Articles

Verplichting voor de inschrijver om de aanbestende overheid afdoende te informeren

Verplichting voor de inschrijver om de aanbestende overheid afdoende te informeren

Verplichting voor de inschrijver om de aanbestende overheid afdoende te informeren

18.10.2016 BE law

Verplichting voor de inschrijver op een opdracht voor werken om de aanbestedende overheid afdoende te informeren over zijn erkenningstoestand

Het besproken arrest (nr. 236.175 d.d. 18 oktober 2016) betreft de verplichting voor de inschrijver op een opdracht voor werken, waarbij bepaalde erkenningsvereisten worden uitgevraagd[1], om de aanbestedende overheid afdoende te informeren over zijn erkenningstoestand.

In het besproken arrest betoogde de verzoekende partij (NV Vereecke – De Cleene Boomkwekerijen) dat het Vlaamse Gewest haar offerte ten onrechte substantieel onregelmatig had verklaard en dus uit de procedure had geweerd, omdat zij niet over de vereiste erkenning als aannemer van werken (in casu categorie G3, klasse 1) beschikte. In haar offerte had de verzoekende partij (louter) gesteld dat de erkenning in categorie G “in aanvraag” was, zonder daaromtrent enig bewijsstuk[2] bij te voegen. De verzoekende partij verkreeg uiteindelijk haar erkenning op 16 maart 2015. Het Vlaamse Gewest ging over tot het nemen van een gunningsbeslissing (en dus tot wering van de offerte van de verzoekende partij) op 23 maart 2015 en de gunningsbeslissing werd ter kennis gebracht van de inschrijvers op 31 maart 2015.

Volgens de verzoeker was de bestreden beslissing in strijd met de wetgeving inzake erkenning, en met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad van State volgde het standpunt van de verzoekende partij niet. De Raad was van oordeel dat de verzoekende partij in gebreke was gebleven door in haar offerte enkel te vermelden dat de vereiste erkenning was aangevraagd (zonder dit te staven a.d.h.v. stukken) en ook nadien, wanneer de erkenning was verkregen, de aanbestedende overheid hierover niet te informeren[3]. Volgens de Raad kwam het de inschrijver toe de aanbestedende overheid proactief te informeren over zijn erkenningstoestand, zeker indien (zoals in casu) in de offerte louter is vermeld dat de vereiste erkenning “in aanvraag” is.

De Raad van State maakt hier toepassing van het beginsel dat de rechtsonderhorige op een normaal zorgvuldige en diligente wijze voor zijn rechten en belangen moet opkomen, ten einde het bestuur toe te laten rechtmatig te handelen (zie bv. ook  R.v.St., 21 april 2016, nr. 234.464, Sita Remediation).

Link: RvS, nr. 236.175 van 18/10/2016

Voetnoten

[1] Op grond van de regelgeving inzake de erkenning als aannemer van werken kunnen overheidsopdrachten die onder het toepassingsgebied van de Wet van 20 maart 1991 vallen (d.i. opdrachten voor werken die de waarde van 75.000 EUR (excl. BTW) (voor de in categorieën ingedeelde werken) en 50.000 EUR (excl. BTW) (voor de in ondercategorieën ingedeelde werken)), slechts worden gegund aan inschrijvers die op het ogenblik van gunning, hetzij hiervoor erkend zijn, hetzij de bewijzen hebben geleverd dat zij voldoen aan de voorwaarden om deze erkenning te verkrijgen.

[2] Zoals bv. een kopie van de indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van de betrokken erkenning.

[3] Pas per brief van 21 april 2015 stelde de raadsman van de verzoekende partij de aanbestedende overheid in kennis van de verkregen erkenning van 16 maart 2016, d.i. dus na de gunningsbeslissing en na de kennisgeving ervan aan de inschrijvers.

Team

Related news

23.09.2020 NL law
Stibbe NOW-team lanceert website over de NOW

Short Reads - Met de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) wil het Nederlandse kabinet de economische gevolgen van de coronacrisis dempen en de werkgelegenheid zoveel mogelijk behouden. Deze subsidie voor werkgevers werd op 17 maart 2020 aangekondigd en is inmiddels meerdere malen verlengd. De wijzigingen zijn complex en omvangrijk.

Read more

16.09.2020 NL law
Belanghebbende in het omgevingsrecht: een steeds hogere drempel?

Short Reads - De Afdeling hanteert sinds enige jaren een vaste jurisprudentielijn ten aanzien van het belanghebbende-begrip in het omgevingsrecht. Het uitgangspunt daarbij is dat iemand die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit belanghebbende is, tenzij ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken. De lat om aan dit criterium te voldoen lijkt steeds hoger te liggen. Wordt de toegang tot de bestuursrechter daardoor bemoeilijkt, en zo ja: is die beperking te rechtvaardigen?

Read more