Signaleringsblog week 11: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht
In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.
I- Jurisprudentie
Concurrent in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied toch geen belanghebbende bij handhavingsverzoek vanwege ontbreken feitelijke gevolgen
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1238) dat de reactie van het college van burgemeester en wethouders (“college”) op de door een verhuurder van vakantiewoningen in een populaire badplaats ingediende handhavingsverzoeken niet kwalificeert als een appellabel besluit (in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb), omdat het concurrentiebelang van de verhuurder niet rechtstreeks betrokken belang is bij de recreatieve verhuur van 28 andere panden. Omdat de verhuurder geen belanghebbende is, staat voor hem geen beroepsgang bij de bestuursrechter open. De Afdeling overweegt ambtshalve dat een onderneming een concurrentiebelang heeft als zij bedrijfsactiviteiten ontplooit in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende. Van het uitgangspunt dat een concurrentiebelang in beginsel rechtstreeks is betrokken bij het besluit, indien een concurrent werkzaam is in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied, kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat feitelijke gevolgen aanwezig zijn. Volgens de Afdeling voerde de procederende verhuurder ten tijde van het nemen van de beslissingen feitelijk bedrijfsactiviteiten uit in hetzelfde marktsegment en binnen hetzelfde verzorgingsgebied als de rechthebbenden van de panden waarop de handhavingsverzoeken betrekking hebben. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat in dit verzorgingsgebied duizenden (delen van) panden worden aangeboden voor recreatief verblijf op verhuurbasis, zodat het college het daarom terecht uitgesloten heeft geacht dat de procederende verhuurder enige feitelijk gevolgen (zoals omzetverlies) zal ondervinden door de beweerdelijk illegale verhuur van de in de handhavingsverzoeken genoemde panden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1498 en 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:632). Omdat deze feitelijke gevolgen ontbreken, is de procederende verhuurder geen belanghebbende (als bedoeld in ar. 1:2, eerste lid, Awb), kwalificeren diens handhavingsverzoeken niet als ‘aanvragen’ (in de zin van art. 1:3, derde lid, Awb) en levert de reactie van het college op die verzoeken geen appellabel ‘besluit’ op (als bedoeld in art. 1:3, eerste lid, Awb).
Welke bestuursrechter is bevoegd om kennis te nemen van ingesteld rechtsmiddel tegen last onder bestuursdwang?
In haar uitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1227) oordeelt de Afdeling dat zij – en niet de belastingkamer van de civiele rechter – bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep dat is gericht tegen de opgelegde last onder bestuursdwang wegens het innemen van een ligplaats met een vaartuig waarop geen betalingsbewijs (vignet) van de verschuldigde havenbelasting was aangebracht. De eigenaar van het vaartuig stelde in hoger beroep bij de Afdeling onder meer dat de gemeente niet bevoegd zou zijn om havengeldbelasting te innen, zodat ook de daarmee verband houdende vignetplicht en daarop gebaseerde lastgeving niet rechtmatig zijn. De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. De Afdeling overweegt dat de lokale Binnenhavengeldverordening en daarmee de bevoegdheid tot het heffen van deze gemeentelijke belasting voor het gebruik van gemeentewateren, zijn grondslag vindt in art. 229, eerste lid, aanhef en onder a, Gemeentewet. Omdat de heffing plaatsvindt met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), als ware sprake van een rijksbelasting, brengt het systeem van rechtsbescherming met zich mee dat belanghebbenden tegen een uitspraak van de rechtbank over die geheven rechten hoger beroep kunnen instellen bij het gerechtshof en niet bij de Afdeling (vgl. de Afdelingsuitspraak van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2914). De Afdeling stelt vast dat de voorliggende procedure ingang heeft gevonden met een op de Binnenhavengeldverordening gebaseerde last onder dwangsom. Die sanctie, zo heeft het college op de zitting toegelicht, dient niet alleen ter handhaving van de heffing van het binnenhavengeld, maar ook om door middel van de vignetten de verkeersstromen op het binnenwater in kaart te brengen en om handhavend op te treden tegen pleziervaartuigen waarop de belastingbepalingen wegens onbekendheid van de eigenaar geen toepassing kunnen vinden. Naar het oordeel van de Afdeling hangt het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in dit geval weliswaar samen met het besluit tot het heffen van het binnenhavengeld, omdat uit de aanwezigheid van een vignet kan worden afgeleid dat de eigenaar van het pleziervaartuig het binnenhavengeld heeft betaald, maar is die samenhang niet zodanig dat daardoor sprake is van een ingevolge de belastingwet genomen besluit waarover de belastingrechter bevoegd zou zijn te beslissen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de overtreding in dit geval bestaat uit het feitelijk innemen van ligplaats met een vaartuig waarop geen vignet is aangebracht, de last erop is gericht deze overtreding ongedaan te maken en in de last zelf niet inhoudelijk ingaat op de juistheid van het besluit tot het heffen van binnenhavengeld. De Afdeling concludeert dat zij (en niet de belastingrechter) bevoegd is om kennis te nemen van het tegen de last ingestelde rechtsmiddel.
Rechtbank treedt buiten omvang geding bij geschil over geweigerde uitwegvergunning
Uit de Afdelingsuitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1245) volgt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding (als bedoeld in art. 8:69, eerste lid, Awb) is getreden door de grondslagen waarop het besluit tot het weigeren van toestemming voor de aanleg van een uitweg is gebaseerd uit eigen beweging aan te vullen. Aan het weigeringsbesluit had het college ten grondslag gelegd dat de gewenste uitweg niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Dat vormt ingevolge de Algemene plaatselijke verordening (“Apv”) een zelfstandige weigeringsgrond voor de aangevraagde omgevingsvergunning. De rechtbank had vervolgens geoordeeld dat het college de aanvraag terecht heeft geweigerd, omdat die niet alleen in strijd is het bestemmingsplan, maar ook met het doelmatig en veilig gebruik van de weg en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving (twee aanvullende weigeringsgronden uit de Apv). De Afdeling overweegt dat art. 8:69, eerste lid, Awb bepaalt dat de bestuursrechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek op de zitting. Omdat het college beide aanvullende grondslagen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, is de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling buiten de omvang van het geschil (zoals bedoeld in art. 8:69, eerste lid, Awb) getreden. Dit betekent evenwel niet dat de uitspraak om die reden geen stand kan houden. Volgens de Afdeling kan de strijdigheid met het bestemmingsplan het weigeringsbesluit inhoudelijk zelfstandig dragen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank wegens het geconstateerde formele gebrek te vernietigen.
Onuitvoerbaarheid projectbesluit niet aannemelijk gemaakt vanwege minnelijk overleg over verwerving benodigde gronden
De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1202) dat de enkele omstandigheid dat de uitvoering van het projectbesluit grotendeels is voorzien op gronden die niet in eigendom zijn van de Staat in dit geval geen privaatrechtelijke belemmering vormt die voor de minister van Infrastructuur en Waterstaat aanleiding had moet zijn om het projectbesluit niet vast te stellen. Aanleiding voor dit oordeel vormde het op grond van de artt. 5.44, eerste lid, jo. 5.46, eerste lid, onder f, Omgevingswet (Ow) vastgestelde projectbesluit dat ter voldoening aan de Europese Kaderrichtlijn Water (“KRW”) voorziet in de uitvoering van maatregelen in en rondom een grote rivier in 2027. Een VOF die op een aantal nabijgelegen landbouwpercelen gewassen verbouwt trekt in beroep de uitvoerbaarheid c.q. tijdige uitvoering van het projectbesluit in twijfel vanwege het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering: de minister is er nog niet in geslaagd om alle benodigde gronden, waaronder die van de VOF, te verwerven. De Afdeling overweegt dat op dit moment met de VOF het zogeheten ‘minnelijk overleg’ wordt gevoerd ter verkrijging van de gronden die voor de uitvoering van de maatregel nodig zijn. Als dit overleg niet leidt tot minnelijke overeenstemming, zal naar alle waarschijnlijkheid het onteigeningstraject worden ingezet. Gelet daarop kan volgens de Afdeling niet op voorhand worden gezegd dat het project niet kan worden gerealiseerd vanwege privaatrechtelijke belemmeringen. De minister heeft verder onderkend dat het onteigeningstraject enige tijd kan duren en dat het mogelijk is dat de KRW-doelen niet uiterlijk 2027 kunnen worden gerealiseerd. Dit laatste betekent naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat het projectbesluit in dat geval niet meer uitvoerbaar is: de verplichting om te voldoen aan de KRW blijft immers ook na 2027 bestaan.
Specialiteitsbeginsel staat in de weg aan betrekken andere dan waterstaatkundige belangen bij beoordeling toelaatbaarheid wateractiviteit
De Rechtbank Oost-Brabant oordeelt in zijn uitspraak van 27 februari 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:1224) dat het dagelijks bestuur van het waterschap de op grond van de Waterwet aangevraagde watervergunning voor het verrichten van werkzaamheden aan diverse watergangen terecht heeft geweigerd, nu het niet mogelijk is om met het verbinden van vergunningvoorschriften tegemoet te komen aan de waterstaatkundige bezwaren die aanleiding vormden voor het weigeringsbesluit. De rechtbank stelt bij zijn beoordeling voorop dat de systematiek van de Awb met zich brengt dat een bestuursorgaan bij een aanvraag dient te beslissen op grondslag van de aanvraag. Dit betekent volgens de rechtbank dat het bestuursorgaan niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Omdat de hydrologische voorstellen van de initiatiefnemers om de geconstateerde waterstaatkundige bezwaren te adresseren neerkomen op het realiseren van zelfstandig vergunningplichtige activiteiten die buiten het bestek van de aanvraag vallen, heeft het dagelijks bestuur zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij daarmee buiten de grondslag van de aanvraag zou treden en dat het hem niet vrijstond om deze activiteiten als vergunningvoorschrift aan de gevraagde omgevingsvergunning te verbinden. De stelling van de initiatiefnemers dat het niet verbinden van deze voorschriften geen recht doet aan de economische belangen die met de uitvoering van de aangevraagde werkzaamheden zijn gediend treft volgens de rechtbank geen doel: art. 6.21 Waterwet schrijft dwingend voor dat een watervergunning wordt geweigerd als de verlening niet verenigbaar is met de waterstaatkundige doelstellingen, genoemd in art. 2.1, eerste lid, Waterwet; de economische belangen van betrokkenen vallen daar niet onder, aldus de rechtbank.
II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving
Aan de slag: opdrachtbrieven Ministeriële Taskforces
Met de Kamerbrief van 6 maart 2026 informeert minister-president Jetten de Tweede Kamer over de opdrachten die de regering heeft meegegeven aan de 6 zogeheten ‘Ministeriële Taskforces’. Het gaat om de Taskforces Versnelling Woningbouw (TVW); Landbouw, Natuur en Stikstof (TLNS); Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (TTWenV); Slagvaardige Overheid (TSOv); Asiel en Migratie (TAenM), en Ondermijning (TO).
Omnibus I-pakket goedgekeurd: vereenvoudiging EU-regels voor duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid
Op 24 februari 2026 heef de Raad van de Europese Unie met het oog op het concurrentievermogen van de Europese Unie een pakket aan maatregelen goedgekeurd die de eisen voor ondernemingen op het gebied van duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid vereenvoudigen (“Omnibus I”). De daartoe vastgestelde EU-richtlijn 2026/470 is op 26 februari 2026 in het EU-Publicatieblad verschenen. De nieuwe richtlijn vereenvoudigt de richtlijn duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, “CSRD”) en de richtlijn passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (Corporate Sustainability Due Diligence Directive, “CSDDD”). Zo is onder meer het toepassingsgebied van de CSRD en CSDDD is verkleind, zijn ondernemingen in het kader van de CSDDD niet langer verplicht om een klimaattransitieplan op te stellen en is ook de geharmoniseerde EU-aansprakelijkheidsregeling geschrapt. In november 2025 spraken wij in deze Stibbe-podcast al over de achtergrond en totstandkoming van het vereenvoudigingspakket.
Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?
Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.