Signaleringsblog week 8: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode. 

I- Jurisprudentie 

Verwerking persoonsgegevens vanwege verplicht gestelde pinbetalingen vereist gerechtvaardigd AVG-doel

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:746) dat de verwerking van persoonsgegevens als gevolg van het invoeren van de verplichting  voor bioscoopbezoekers om aankopen af te rekenen via pinbetaling in het licht van art. 5, eerste lid, aanhef en onder b, Algemene Verordening Gegevensverwerking (“AVG”) een gerechtvaardigd doel vereist. Het vergroten van de (sociale) veiligheid van de medewerkers van de bioscoop kan in het algemeen zo’n gerechtvaardigd doel zijn, maar is hiervoor op zichzelf niet voldoende; vereist is een kenbare, controleerbare en op het specifieke geval toegespitste nadere onderbouwing. Aanleiding voor dit oordeel was de afwijzende beslissing van de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”) op een verzoek om handhaving van de AVG bij een lokale bioscoop. Die had met het oog op de sociale veiligheid van haar medewerkers de mogelijkheid van het doen van contante betalingen afgeschaft, zodat bezoekers hun bioscoopkaartje of consumptie in de horecagelegenheid voortaan uitsluitend digitaal (met pinpas of creditcard) konden afrekenen. Omdat het doel van de daarbij te verwerken persoonsgegevens - de laatste vier cijfers van het gemaskeerde bankrekeningnummer, het bedrag en de betaaldatum - in het licht van de AVG niet gerechtvaardigd zou zijn, wilde de klager met zijn handhavingsverzoek bereiken dat alsnog contant kon worden betaald. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de AP de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende onderbouwd. De Afdeling overweegt dat de bioscoop met de digitale betaling persoonsgegevens in de zin van de AVG verwerkt. Om dat te mogen doen is vereist dat sprake is van een welbepaald en uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel (art. 5, eerste lid, aanhef en onder b, AVG). Volgens de Afdeling kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld dat in dit concrete geval de veiligheid van de bioscoopmedewerkers in het geding is: de enkele omstandigheid dat contant geld vatbaar is voor diefstal is naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf onvoldoende om de (sociale) veiligheid een gerechtvaardigd doel te achten voor verplichte pinbetalingen. De AP zal daarom een nieuw besluit op het handhavingsverzoek moeten nemen, waartegen alsdan met toepassing van art. 8:113, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht, “Awb”) rechtstreeks beroep bij de Afdeling openstaat. 

Nederlandse Staat doet voldoende om PFAS aan te pakken; het is niet aan de rechter om wetgevingsbevel te geven 

In zijn uitspraak van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:2175) oordeelt de civiele kamer van de Rechtbank Den Haag dat de Nederlandse Staat zich voldoende inspant om de verspreiding van PFAS in het milieu aan te pakken. Aanleiding voor dit oordeel was een collectieve actie (in de zin van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, WAMCA) van enkele stichtingen en milieuverenigingen tegen de Nederlandse Staat met als inzet om, kort gezegd, (i) voor recht te verklaren dat de Nederlandse aanpak van de PFAS-problematiek - het verminderen van emissies en de verwijdering van PFAS uit het milieu - tekortschiet en (ii) de Staat gericht te bevelen om aanvullende inspanningen op dit terrein te leveren. De rechtbank stelt vast dat PFAS een groep chemische stoffen zijn die sinds de jaren '60 wordt gebruikt in een zeer breed scala aan toepassingen (zoals regenkleding, cosmetica, kookgerei en medicijnen), maar slecht afbreekbaar is en - eenmaal in het milieu terechtgekomen - via het (grond)water en de lucht verder verspreid raakt. In de afgelopen decennia is bovendien steeds meer bekend geworden over de risico’s van PFAS voor de gezondheid van mensen en dieren. Naar het oordeel van de rechtbank is de Nederlandse PFAS-aanpak, mede in het licht van de beschikbare kennis over het onderwerp, op dit moment toereikend. De Staat heeft, na afweging van alle relevante maatschappelijke belangen, ervoor heeft gekozen zich in eerste instantie te richten op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken dat PFAS in het milieu terechtkomen. Verder geeft de Staat er prioriteit aan om zijn middelen aan te wenden om zich - mede gelet op de grensoverschrijdende verspreiding van PFAS, de Europese interne markt en de geharmoniseerde stoffenwetgeving - in te zetten voor een zo breed mogelijk Europees gebruiksverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Staat daarmee zijn vrijheid bij het kiezen van maatregelen overschrijdt. Gelet op hun onderlinge taakverdeling is het niet aan de rechter om de wetgever een bevel te geven om wetgeving met een bepaalde inhoud tot stand te brengen (vgl. het Urgenda-arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, waarin de Hoge Raad het in dit verband toe te passen beoordelingskader heeft geformuleerd). 

Functioneel overtrederschap huiseigenaar niet aannemelijk gemaakt, bestuurlijke boete wegens illegale onderverhuur onderuit  

Uit de Afdelingsuitspraak van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:737) volgt dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) geen bestuurlijke boete mag opleggen aan een huiseigenaar wegens illegale onderverhuur, als het college er niet in slaagt om diens functionele overtrederschap aan te tonen. Aanleiding voor dit oordeel was de boete van € 10.000,- die het college aan de eigenaar had opgelegd wegens het in strijd met de lokale Huisvestingsverordening in gebruik c.q. onderhuur (laten) geven van zijn woning voor onzelfstandige bewoning. In hoger beroep is in geschil of de eigenaar hiervoor als functioneel overtreder (in de zin van art. 5:1, tweede lid, Awb) verantwoordelijk kan worden gehouden. Aansluitend op de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap is dat volgens de Afdeling, kort samengevat, het geval als de huiseigenaar (i) erover kon ‘beschikken’ of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en (ii) zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken heeft ‘aanvaard’(vgl. de Afdelingsuitspraken van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071). Onder dit laatste is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de huiseigenaar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het is daarbij aan het bestuursorgaan om te bewijzen dat aan de criteria voor functioneel daderschap is voldaan. 

Naar het oordeel van de Afdeling kon de eigenaar in dit geval ‘beschikken’ over de omzetting van de woning in onzelfstandige woonruimten zonder over de daarvoor benodigde vergunning te beschikken; de eigenaar van een woning kan in de regel beschikken over dergelijk gebruik van zijn woning, ook als hij deze heeft verhuurd (vgl. de Afdelingsuitspraken van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2501 en 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071). Volgens de Afdeling heeft het college evenwel niet aangetoond dat de eigenaar de overtreding heeft ‘aanvaard’. De enkele omstandigheid dat de huiseigenaar de woning niet regelmatig heeft gecontroleerd, is volgens de Afdeling onvoldoende voor het oordeel dat hij als functioneel overtreder moet worden aangemerkt. Ook de enkele verklaring van een van de bewoners aan de toezichthouder dat de huur maandelijks contant werd betaald is niet voldoende, nu de eigenaar dit betwist en verdere aanwijzingen die deze verklaring ondersteunen en erop wijzen dat de eigenaar op de hoogte was of kon zijn van de onzelfstandige bewoning ontbreken. Uit bankafschriften die de eigenaar heeft overgelegd volgt bovendien dat diens eigenlijke huurder maandelijks en voor het laatst twee weken voor de inspectie die heeft geleid tot de boete onder vermelding van ‘huur’ een bedrag aan hem heeft overgemaakt, terwijl deze op dat moment ook beschikte over een rechtsgeldig huurcontract. Omdat het college geen andere signalen heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de eigenaar niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden verwacht, concludeert de Afdeling dat het college de boete ten onrechte heeft opgelegd. 

Toepassing hardheidsclausule ook mogelijk zonder dat sprake is van ‘schrijnende omstandigheden’

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 29 januari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:298) dat bij de afweging om al dan niet  toepassing te geven aan de in een regeling opgenomen hardheidsclausule niet per definitie sprake hoeft te zijn van ‘schrijnende omstandigheden’; bepalend is of sprake is van een bijzondere situatie, waarin de onverkorte toepassing van de wettelijke regeling leidt tot een ‘onbillijkheid van overwegende aard’ (vgl. de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:456). In het geschil over het besluit van de Dienst Toeslagen om de aanvraag van eiseres om haar recht op kinderopvangtoeslag opnieuw te beoordelen niet in behandeling te nemen, omdat de aanvraag daarvoor te laat zo zijn ingediend, stelt eiseres dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens de rechtbank is daarmee de vraag of de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule van art. 9.1, eerste lid, Wet hersteloperatie toeslagen (“Wht”) had moeten toepassen. Volgens die bepaling kan de Dienst Toeslagen afwijken van de wettelijk vastgelegde uiterste indieningsdatum, indien sprake is van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin het onverkort vasthouden aan de wettelijke indieningsdatum leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Naar het oordeel van de rechtbank moet bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke bijzondere situatie ook worden betrokken de omstandigheid dat iemand niet wist of in alle redelijkheid niet kon weten wanneer de uiterste aanmeldtermijn afliep. Ook zonder dat dit samengaat met schrijnende omstandigheden, kan dit namelijk leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Omdat niet is gebleken in hoeverre de Dienst Toeslagen, net als in Nederland, ook in Suriname - waar eiseres woont – aan informatievoorziening heeft gedaan, terwijl uit de Memorie van toelichting bij de Wht volgt dat ouders in het buitenland actief moeten worden geïnformeerd én eiseres zich heeft gemeld bij de Dienst Toeslagen zodra zij op de hoogte was van de hersteloperatie, concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd. 

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Aankondiging openstelling subsidieregeling SDE++ vanaf 22 september 2026

Met de Kamerbrief van 13 februari 2026 informeert de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) de Eerste en Tweede Kamer over de openstelling van de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (“SDE++”) vanaf 22 september 2026. De regeling biedt bedrijven een (financiële) impuls om duurzame energie-oplossingen tot stand te brengen. De Kamerbrief bevat onder meer een overzicht van de belangrijke wijzigingen en aandachtspunten voor de openstellingsronde van 2026, aan de hand waarvan geïnteresseerde partijen nu alvast een subsidieaanvraag kunnen voorbereiden. De minister streeft ernaar om de SDE++-subsidieregelingen (met daarin de definitieve subsidievoorwaarden) vóór de zomer van 2026 vast te stellen en bekend te maken. 

Tweede consultatieronde Regeling versterking regie volkshuisvesting 

Vanaf 16 februari 2026 is de ontwerp Regeling versterking regie volkshuisvesting opnieuw vrijgegeven voor internetconsultatie. Omdat de regeling eerder (in maart/april 2025) een dergelijk traject doorliep, ziet deze consultatie enkel op de volgende vier onderwerpen: (i) uitwerking nadere voorwaarden urgentie categorie gezinnen met minderjarige kinderen zonder vaste verblijfplaats; (ii) uitbreiding van de definitie van maatschappelijke binding; (iii) de wijze van vaststellen van het percentage landelijke gemiddelde aandeel sociale huurwoningen; en (iv) het aandeel sociale huurwoningen in de gemeentelijke voorraad in verband met instructieregels over de 
betaalbaarheidsprogrammering. Tot en met 30 maart 2026 kan eenieder reageren op de consultatiedocumenten. 

Internetconsultatie Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit

In de periode van 10 februari 2026 tot en met 10 maart 2026 doorloopt de Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit een internetconsultatieronde. De regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen te ondersteunen bij de bouw of aanleg van infrastructurele voorzieningen in de omgeving (en ter ontsluiting) van nieuwe (grootschalige) woningbouwlocaties. Het gaat hierbij om ‘bovenplanse infrastructurele voorzieningen’, zoals fietspaden, rotondes, mobiliteitshubs of de aanleg van openbaar vervoer. Belangstellenden kunnen gedurende de inzageperiode op de conceptregeling reageren. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.