Jaarverslag Commissie rechtseenheid bestuursrecht over 2025: een kijkje in de bestuursrechtelijke keuken
Wanneer rechters juridische regels verschillend uitleggen, kan dat leiden tot rechtsonzekerheid. Om de rechtseenheid tussen de hoogste bestuursrechters te bevorderen, is de Commissie rechtseenheid bestuursrecht opgericht. Onlangs publiceerde de Commissie haar jaarverslag 2025, met gezichtspunten die als handreiking kunnen dienen voor bestuursrechters, zodat zo min mogelijk verschillen ontstaan bij de behandeling van bepaalde onderwerpen. Wij zetten de besproken onderwerpen op hoofdlijnen uiteen.
Samenstelling en rol van de Commissie rechtseenheid
Aan de Commissie rechtseenheid bestuursrecht (‘de Commissie’) nemen de hoogste bestuursrechters deel. Dit zijn de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’), het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (‘CBb’), de Centrale Raad van Beroep (‘CRvB’) en de belastingkamer van de Hoge Raad. Ook twee afgevaardigden van de civiele kamer en de strafkamer van de Hoge Raad nemen deel aan het overleg van de Commissie. Zo worden niet alleen de visies van de hoogste bestuursrechters gedeeld, maar worden ook inzichten uit de civiele en strafrechtpraktijk betrokken. De opvattingen die in het rechtseenheidsoverleg worden ontwikkeld gelden als inhoudelijk gezaghebbend, maar hebben geen formele juridisch bindende status. De Commissie is niet het enige instrument ter bevordering van de rechtseenheid. Andere instrumenten zijn het instellen van een grote kamer, het vragen van een conclusie aan advocaat-generaal en door bij de samenstelling van zittingskamers gebruik te maken van bij de colleges over en weer benoemde (plaatsvervangende) leden.
De Commissie heeft tot doel de rechtseenheid op het gebied van het bestuursrecht te bevorderen. Daarmee is het niet alleen interessant voor de rechtspraak, maar ook voor bedrijven en burgers die in juridische procedures verwikkeld zijn. In het jaarverslag wordt onderschreven dat de aandacht voor rechtseenheid de afgelopen jaren is toegenomen, ook binnen de verschillende (bestuursrechtelijke) colleges. Hieronder bespreken wij de onderwerpen die in 2025 aan de orde zijn gekomen. Een interessant kijkje in de bestuursrechtelijke keuken.
Onderwerpen die in het jaarverslag de revue passeren
Elk jaar komen andere onderwerpen aan bod in het jaarverslag. Sommige onderwerpen die in het jaarverslag van 2025 zijn opgenomen, zijn ook al behandeld in het jaarverslag van 2024. Een voorbeeld daarvan zijn de rechtsvragen over overschrijdingen van de redelijke termijn. Daarnaast schrijven sommige (bestuursrechtelijke) colleges ook een eigen jaarverslag of overzicht van jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld de eerdere blog die wij schreven over het jaaroverzicht 2024 van de ABRvS.
1. Wraking en onpartijdigheid
Het eerste onderwerp dat de Commissie in het jaarverslag bespreekt, is de maatstaf voor het beoordelen van wrakingsverzoeken. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad op 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:87), die heeft geoordeeld dat de wrakingskamer moet beoordelen of de gestelde feiten de vrees voor vooringenomenheid objectief rechtvaardigen. Relevante omstandigheden zijn in dat geval onder andere de aard van de procedure, de verhouding tussen een lid van het college en een andere betrokkene, en of openheid is betracht over mogelijke schijn van vooringenomenheid.
Daarnaast werd in het jaarverslag aandacht besteed aan wisselingen van rechters nadat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. In de uitspraak van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1291) heeft de CRvB geoordeeld dat een rechterlijke uitspraak die mede berust op een daaraan voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, moet worden gewezen door de rechter(s) die bij die mondelinge behandeling aanwezig waren. Dit zogenoemde onmiddellijkheidsbeginsel vloeit voort uit artikel 6 EVRM en waarborgt dat wat ter zitting is besproken daadwerkelijk wordt betrokken bij de totstandkoming van de uitspraak.
2. Verschoningsrecht
Ook het verschoningsrecht kwam aan bod in het jaarverslag. De strafkamer van de Hoge Raad heeft in de beschikking van 25 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:456) overwogen dat het inbrengen van stukken door een advocaat in een fiscale procedure niet betekent dat het verschoningsrecht wordt prijsgegeven voor een latere strafrechtelijke procedure. Wel kan het vertrouwelijke karakter komen te vervallen als de belastingrechter de gegevens in zijn uitspraak vermeldt en deze openbaar wordt.
3. Gebreken, termijnen en ontvankelijkheid
Verder bespreekt de Commissie de toepassing van artikel 6:22 Awb bij het passeren van gebreken. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:106) het kader uiteengezet. Een gebrek kan worden gepasseerd als aannemelijk is dat zonder de schending een inhoudelijk andere uitkomst van de besluitvorming niet mogelijk was geweest. Bij toepassing van artikel 6:22 Awb bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De Commissie beschrijft ook de gevolgen van problemen bij de postbezorging voor de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen. De verschillende colleges passen hierbij hetzelfde beoordelingskader toe. Als een belanghebbende stelt een aangetekend stuk niet te hebben ontvangen, moet worden onderzocht of het stuk op regelmatige wijze is aangeboden. De belanghebbende kan het vermoeden van ontvangst ontkrachten door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is aangeboden. Dit komt onder meer tot uitdrukking in uitspraken van de CRvB (15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647) en de ABRvS (15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946).
Als een gedaagde bij verstek is veroordeeld (door in een civiele procedure niet te verschijnen), kan hij nog wel verzet instellen. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 2 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:711) overwogen dat in verzet nieuwe argumenten naar voren kunnen worden gebracht die ook bij een normale behandeling hadden kunnen worden aangevoerd. Bij beroepen wegens niet-tijdig beslissen geldt als uitgangspunt dat een beroepschrift onredelijk laat is ingediend als het meer dan een jaar na het moment van de ingebrekestelling is ingediend.
Verder komt het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb in het jaarverslag aan bod. De ABRvS heeft in de uitspraak van 1 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4651) geoordeeld dat dit artikel eraan in de weg staat statuten van een partij hangende een bestuurlijke lus zodanig te wijzigen dat haar belangen alsnog worden beschermd door de ingeroepen norm om zo alsnog aan het relativiteitsvereiste te proberen te voldoen.
4. Redelijke termijn en schadevergoeding
Ook is gesproken over het leerstuk van de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn en of er redenen zijn het bedrag van € 500 per half jaar waarin de redelijke termijn is overschreden aan te passen.
In zijn uitspraak van 8 augustus 2025 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1122) geoordeeld dat slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt wordt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Er is geen aanleiding om een inflatiecorrectie toe te passen op dit bedrag waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 7 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1179, ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3869).
Het CBb heeft op 30 juni 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:353) geoordeeld dat wordt vastgehouden aan het algemene uitgangspunt dat een boete bij een overschrijding van de redelijke termijn tot een jaar, gematigd wordt met maximaal € 2.500. Het CBb ziet geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken in het financieel-economisch bestuursrecht, waar het om hoge boetebedragen kan gaan.
5. Proceskosten en griffierecht
Wat betreft proceskosten heeft de Hoge Raad geoordeeld (26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1407) dat de kosten van een deskundige die onaangekondigd door een belanghebbende naar de zitting wordt meegebracht, gelet op artikel 1, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen wanneer die deskundige op de zitting is gehoord.
Ook heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1651) de richtlijnen voor de behandeling van een verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht geactualiseerd. Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als sprake is van betalingsonmacht, doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner dienen hierbij te worden opgeteld. Vermeldenswaardig in dit verband is dat in het Coalitieakkoord ‘Aan de slag’ is opgenomen dat het nieuwe kabinet de griffierechten wil verlagen. De nadere uitwerking hiervan is vooralsnog niet bekend.
Verder overweegt de Hoge Raad dat hij tot uitgangspunt neemt dat de omstandigheid dat het griffierecht (inmiddels) is betaald, niet in de weg staat aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht.
6. Procesbevoegdheid bij faillissement
In bepaalde situaties van faillissement is de curator bevoegd om een bestuursrechtelijke procedure over te nemen, op basis van artikel 8:22 Awb. Het CBb heeft in de uitspraak van 22 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:262) geoordeeld dat artikel 8:22 Awb en de artikelen 25-30 Faillissementswet niet van toepassing zijn in procedures over bestuurlijke boetes, omdat deze bepalingen geen betrekking hebben op strafrechtelijke en daarmee gelijk te stellen bestuursrechtelijke sancties. De curator heeft in dergelijke zaken dus niet de bevoegdheid om de procedure over te nemen.
7. Onderzoeks- en toezichtsbevoegdheden
Ten slotte wordt in het jaarverslag ook ingegaan op de bevoegdheid om op grond van artikel 23 WED onderzoek te doen aan vervoersmiddelen en hun lading. De strafkamer van de Hoge Raad heeft op 14 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1511) overwogen dat de reikwijdte van de bevoegdheid van artikel 23 van de WED overeenkomt met de reikwijdte van de bevoegdheden tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 5:18 en 5:19 van de Awb. Een opsporingsambtenaar hoeft zich niet te beperken tot uitsluitend ‘zoekend rondkijken’, mits de in artikel 23 WED genoemde voorschriften worden nageleefd.