Short Reads

De Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden nader bezien

De Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden nader bezien

De Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden nader bezien

03.01.2014 NL law

Na meerdere pogingen tot wijziging van de Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000) in verband met de Verordening (EG) nr. 1370/2007 betreffende het openbaar vervoer per spoor en over de weg (PSO-Verordening) heeft de Eerste Kamer uiteindelijk een Initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000) op 2 oktober 2012 aangenomen. Het wetsvoorstel wordt aangehaald als de Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden (Wet aanbestedingsvrijheid OV) en heeft geleid tot wijzigingen van de Wet personenvervoer2000 (WPV 2000).

Het wetsvoorstel is met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden. De kern van de PSO-Verordening is om door middel van aanbestedingen van openbare personenvervoersdiensten tot meer kwaliteit, transparantie en doelmatigheid in het openbare personenvervoer te komen. In Nederland worden openbaredienstcontracten (OD-contracten) voor openbaar vervoer in beginsel in de vorm van concessies verleend. Kenmerkend voor een openbaarvervoersconcessie is dat deze het exclusieve recht geeft op exploitatie van openbaar vervoer binnen het domein van de concessie (het concessiegebied) en tegelijkertijd ook de verplichting bevat tot levering van het openbaar vervoer met inachtneming van de concessievoorschriften.

Dit artikel dat is gepubliceerd in Gst. 2013/119 bespreekt de belangrijkste wijzigingen die de Wet aanbestedingsvrijheid OV tot gevolg heeft voor het gunnen van openbaarvervoersconcessies. Daarnaast worden mogelijke knelpunten gesignaleerd. Zoals de titel van het wetsvoorstel doet vermoeden, wordt de belangrijkste wijziging gevormd door de introductie van een keuzemogelijkheid voor de plusregio’s Amsterdam, ‘s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht (de G4) om een concessie voor het beheer en de exploitatie van openbare personenvervoersdiensten – in plaats van aan te besteden – onderhands te gunnen aan een ‘interne exploitant’. Deze vorm van het gunnen van een OD-contract wordt ook wel ‘inbesteding’ genoemd. De mogelijkheid van inbesteding vormt, zoals gezegd, een uitzondering op de verplichting tot het aanbesteden van openbaarvervoersconcessies die het uitgangspunt van de PSO-Verordening en de WPV 2000 vormt. De introductie van de mogelijkheid tot inbesteding hebben de initiatiefnemers gebaseerd op de PSO-Verordening die de lidstaten de vrijheid heeft gegeven om de mogelijkheid tot inbesteding in de nationale wetgeving te verbieden.

In het artikel komt eerst de achtergrond en de totstandkoming van de Wet aanbestedingsvrijheid OV aan de orde. Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijkheid tot inbesteding door de G4 en op overige wijzigingen die de Wet aanbestedingsvrijheid OV tot gevolg heeft gehad. Ten slotte komt ook het overgangsrecht aan de orde.

Related news

29.07.2021 NL law
De NOW-4: grotendeels gelijk aan de NOW-3 met enkele wijzigingen

Short Reads - Het kabinet kondigde in de Kamerbrief van 27 mei 2021 het vierde noodpakket aan om de economie ten tijde van de coronacrisis te blijven ondersteunen. Onderdeel van dit noodpakket is de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (“NOW-4”). Op 23 juli 2021 is de NOW-4 gepubliceerd in de Staatscourant. Deze short read geeft een kort overzicht van de hoofdlijnen van de NOW-4 en de wijzigingen ten opzichte van de NOW-3.

Read more

19.07.2021 NL law
Beginselplicht tot handhaving bij bestuurlijke boetes?

Short Reads - In de uitspraak van 30 juni 2021 oordeelt de Afdeling Bestuursrechtspraak dat de beginselplicht tot handhaving niet geldt voor de bestuurlijke boete geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens. Uit de redenen die de Afdeling hiervoor benoemt lijkt te volgen dat de beginselplicht tot handhaving nooit heeft te gelden bij bestuurlijke boetes. In dit blog bespreken wij de uitspraak van de Afdeling en gaan wij nader in op de beginselplicht tot handhaving.

Read more