Versnelling woningbouwprocedures door ongemotiveerd afdoen falende beroepsronden?

Article
NL Law

In een beroepsprocedure tegen een bestemmingsplan voor onder meer 250 huizen voeren appellanten vele gronden aan. De Afdeling bestuursrechtspraak bespreekt enkele gronden gemotiveerd, maar overweegt over de resterende gronden: "De overige beroepsgronden over de Nationale Omgevingsvisie, luchtkwaliteit, stikstof en cultuurhistorische waarden geven geen grond voor het oordeel dat het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan gebreken bevat."

Tegenstanders van omgevingsrechtelijke ontwikkelingen, of het nu gaat om energieprojecten, varkenshouderijen of woningbouwprojecten, voeren vaak een groot aantal beroepsgronden aan (een “schot hagel”). Het ligt voor de hand dat dat in de toekomst nog meer het geval zal zijn door de beschikbaarheid van generatieve AI chatbots. 

Het bespreken en weerleggen van deze gronden is arbeidsintensief en tijdrovend. Dat geldt voor het verwerende bestuursorgaan of de initiatiefnemende derdebelanghebbende, maar eens te meer voor de betrokken bestuursrechter die al die beroepsgronden moet bespreken. Dat leidt vaak tot zeer omvangrijke uitspraken, waarbij 50 of meer A4-tjes geen uitzondering zijn. 

Daarbij kan frustrerend zijn dat op voorhand duidelijk is dat een aantal van die beroepsgronden niet zal slagen, maar dat met het toelichten van die ongegrondheid veel inspanning en tijd gemoeid zijn.

Zou het dan niet efficiënt zijn om die gronden ongemotiveerd af te doen, vergelijkbaar met wat artikel 81 lid 1 Wet op de rechtelijke organisatie (“Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.”).

Onze indruk is dat de Afdeling bij deze systematiek aansluit in haar uitspraak van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:762. In die uitspraak is aan de orde een beroep tegen een bestemmingsplan van de gemeente Borne. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van 250 woningen. Daarnaast kent het plan een zogenoemde uitsterfregeling toe aan een agrarisch perceel, die erin voorziet dat het bestaande agrarische gebruik mag worden voortgezet, maar niet mag worden vergroot en dat dat gebruik niet meer is toegestaan nadat de milieuvergunning is ingetrokken of het gebruik meer dan een jaar is onderbroken.

Appellant voert diverse beroepsgronden aan, waaronder dat de uitsterfregeling in strijd is met eerdere afspraken met de gemeente en dat deze regeling de bedrijfsvoering onaanvaardbaar beperkt. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond en overweegt gemotiveerd dat dat niet het geval is en dat dit betoogt niet slaagt.

Kennelijk heeft appellant nog meer beroepsgronden aangevoerd, want vervolgens overweegt de Afdeling: “De overige beroepsgronden over de Nationale Omgevingsvisie, luchtkwaliteit, stikstof en cultuurhistorische waarden geven geen grond voor het oordeel dat het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan gebreken bevat.” om vervolgens te concluderen dat het beroep ongegrond is. En dit op 11 februari 2026, slechts drie weken na de zitting op 22 januari 2026.

Observaties

Op grond van artikel 8:77 lid 1 aanhef en onder b Awb vermeldt de schriftelijke uitspraak de gronden van de beslissing. Artikel 8:77 lid 2 Awb bepaalt dat indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, in de uitspraak wordt vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld. Een regeling over het ongemotiveerd afdoen van gronden, vergelijkbaar met artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, kent de Awb niet. 

De motiveringsplicht vloeit voort uit artikel 121 Grondwet (“Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.”) en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De motiveringsplicht van artikel 6 EVRM vergt overigens niet een gedetailleerde behandeling van elk argument dat wordt aangevoerd (o.a. ABRvS 27 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0104, r.o. 2.7.2 onder verwijzing naar EHRM 27 september 2001, 49684/99 (Hirvisaari), r.o. 30 (“The Court reiterates that, according to its established case-law reflecting a principle linked to the proper administration of justice, judgments of courts and tribunals should adequately state the reasons on which they are based. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case. Although Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, it cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument.”). 

Op grond van artikel 8:54 lid 1 onder c en d Awb kan de bestuursrechter een zaak zonder zitting en zonder beoordeling van de beroepsgronden vereenvoudigd afdoen als het beroep kennelijk ongegrond of kennelijk ongegrond is. Zie daarover ook ons eerdere blogbericht. Maar van een vereenvoudigde afdoening is in de onderhavige uitspraak geen sprake, nu in ieder geval één grond normaal wordt behandeld,

Hoewel de voortvarendheid van de Afdeling in woningbouwzaken zeer te prijzen valt, vergt de wijze van afdoening van de gronden over de Nationale Omgevingsvisie, luchtkwaliteit, stikstof en cultuurhistorische waarden gelet op artikel 8:77 Awb, artikel 121 Grondwet en artikel 6 EVRM in ieder geval een nadere toelichting.