Het zekerhedenrecht in beweging: modernisering van pandrecht en cessie

Article
NL Law
BE Law
LU Law
EU Law

Het Voorontwerp beoogt, evenals de Wet opheffing verpandingsverboden, de financieringsruimte voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) te vergroten. Centraal staan twee wijzigingen: de invoering van het systeem van vaste dagtekening en het schrappen van het grondslagvereiste voor verpanding en cessie van toekomstige vorderingen. De praktische impact is aanzienlijk: de noodzaak van het registreren van onderhandse pandaktes bij de belastingdienst en het periodiek registreren van verzamelpandaktes behoort daarmee tot het verleden. 

Achtergrond van het Voorontwerp 

Het Voorontwerp richt zich op twee structurele knelpunten in het huidige Nederlandse zekerhedenrecht die de financieringspraktijk bemoeilijken: het verouderde registratievereiste voor onderhandse pandaktes en het grondslagvereiste voor verpanding en cessie van toekomstige vorderingen. Beide vereisten leiden tot administratieve lasten en beperken de flexibiliteit van financiers. Om het belang van het Voorontwerp te duiden, wordt hierna achtereenvolgens ingegaan op het registratievereiste en het grondslagvereiste. 

Het registratievereiste voor onderhandse akten

In het huidige systeem moeten onderhandse pandaktes fysiek worden geregistreerd bij de Belastingdienst te Rotterdam om te voldoen aan het vereiste van een geregistreerde onderhandse akte in de zin van de artikelen 3:94, 3:237 en 3:239 BW. Dit registratievereiste beoogt datumzekerheid te waarborgen en antedatering te voorkomen. Datumzekerheid is essentieel voor het bepalen van de rangorde tussen meerdere pandrechten op hetzelfde onderpand. Bij stille cessie is het moment van registratie eveneens relevant voor de rechtsgeldigheid en tegenwerpelijkheid tegenover derden.

In de praktijk is dit systeem echter inefficiënt en gedateerd. Papieren akten moeten fysiek in Rotterdam worden aangeleverd, waarna een registratiestempel wordt aangebracht en de papieren geregistreerde akten vervolgens moeten worden geretourneerd. Dit past slecht bij de financieringspraktijk van vandaag de dag, waarin transacties grotendeels digitaal worden afgewikkeld. Dit registratieproces leidt tot onnodige administratieve lasten, vertragingen en extra kosten.

Het grondslagvereiste bij verpanding en cessie van toekomstige vorderingen

Op grond van de artikelen 3:94 en 3:239 BW is cessie of verpanding van vorderingen slechts mogelijk indien het recht op het moment van vestiging reeds bestaat of rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaande rechtsverhouding (relatief toekomstige vorderingen). Dit zogenoemde grondslagvereiste sluit verpanding uit van vorderingen die niet rechtstreeks voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding (absoluut toekomstige vorderingen).

De achtergrond van het grondslagvereiste is dat de wetgever de positie van concurrente schuldeisers wilde beschermen. Indien ook absoluut toekomstige vorderingen zouden kunnen worden verpand, zou immers het risico bestaan dat nauwelijks onverpande vorderingen in de boedel achterblijven. In de praktijk heeft het grondslagvereiste echter geleid tot de ontwikkeling van de verzamelpandakte. Kredietnemers verlenen bij het aangaan van de kredietovereenkomst een volmacht aan de bank, waarna de bank periodiek (veelal dagelijks) namens alle volmachtgevers bestaande en relatief toekomstige vorderingen aan zichzelf verpandt door middel van één akte. Deze werkwijze, die door de Hoge Raad is bevestigd in de arresten Dix q.q. / ING en van Leuveren q.q./ING, ondergraaft de beoogde bescherming van het grondslagvereiste grotendeels. 

De constructie van de verzamelpandakte is inefficiënt en in de praktijk vooral toegankelijk voor banken. Voor andere typen financiers is het vestigen van een pandrecht op vorderingen onder het huidige regime complex en bewerkelijk. Met name ondernemingen met kortlopende vorderingen, zoals in de retail- en dienstensector, ondervinden nadeel van het huidige systeem, omdat deze vorderingen vaak worden voldaan op of kort na het ontstaan van de rechtsverhouding. Het huidige wettelijke kader belemmert daarmee de financieringspraktijk en staat een efficiënte en toekomstbestendige inrichting van zekerheidsrechten in de weg. 

Het Voorontwerp

Modernisering van het registratievereiste

In de artikelen 3:94 lid 3, 3:237 lid 1 en 3:239 lid 1 BW wordt het vereiste van een 'geregistreerde' onderhandse akte vervangen door het vereiste van een onderhandse akte met een 'vaste dagtekening'. Hierdoor kunnen vorderingen voortaan stil worden verpand en gecedeerd zonder dat registratie bij de Belastingdienst noodzakelijk is. 

In het voorgestelde artikel 3:15b BW wordt uitgewerkt wanneer sprake is van een vaste dagtekening. Daarvan is sprake indien gebruik wordt gemaakt van (i) een gekwalificeerde elektronische tijdstempel als bedoeld in de eIDAS-verordening, (ii) een andere objectieve methode waarmee bij een toekomstig raadplegen kan worden vastgesteld dat datum en tijdstip ongewijzigd zijn gebleven, of (iii) registratie bij de Belastingdienst te Rotterdam, waarbij het tijdstip wordt gesteld op 17.00 uur. 

Ten aanzien van de in onderdeel (ii) opgenomen open norm bevat het Voorontwerp een delegatiebepaling op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur andere regels kunnen worden gesteld over de invulling en toepassing daarvan. Deze delegatiebepaling heeft een facultatief karakter en vormt geen voorwaarde voor de toepasselijkheid van de open norm, die zelfstandig werking heeft.

Hoewel fysieke registratie bij de Belastingdienst vooralsnog mogelijk blijft, zal deze mogelijkheid op termijn worden uitgefaseerd. Met name de introductie van de gekwalificeerde elektronische tijdstempel biedt de markt rechtszekerheid over wat als vaste dagtekening kwalificeert, terwijl de open norm ruimte laat voor technologische ontwikkeling en flexibiliteit. Daarmee worden de administratieve lasten bij verpanding verminderd en wordt bijgedragen aan een efficiënter en toekomstbestendig pandrecht.

Schrapping van het grondslagvereiste

In het Voorontwerp wordt het grondslagvereiste in de artikelen 3:94 en 3:239 BW geschrapt, waardoor het mogelijk wordt om bij voorbaat alle toekomstige vorderingen te verpanden, ongeacht of de onderliggende rechtsverhouding reeds bestaat. 

Voor financiers blijft daarbij van belang dat het pandrecht op een toekomstige vordering nog steeds bij voorbaat wordt gevestigd en pas ontstaat op het moment dat de pandgever de vordering verkrijgt. Gaat de pandgever vóór dat moment failliet, dan komt het pandrecht niet tot stand. Dit risico is met name relevant bij financieringen waarbij het zekerhedenpakket grotendeels of uitsluitend bestaat uit pandrechten op toekomstige vorderingen. 

Voor stille cessie door consumenten blijft het grondslagvereiste gehandhaafd. De wetgever beoogt hiermee consumenten te beschermen tegen de gevolgen van een overdracht van al hun bestaande en toekomstige vorderingen. 

Wat betekent het Voorontwerp voor financiers?

Voor financiers leiden de voorgestelde wijzigingen tot een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten. Door gebruik te maken van een gekwalificeerde elektronische tijdstempel kunnen pandaktes en cessies volledig digitaal worden opgesteld en voorzien van een vaste dagtekening, zonder fysieke registratie bij de Belastingdienst. Dit sluit aan bij de huidige digitale financieringspraktijk en maakt registratie op elk moment van de dag mogelijk, met vastlegging van het exacte tijdstip. Daarmee wordt het risico op gelijktijdig ontstane pandrechten geminimaliseerd en worden kosten en doorlooptijden verlaagd.

De open norm van artikel 3:15b BW biedt daarnaast flexibiliteit, doordat ook andere objectieve methoden die datum- en tijdszekerheid waarborgen kunnen kwalificeren als vaste dagtekening. Om overbelasting bij inwerkingtreding te voorkomen, worden vaste dagtekeningen die op de eerste dag van de inwerkingtreding worden geplaatst, geacht te zijn geplaatst om 23:59 uur.

Door de invoering van vaste dagtekening en het schrappen van het grondslagvereiste vervalt de noodzaak van de verzamelpandakte. Voor banken betekent dit het einde van een inefficiënte dagelijkse praktijk, terwijl voor niet-bancaire financiers het vestigen van pandrechten op toekomstige vorderingen aanzienlijk eenvoudiger en toegankelijker wordt. Dit draagt bij aan een gelijker speelveld en kan de concurrentie en innovatie in de financieringsmarkt versterken. Wel geldt dat een financier die als eerste een pandrecht op alle toekomstige vorderingen bedingt, een hogere rang verkrijgt dan latere financiers.

De verruiming van de verpandingsmogelijkheden maakt het bovendien eenvoudiger om vorderingen met een korte bestaansduur bij voorbaat te verpanden of te cederen. Dit vergroot het zekerhedenpakket van financiers en verruimt de mogelijkheden tot verrekening in het zicht van faillissement, aangezien betalingen op verpande vorderingen die binnenkomen op een bij een bank aangehouden bankrekening kunnen worden verrekend. Dit kan financiering van sectoren met kortlopende vorderingen aantrekkelijker maken.

Tegelijkertijd blijft voor financiers van belang dat pandrechten op absoluut toekomstige vorderingen pas ontstaan bij verkrijging van de vordering. Het insolventierisico van de pandgever dient bij dergelijke financieringen daarom nadrukkelijk te worden meegewogen. Tot slot blijft de consumentenbescherming bij stille cessie ongewijzigd, hetgeen met name relevant is voor financiers actief in retail finance en consumer lending.

Actuele status 

De consultatie van het Voorontwerp is op 15 februari 2026 gesloten. Tijdens de consultatieperiode hebben diverse belanghebbenden, waaronder financiers en brancheorganisaties, hun zienswijze ingediend. De consultatiereacties schetsen een genuanceerd beeld: overwegend positief, maar met duidelijke kanttekeningen, met name ten aanzien van het schrappen van het grondslagvereiste.

Positieve reacties

De meest genoemde positieve ontwikkeling betreft de introductie van de vaste dagtekening. Deze wordt gezien als een welkome modernisering die de financieringspraktijk efficiënter en toegankelijker maakt. In het bijzonder wordt de mogelijkheid van een gekwalificeerde elektronische tijdstempel in de zin van de eIDAS-verordening positief ontvangen, omdat deze volgens respondenten voldoende rechtszekerheid biedt. Ook wordt gewezen op het voordeel dat met een vaste dagtekening het exacte tijdstip kan worden vastgelegd, waardoor het risico op gelijktijdige verpanding aanzienlijk wordt verkleind ten opzichte van de huidige praktijk van registratie bij de Belastingdienst.

Ten aanzien van het schrappen van het grondslagvereiste erkennen verschillende partijen dat dit leidt tot vermindering van administratieve lasten en kosten. Daarnaast wordt gewezen op een mogelijke verbetering van de financierbaarheid van sectoren met kortlopende vorderingen, zoals de retailsector. Tot slot benadrukken meerdere respondenten het belang van een gelijk speelveld binnen Europa: de voorgestelde wijzigingen sluiten beter aan bij internationale standaarden en kunnen de concurrentiepositie van Nederlandse financiers versterken.

Kritische reacties

Tegenover deze positieve geluiden staan ook kritische kanttekeningen. Diverse partijen wijzen erop dat de open norm in het voorgestelde artikel 3:15b BW kan leiden tot rechtsonzekerheid over welke methoden in de praktijk als vaste dagtekening zullen worden aanvaard. In dat verband betogen sommige respondenten dat de open norm niet zelfstandig moeten functioneren, maar uitsluitend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader moeten worden ingevuld. Daarnaast wordt voorgesteld om een pandregister in te voeren ter vergroting van transparantie en rechtszekerheid.

Met betrekking tot het schrappen van het grondslagvereiste wordt bovendien gewezen op het ontbreken van empirisch onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregel. Verschillende respondenten betwijfelen of de afschaffing daadwerkelijk zal leiden tot betere financierbaarheid van het mkb. Ook bestaat de zorg dat de ongelijkheid tussen financiers juist toeneemt, doordat banken als eerste pandrechten op alle toekomstige vorderingen kunnen bedingen en verrekening slechts mogelijk is door financiers die ook bankrekeningen aanbieden. Daarnaast wordt gevreesd dat de zogenoemde lege-boedelproblematiek wordt verergerd, doordat voor concurrente schuldeisers en de curator bij faillissement mogelijk weinig tot geen activa overblijven.

De wetgever zal de ontvangen reacties analyseren en waar nodig daarop reageren en mogelijk het Voorontwerp aanpassen. Vervolgens zal het voorstel worden ingediend bij de Tweede Kamer. Op dit moment is nog geen beoogde datum van inwerkingtreding gecommuniceerd.

Als u vragen heeft, kunt u contact opnemen met Maarten de Bruin, Amber Meis of Esther Zeegers van het Financial Markets-team van Stibbe