoek. 

Vernietiging vaststellingsbesluit bestemmingsplan impliceert niet automatisch onrechtmatigheid van daarop gebaseerd handhavingsbesluit 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:783) dat de enkele vernietiging van het bestemmingsplan nog niet met zich brengt dat de daarop gebaseerde last onder dwangsom ook onrechtmatig is. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een door het college van burgemeester en wethouders (“college”) genomen besluit ter handhaving van het bestemmingsplan, waarvan het vaststellingsbesluit nadien sneuvelde bij de bestuursrechter. De Afdeling overweegt dat een besluit tot handhaving wegens overtreding van een bestemmingsplan niet kan worden aangemerkt als een rechtsgevolg van het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit mist de rechtsregel over de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit - namelijk dat deze met terugwerkende kracht ongedaan worden gemaakt tot het tijdstip waarop het besluit werd genomen - daarom toepassing; naar het oordeel van de Afdeling betekent de enkele vernietiging van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan op zichzelf niet dat ook de daarop gebaseerde last onder dwangsom onrechtmatig is. De Afdeling stelt evenwel vast dat het vernietigde bestemmingsplan in dit geval in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met art. 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) beschikbaar is gesteld (zie de Afdelingsuitspraak van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:782), met als gevolg dat de Afdeling niet kan vaststellen in hoeverre ten tijde van het nemen van het bestreden handhavingsbesluit sprake was van een overtreding van dit bestemmingsplan. De Afdeling ziet hierin aanleiding om de beslissing op bezwaar te vernietigen en het college op te dragen een nieuw besluit op het verzoek om handhaving te nemen, rekening houdend met de feiten en omstandigheden zoals die zich inmiddels hebben voorgedaan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571).

Wanneer kwalificeert een sloot als oppervlaktewaterlichaam? 

In haar uitspraak van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:917) oordeelt de Afdeling dat het water uit een zogeheten ‘effluentsloot’ in dit geval moet worden aangemerkt als een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Keur en de Waterwet. Om die reden heeft het dagelijks bestuur van het waterschap terecht een last onder dwangsom opgelegd aan de maatschap die het slootwater in strijd met het provinciale onttrekkingsverbod gebruikte om haar akker te beregenen. In hoger beroep betoogt de maatschap dat de 200 meter lange sloot, waarin het teveel aan water (‘effluent’) uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) wordt geloosd niet kwalificeert als een oppervlaktewater en het verbod om slootwater te onttrekken om die reden niet is overtreden. De Afdeling overweegt dat uit de definitieomschrijving van art. 1.1, eerste lid, Waterwet en het corresponderende artikel uit de Keur volgt dat een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water in beginsel een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam is. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, die in het licht van de Kaderrichtlijn Water (“KRW”) beperkt moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de doelen van de KRW. Of sprake is van een situatie waarin zich zo’n uitzondering voordoet moet volgens de Afdeling van geval tot geval worden beoordeeld. De Afdeling stelt vast dat de watergang ondanks de door de maatschap aangebrachte stuw een waterafvoerende functie heeft en jaarrond in verbinding staat met ander oppervlaktewater. Volgens de Afdeling is in dit geval geen sprake van een incidenteel aanwezige watermassa en bestaat evenmin aanleiding om een uitzondering aan te nemen op de kwalificatie van het water uit de effluentsloot als (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam. De Afdeling concludeert dat de maatschap daarmee het onttrekkingsverbod heeft overtreden. 

Geheimhoudingsbelang Wet Bibob staat in de weg aan toewijzing inzageverzoek AVG 

De Rechtbank Overijssel oordeelt in zijn uitspraak van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:715) dat de geheimhoudingsplicht van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (“Wet Bibob”) het recht op inzage weliswaar beperkt, maar dat dit noodzakelijk en evenredig is om de rechten en vrijheden van anderen te waarborgen. Aanleiding voor dit oordeel was de afwijzende beslissing van de burgemeester op het op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”) gebaseerde verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens die het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (“RIEC”) in het aan de burgemeester gerichte adviesrapport heeft verwerkt. De burgemeester heeft de inzage in (de persoonsgegevens in) het RIEC-advies in de eerste plaats geweigerd op grond van art. 15, vierde lid, AVG en art. 23, eerste lid, aanhef en onder i, AVG, gelezen in combinatie met art. 41, eerste lid, aanhef en onder i, Uitvoeringsregeling AVG (“UAVG”). De burgemeester stelt dat de informatie-uitwisseling met het RIEC heeft plaatsgevonden in het kader van een Bibob-onderzoek en dat het RIEC-rapport daarom valt onder de geheimhoudingsplicht van art. 28, eerste lid, Wet Bibob. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zijn weigering om inzage te geven in (de persoonsgegevens in) het RIEC-advies op deze artikelen mocht baseren en dat de in art. 28, tweede lid, aanhef en onder a, Wet Bibob genoemde uitzondering noch een andere in de Wet Bibob genoemde uitzondering zich in dit geval voordoen. De rechtbank overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis bij art. 43, aanhef en onder e, Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) kan worden afgeleid dat onder ‘de rechten en vrijheden van anderen’ in de zin van art. 41, eerste lid, aanhef en onder i, UAVG ook de rechten en vrijheden van de verwerkingsverantwoordelijke (oftewel de burgemeester zelf) en het door hem geraadpleegde RIEC vallen. Omdat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beperking van het recht op inzage noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de rechten en vrijheden van anderen, mocht de burgemeester een zwaarder gewicht toekennen aan deze geheimhoudingsplicht dan aan de belangen van eiser bij inzage in (de persoonsgegevens in) het RIEC-advies. 

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Nader rapport Wetsvoorstel bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche

Op 19 februari 2026 verscheen het nader rapport inzake het wetsvoorstel bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche (Stcrt. 2026, 6890). Daarmee reageert de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (“BZK”) op het daarover gegeven advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (“Afdeling advisering”) dat hiermee ook openbaar is gemaakt. Het wetsvoorstel - dat volgt op een eerdere versie die in 2021, na een kritisch advies van de Afdeling advisering, niet verder in procedure werd gebracht - introduceert een verplichte risicoanalyse ten aanzien van de integriteit van decentrale (kandidaat-)bestuurders en legt daarnaast voor deze groep bestuurders de randvoorwaarden vast voor de omgang met financiële belangen. Het wetsvoorstel geeft daarmee uitdrukking aan het grote publieke belang dat met bestuurlijke integriteit is gemoeid: het borgen van integriteit is volgens het wetsvoorstel een essentiële voorwaarde voor een goed functionerend bestuur en daarmee voor het versterken van het vertrouwen in en de legitimiteit van de overheid. De Afdeling advisering onderschrijft het belang van bestuurlijke integriteit, maar stelt ook dat de verwachtingen van het wetsvoorstel niet moeten worden overschat. 

Uitstel uitbreiding actieve openbaarmakingsplicht Woo vanwege problemen digitale infrastructuur 

Met de Kamerbrief van 16 februari 2026 heeft de minister van BZK de Tweede Kamer geïnformeerd over de vertraging die de beoogde stapsgewijze uitrol van de actieve openbaarmakingsplicht oploopt als gevolg van problemen bij de ontwikkeling van de daarvoor benodigde centrale digitale infrastructuur. Omdat de minister voorziet dat de oplevering van deze zogeheten ‘generieke Woo-voorziening’ (GWV) als bedoeld in art. 3.3b Wet open overheid (Woo) minimaal negen maanden later wordt opgeleverd dan aanvankelijk gepland, zal ook de beoogde inwerkingtreding van de tweede tranche van verplichte openbaar te maken informatiecategorieën (aanvankelijk voorzien in het eerste kwartaal van 2027) opschuiven. De minister verwacht voor de zomer van 2026 meer duidelijkheid te kunnen bieden over de nieuwe planning. 

Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes geactualiseerd

Op 16 februari 2026 verscheen de geactualiseerde versie van het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (“IAMA”). Het IAMA is een instrument dat overheden en bedrijven in staat stelt om voorafgaand aan de ontwikkeling en inzet van algoritmen de impact ervan op mensenrechten inzichtelijk te maken. Het IAMA verscheen voor het eerst in 2021. De geactualiseerde versie, die vergezeld gaat van een uitgebreide toelichting, is in lijn gebracht met art. 27 AI-verordening die een grondrechteneffectbeoordeling verplicht stelt voor zogenoemde impactvolle algoritmes en hoog-risico AI-systemen. Op die manier kunnen in een vroegtijdig stadium weloverwogen keuzes worden gemaakt ter bevordering van een verantwoorde inzet van deze algoritmen, waarbij inbreuken op mensenrechten worden voorkomen.

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.