Signaleringsblog week 10: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode. 

I- Jurisprudentie 

Bedrijfsrelevante milieu-informatie mag niet zomaar openbaar worden gemaakt als het geen emissiegegevens betreft 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1075) dat de informatie waarvan om openbaarmaking is verzocht kwalificeert als bedrijfs- en fabricagegegeven én als milieu-informatie die geen betrekking heeft op emissies in het milieu, zodat de beslissing over openbaarmaking ervan een belangenafweging vergt. Aanleiding voor dit oordeel was het geschil over de beslissing van de minister van Klimaat en Groene Groei (destijds nog de minister voor Klimaat en Energie) om een meeromvattend, op de Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”) gebaseerd informatieverzoek over twee subsidiebesluiten gedeeltelijk toe te wijzen. De subsidieontvanger, een in industriële en medische gassen gespecialiseerd bedrijf dat in het kader van het Porthos-project onder meer zogenoemde ‘koolstofarme’ of ‘blauwe’ waterstof produceert, betoogt dat het openbaar maken van de verzochte gegevens onevenredig nadelig uitpakt voor haar concurrentiepositie en daarom had moeten worden geweigerd. De Afdeling ziet zich onder meer voor de vraag gesteld of een specifiek onderdeel van beide subsidiebesluiten, het zogenoemde ‘nominaal vermogen’, moet worden aangemerkt als een bedrijfs- of fabricagegegeven (in zin van art. 10, eerste lid, aanhef en onder c Wob). Volgens de subsidieregeling wordt daaronder, kort gezegd, verstaan ‘het maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas’. Volgens de Afdeling geeft het nominale vermogen inzicht in de mate waarin het bedrijf maximaal in staat is blauwe waterstof te produceren en CO2 af te vangen en op te slaan in het kader van het Porthos-project. Omdat een concurrent aan de hand van deze informatie aldus kan bepalen welke installatie hij moet bouwen om concurrerend te zijn op dezelfde markt, is naar het oordeel van de Afdeling sprake van bedrijfs- of fabricagegegevens in voornoemde zin. Het nominaal vermogen verschaft daarentegen geen informatie over de daadwerkelijke of voorzienbare CO2-uitstoot en ook geen informatie over de invloeden van de daadwerkelijke of voorzienbare CO2-uitstoot op het milieu, aldus de Afdeling. Ook stelt openbaarmaking van het nominaal vermogen het publiek niet in staat om te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare CO2-uitstoot door de minister juist is. Daarmee kan het nominaal vermogen naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu (als bedoeld in art. 1, aanhef en onder g, Wob, in samenhang gelezen met art. 19.1a, eerste lid, Wet milieubeheer), waarvan de openbaarmaking op grond van Europese richtlijnen en Europese rechtspraak in beginsel is aangewezen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4422). De Afdeling concludeert dat art. 10, vierde lid, tweede volzin, Wob zich in dit geval verzet tegen openbaarmaking van het nomimaal vermogen, omdat aan het concurrentiebelang van het betrokken bedrijf een zwaarder gewicht toekomt dan aan het belang van openbaarmaking.  

Voormalig eigenaar behoudt procesbelang bij geweigerde legaliserende omgevingsvergunning

In haar uitspraak van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1085) oordeelt de Afdeling dat de voormalig eigenaar van een perceel in dit geval nog steeds procesbelang heeft bij de uitkomst van de geïnitieerde hoger beroepsprocedure tegen de geweigerde omgevingsvergunning voor een op dat perceel gerealiseerde loods. De loods met een oppervlakte van ongeveer 240 m2 en een bouwhoogte van ruim 5 meter is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en, evenals het bedrijfsmatige gebruik ervan, in strijd met het geldende bestemmingsplan. Ter legalisatie ervan en in reactie op een handhavingsverzoek had de voormalig eigenaar tevergeefs een omgevingsvergunning aangevraagd. In het hoger beroep tegen de geweigerde omgevingsvergunning betoogt het college van burgemeester en wethouders (“college”) dat niet langer sprake is van procesbelang, omdat het perceel waarop de loods staat inmiddels in eigendom is overgedragen aan de zoon van de voormalig eigenaar. De Afdeling gaat niet mee in dit betoog en overweegt dat onder procesbelang moet worden verstaan het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent volgens de Afdeling dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Uit de stelling van de voormalig eigenaar dat, indien het weigeringsbesluit onherroepelijk wordt en de loods moet worden gesloopt, hij gehouden zal zijn om een deel van de verkoop terug te betalen aan zijn zoon (die in dat scenario teveel zal hebben betaald voor de aankoop van het perceel), leidt de Afdeling af dat de voormalige eigenaar nog steeds belang heeft dat de omgevingsvergunning wordt verleend. De Afdeling concludeert dat de eigenaar daarmee nog steeds procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van diens ingestelde hoger beroep.

Matiging bestuurlijke boete op basis van tegenwettelijk beleid: bestuursrechter toetst in dat geval slechts of beleid juist is toegepast

Uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) van 3 februari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:40) volgt dat het door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gevoerde ‘matigingsbeleid’ bij opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van de Wet dieren moet worden aangemerkt als tegenwettelijk (begunstigend) beleid. Dit heeft tot gevolg dat het CBb zich onthoudt van een oordeel over de in hoger beroep opgeworpen stellingen dat de in dat beleid gehanteerde termijnen niet redelijk zijn en het toegepaste matigingspercentage alsnog onevenredig nadelig uitpakt voor de overtreder. Aanleiding voor dit oordeel was het geschil over drie opgelegde en gematigde bestuurlijke boetes die de minister had opgelegd aan een veehandelaar die in strijd met de Wet dieren driemaal een schaap naar een slachthuis had vervoerd dat niet geschikt was voor dat transport. In hoger beroep bepleit de veehandelaar verdere matiging van de boetebedragen. Het CBb overweegt dat uit art. 5:46, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) volgt dat, indien - voor overtredingen als hier in geding - de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld (het voorgeschreven standaardboetebedrag, zoals opgenomen in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, in samenhang gelezen met de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren), het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt in geval de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De rechter dient op grond van art. 6 EVRM vervolgens te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding (vgl. de uitspraak van het CBb van 2 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:365), een evenredigheidsbeoordeling die bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen plaatsvindt in het kader van art. 5:46, derde lid, Awb. Het CBb stelt vast dat de minister, zonder daartoe gehouden te zijn op grond van een wettelijk voorschrift over de vaststelling van de hoogte van een boete en zonder dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 5:46, derde lid, Awb, een matigingsbeleid voert, waarbij ten gunste van de overtreder een bestuurlijke boete 10% lager wordt vastgesteld na het verstrijken van een bepaalde periode tussen het afronden van het onderzoek en het op de hoogte stellen van de overtreder van de onderzoeksbevindingen. Naar het oordeel van het CBb moet dit matigingsbeleid als tegenwettelijk begunstigend beleid worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat (i) het CBb dit beleid als gegeven aanvaardt en niet beoordeelt of het beleid onevenredig is (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700), en (ii) het CBb enkel toetst of het tegenwettelijk beleid met de bestreden besluiten juist is toegepast. Het CBb concludeert dat dit laatste het geval is. 

Vaststelling WOZ-waarde woningen: Hoge Raad verduidelijkt welke gegevens heffingsambtenaar op verzoek moet verstrekken 

De belastingkamer van de Hoge Raad verduidelijkt in zijn arrest van 27 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:297) op welke manier de heffingsambtenaar invulling moet geven aan het in art. 40, tweede lid, Wet waardering onroerende zaken (“Wet WOZ”) opgenomen begrip ‘de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde’ bij de waardevaststelling van woningen. Aanleiding hiervoor was een geschil over de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde van een woning en de daarop gebaseerde aanslag in de onroerendezaakbelasting (ozb), waarbij de belanghebbende in kwestie de heffingsambtenaar had verzocht hem een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag lagen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. De Hoge Raad overweegt dat de heffingsambtenaar wettelijk verplicht is die informatie te verschaffen (art. 40, tweede lid, Wet WOZ), mits de belanghebbende daartoe een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, en 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). De informatieplicht strekt er volgens de Hoge Raad toe een eventuele informatieachterstand van een belanghebbende weg te nemen opdat een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze kan worden benut en onnodige procedures kunnen worden voorkomen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:290, en voornoemd arrest van 24 januari 2025). Zij vloeit naar de bedoeling van de wetgever voort uit de in artikel 3:46 Awb neergelegde motiveringseis voor beschikkingen (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 6) en ziet enkel op gegevens die de heffingsambtenaar bij het geven van de beschikking rechtstreeks heeft gebruikt voor het vaststellen van de waarde van een onroerende zaak. In een aantal uitgebreide overwegingen, voor diverse categorieën van gevallen en met verduidelijking van de bewijslastverdeling in dit verband gaat de Hoge Raad nader in op de vraag wat de heffingsambtenaar moet doen om te voldoen aan zijn wettelijke informatieplicht. 

Berichten op onlineplatform VNG vallen niet onder reikwijdte Woo 

De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBNHO:2026:1371) dat de berichten die gemeenteambtenaren op het onlineforum van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (“VNG”) hebben geplaatst niet onder de reikwijdte van de Wet open overheid (“Woo”) vallen, omdat die berichten niet als publieke informatie in de zin van art. 2.1 Woo kunnen worden aangemerkt. In geschil is of het college het verzoek om openbaarmaking van alle posts die de gemeente op dit platform heeft geplaatst terecht heeft afgewezen. Het onlineplatform heeft een besloten karakter en biedt aan gemeentejuristen de mogelijkheid om zakelijk met elkaar van gedachten te wisselen over actuele Woo-verzoeken. De rechtbank overweegt dat het forum wordt aangeboden en beheerd door de VNG, een vereniging die niet kwalificeert als bestuursorgaan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5933). Omdat de gevraagde informatie ook niet bij de gemeente behoort te berusten (in de zin van art. 4.2 Woo) was het college volgens de rechtbank ook niet verplicht om de VNG te vorderen deze informatie op grond van art. 4.2, tweede lid, Woo te verstrekken. Met dit oordeel corrigeert de rechtbank het door het college ingenomen standpunt dat de het Woo-verzoek moet worden afgewezen, omdat de verzochte informatie is aan te merken als ‘intern beraad’ in de zin van art. 5.2, eerste lid, Woo.

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Voortgangsbrief uitvoering Omgevingswet vierde kwartaal 2025

Met de Kamerbrief van 2 maart 2026 heeft de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de beide Kamers der Staten-Generaal geïnformeerd over uitvoering van de Omgevingswet in het vierde kwartaal van 2025. Omdat het versturen van een voortgangsbrief per kwartaal niet langer hetzelfde effect en dezelfde toegevoegde waarde heeft als voorheen, kondigt de minister aan de frequentie ervan te zullen afbouwen. In de Kamerbrief staat onder meer dat in 2026 het tweede reflectierapport van de onafhankelijke Evaluatiecommissie Omgevingswet over 2025 zal verschijnen. 

Antwoorden op schriftelijke vragen over BOA-stelsel

In zijn Kamerbrief van 27 februari 2027 beantwoordt de minister van Justitie en Veiligheid de vragen van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid over de aangekondigde beleidswijzigingen van het BOA-stelsel. De minister geeft aan dat de beoogde bijstelling van de kaders en randvoorwaarden waarbinnen buitengewoon opsporingsambtenaren (“BOA’s”) hun taak vervullen nog een nadere uitwerking behoeft die stapsgewijs zal plaatsvinden met als doel om het nieuwe BOA-stelsel in 2028 volledig ingevoerd en operationeel te hebben. 

Evaluatie DUMAVA 2022-2025 en internetconsultatie voorafgaand aan nieuwe subsidieronde 

Nadat op 26 februari 2026 het evaluatierapport verscheen van de impact van de Subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (“DUMAVA”) in de periode 2022-2025, is op diezelfde datum een internetconsultatietraject gestart voor een nieuwe subsidieronde die is voorzien in de periode van 1 juni 2026 tot en met 16 oktober 2026. De DUMAVA bestaat sinds 2022 en heeft als overkoepelend doel om eigenaren van maatschappelijk vastgoed te ondersteunen om te investeren in verduurzamingsmaatregelen ten behoeve van het verbeteren van de energieprestatie van maatschappelijk vastgoed. Hiervoor kunnen eigenaren van bijvoorbeeld schoolgebouwen, ziekenhuizen en sportaccommodaties een tegemoetkoming krijgen in de kosten. De internetconsultatie houdt verband met enkele wijzigingen die in de subsidieregeling zijn aangebracht. Belangstellenden kunnen tot en met 25 maart 2026 reageren op de consultatiedocumenten. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.