Articles

Parasitisme bij speciaalbieren[1]

Parasitisme bij speciaalbieren

Parasitisme bij speciaalbieren[1]

11.01.2017 BE law

De stakingsrechter besliste op 17 maart 2016 dat er geen sprake is van aanhaking of parasitisme door Brouwerij Van Honsebrouck (‘BVH’) met het op de markt brengen van haar speciaalbier ‘Filou’ in een flesje dat zou gelijken op het ‘Duvel’-flesje van Duvel Moortgat. Er werd bijgevolg geen oneerlijke handelspraktijk vastgesteld.

Duvel - FilouDuvel Moortgat refereerde naar ‘de totaalindruk gewekt door de individuele verpakking van het bier, m.a.w. zowel het eigenlijke flesje, het etiket, als de kroonkurk’. De rechter oordeelde vooreerst dat de vorm en kleur van het flesje zeer gebruikelijk zijn op de markt van speciaalbieren. De kroonkurken werden dan weer als niet-overeenstemmend beschouwd. Er restte dus nog enkel de voorzijde van de etikettering.

Om van parasitisme te spreken bij het kopiëren van een prestatie zijn er “begeleidende omstandigheden” nodig, zoals het zich toe-eigenen van het imago of de “look-and-feel” van het beweerdelijk gekopieerde product.[2]  De rechter oordeelde echter dat de lay-out van de etikettering van Duvel zeer gebruikelijk en dus niet origineel is. Ook op basis van de conceptuele overeenstemming tussen ‘Filou’ (vertaald als kwajongen met een connotatie van ‘duiveltje’) en ‘Duvel’ kon Duvel Moortgat de rechter niet overtuigen. Gezien een verwijzing naar de ‘Duivel’ in de naam van speciaalbieren veel voorkomend is, werd dit tevens als banaal beschouwd.

De analyse maakte nog melding van enkele andere factoren die allen in het voordeel van het ‘Filou’-bier speelden. Zo werd er onder meer rekening gehouden met de promotionele inspanningen van Filou en de marketingverschillen tussen beide producten.

In ondergeschikte orde voerde Duvel Moortgat aan dat het Filou bier een verwarring stichtende en/of misleidende marktpraktijk uitmaakt. Gezien het veelvuldig gebruik van de etikettering[3] en de veronderstelling dat consumenten van speciaalbieren voldoende oplettend zijn om de verschillen vast te stellen, werd ook deze vordering afgewezen.

Voetnoten :

  1. Kh. Brussel (Nl.), 17 maart 2016, ICIP 2016, afl. 2, 467, noot H. ABRAHAM
  2. Er werd onder meer verwezen naar het Jupiler-Blue arrest: Brussel 21 oktober 2013, IRDI 2014, 411.
  3. Er werd verwezen naar het Leffe-Steenbrugge arrest: Brussel 12 januari 2010, IRDI 2010, 305.

Related news

26.04.2021 BE law
L’appropriation frauduleuse de listes de clients à des fins de détournement de clientèle constitue une pratique commerciale déloyale et une violation du secret d’affaires

Articles - La Cour d’appel de Gand a jugé que l’appropriation frauduleuse de listes de clients ainsi que l’utilisation de celle-ci constituent un détournement illicite de clients ainsi qu’une violation de l’article XI. 332/4 CDE (secret d’affaires).[1]

Read more

26.04.2021 BE law
L'utilisation illégale de secrets d'affaires obtenus de façon illicite conduit à une injonction temporaire de cesser une activité économique spécifique

Articles - Le président du tribunal d’entreprise de Gand a jugé que l'utilisation de secrets d’affaires obtenus de façon illicite, tels que des informations techniques sur les produits, lorsqu’une personne morale ou physique savait ou aurait dû savoir que ces derniers avaient été obtenus de façon illicite, viole l'article XI.332/4 du Code de droit économique (CDE) et est contraire à la concurrence loyale (article VI.104 CDE).

Read more

26.04.2021 BE law
Openbaarmaking en bedrijfsgeheimen, waar ligt de grens?

Articles - De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Brussel, zetelend zoals in kortgeding, heeft geoordeeld dat de openbaarmaking van een geheim productieproces door een ex-werknemer aan een concurrerende onderneming een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt (schending van artikel XI.332 van het Wetboek Economisch Recht).[1] 

Read more

26.04.2021 BE law
Violation d’obligation contractuelle et tierce complicité – le juge des cessations peut établir l’existence d’une rupture de contrat

Articles - La Cour de Cassation a confirmé que même si les infractions liées aux pratiques de marché loyales relèvent de la responsabilité extracontractuelle, le juge des cessations, afin d’établir une éventuelle tierce complicité de la violation contractuelle, est compétent pour se prononcer sur l’existence d’une rupture de contrat à laquelle la société tierce a participé.

Read more