Signaleringsblog week 5: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht
In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.
I- Jurisprudentie
Nederlandse klimaatbeleid niet op orde: Staat handelt onrechtmatig jegens inwoners Bonaire
De civiele kamer van de Rechtbank Den Haag heeft op 28 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) in de bodemprocedure van Greenpeace tegen de Staat der Nederlanden geoordeeld dat de Staat onvoldoende doet om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Volgens de rechtbank voldoet de Nederlandse regelgeving op het gebied van het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen op belangrijke punten niet aan de minimumnormen die in VN-verband zijn overeengekomen. Ook heeft de Staat onvoldoende invulling gegeven aan zijn zorgplicht tegenover de inwoners van Bonaire en heeft de Staat de inwoners van Bonaire ten onrechte anders behandeld dan de inwoners van Europees Nederland. Daarmee handelt de Staat in strijd met de artt. 8 en 14 EVRM en art. 1 van het 12e Protocol EVRM., hetgeen onrechtmatig is jegens de inwoners van Bonaire. De rechtbank heeft de Staat daarom de opdracht gegeven om binnen 18 maanden bindende en in regelgeving vast te leggen doelen op te stellen voor de gehele economie om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zoals bedoeld is in het Akkoord van Parijs. Ook moet de Staat een adaptieplan opstellen voor Bonaire dat in 2030 kan worden ingevoerd.
Beroepsprocedure tegen bestemmingsplan met dynamische verwijzing biedt geen ruimte voor exceptieve toetsing beleidsregel
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 21 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:343) dat in de beroepsprocedure tegen een vastgesteld bestemmingsplan geen ruimte is voor het exceptief toetsen van beleidsregels waarnaar de planregels van dat bestemmingsplan dynamisch verwijzen. De Afdeling overweegt dat een dynamische verwijzing naar beleidsregels - in dit geval: over het onderwerp parkeren - in beginsel is toegestaan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607), maar dat de inhoud van deze beleidsregels niet ter toetsing voorliggen in het kader van een beroep tegen het bestemmingsplan waarin naar die beleidsregels wordt verwezen (vgl. de Afdelingsuitspraken van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3380, en 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1059). De toetsing van dergelijke beleidsregels kan volgens de Afdeling pas aan de orde komen bij een besluit tot verlenen van een omgevingsvergunning, waarbij toepassing is gegeven aan de betreffende beleidsregels.
Bestuursorgaan mag maatregelen die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie niet betrekken bij de vraag of intrekking van een natuurvergunning een passende maatregel is
De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 21 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:362) dat Gedeputeerde Staten (“GS”) bij de beoordeling van de vraag of het intrekken van een natuurvergunning voor activiteiten met stikstofdepositie een ‘passende maatregel’ (in de zin van art. 6, tweede lid, Habitatrichtlijn) is geen maatregelen mag betrekken die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie. Aanleiding voor dit oordeel was de afwijzende beslissing van GS op het verzoek om intrekking van een op grond van art. 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming (“Wnb”) verleende natuurvergunning voor de exploitatie van een rundveehouderij. De natuurvergunning was verleend op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en maakt een toename van stikstofdepositie mogelijk in enkele omliggende Natura 2000-gebieden. In hoger beroep is onder meer in geschil of GS het treffen van hydrologische herstelmaatregelen in deze gebieden mochten betrekken in de motivering van het besluit om geen toepassing te geven aan de intrekkingsbevoegdheid van art. 5.4, tweede lid, Wnb. Volgens de Afdeling moeten GS bij de beoordeling van het intrekkingsverzoek onderbouwen welke daling van stikstofdepositie noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969). Naar het oordeel van de Afdeling mogen GS alleen verwijzen naar (te treffen) passende maatregelen die zien op een reductie van stikstofdepositie ter onderbouwing van het standpunt dat intrekking niet nodig is als passende maatregel. Dit betekent volgens de Afdeling niet dat aan andersoortige herstelmaatregelen in zijn geheel geen waarde kan toekomen. Zo kunnen hydrologische herstelmaatregelen - zoals in dit geval het dempen van sloten, de aanleg van kades, het plaatsen van stuwen en het aanleggen van bufferzones – volgens de Afdeling leiden tot een robuuster Natura 2000-gebied dat (een overschrijding van) stikstofdepositie beter kan verdragen.
Hoge Raad: kosten parkeerautomaten en parkeerapps werken door in hoogte naheffingsaanslag parkeerbelasting
In zijn arrest van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:24) oordeelt de Hoge Raad dat de kosten van gemeentelijke parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting dat zij daarom geheel of gedeeltelijk in rekening mogen worden gebracht bij het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de hoogte van een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting die de heffingsambtenaar aan betrokkene had opgelegd wegens het parkeren van diens auto zonder de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. De te betalen naheffingsaanslag van € 67,30 bestaat uit de verschuldigde parkeerbelasting van € 2 en uit de kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag ter hoogte van € 65,30. In cassatie ziet de Hoge Raad zich onder meer voor de vraag gesteld of de volgens de gemeentelijke Verordening parkeerbelastingen daarbij in acht te nemen kosten voor scanauto’s, parkeerautomaten en parkeerapps mogen worden betrokken en doorberekend bij het vaststellen van de hoogte van de kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag. De Hoge Raad overweegt dat in het ministeriële Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (“Besluit”) is geregeld welke kosten (en tot welk bedrag) bij een naheffingsaanslag in rekening kunnen worden gebracht. Het gaat volgens de Hoge Raad om kosten die samenhangen met de component ‘inning van niet-betaalde parkeerbelastingen’, waaronder ook de kosten vallen die samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen wegens het niet-betalen van parkeerbelasting. Met ‘samenhangen’ is in het Besluit bedoeld dat de desbetreffende kosten, globaal gesproken, voor meer dan 10% moeten zijn gemaakt ten behoeve van de desbetreffende kostencomponent (in dit geval: de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Er is alleen dan geen sprake van samenhang, indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel (globaal gesproken, 90% of meer) andere doeleinden dienen. Omdat de heffingsambtenaar toereikend heeft toegelicht dat de kosten van de parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen, concludeert de Hoge Raad dat die kosten in dit geval geheel of gedeeltelijk in rekening mogen worden gebracht bij het opleggen van naheffingsaanslagen.
Ingebrekestelling die één dag te vroeg is ingediend in dit geval niet prematuur, beroep wegens niet tijdig beslissen daarom toch ontvankelijk
Uit de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 12 januari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:391) volgt dat bij de toepassing van art. 6:12, tweede lid, sub b Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) - dat voorschrijft dat beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingediend, zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is - een ingebrekestelling die één dag te vroeg bij het bestuursorgaan is ingediend niet wordt aangemerkt als prematuur, indien de indiener ervan vervolgens minimaal twee weken na het eindigen van de beslistermijn heeft gewacht met instellen van dit rechtsmiddel. Aanleiding voor dit oordeel was het verzet dat betrokkene had gedaan tegen de uitspraak waarin dezelfde rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bij de Dienst Toeslagen ingediende bezwaar wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk had verklaard. Het verzet is gericht tegen het niet vaststellen van de dwangsom die de Dienst Toeslagen haar op grond van art. 4:17 Awb verschuldigd zou zijn. In het verlengde van de Afdelingsuitspraak van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:724) ziet de rechtbank aanleiding om bij de toepassing van art. 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, Awb te bepalen dat het ingestelde rechtsmiddel van beroep wegens niet tijdig beslissen (toch) ontvankelijk is, ook al is de daaraan voorafgaande ingebrekestelling daags vóór afloop van de beslistermijn (en daarmee, naar de letter van de wet, te vroeg) ingediend. Hieraan verbindt de rechtbank de voorwaarde dat de belanghebbende tenminste twee weken na het eindigen van de beslistermijn heeft gewacht met het instellen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. Omdat in de voorliggende zaak aan die voorwaarde was voldaan, heeft de rechtbank het ingestelde rechtsmiddel ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard: betrokkene had (wel) een procesbelang bij de toepassing van artikel 6:20, vijfde lid, Awb (vgl. de Afdelingsuitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701, en 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430) en de rechtbank had in dit geval ingevolge art. 8:55c Awb ook meteen de hoogte van de verschuldigde dwangsom moeten vaststellen.
Opleggen last onder dwangsom in afwijking van geprioriteerd handhavingsbeleid getuigt niet van consistent bestuursbeleid en wekt schijn van willekeur
Uit de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 12 januari 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:169) volgt dat handhavend optreden in strijd met het geprioriteerde handhavingsbeleid niet getuigt van het voeren van consistent bestuursbeleid en de schijn van willekeur wekt. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een door het college van burgemeester en wethouders (“college”) opgelegde last onder dwangsom wegens het zonder de vereiste omgevingsvergunning plaatsen van twee airco’s aan de buitenkant van een woning. De eigenaar van de woning stelt dat het college handelt in strijd met zijn reactionaire handhavingsbeleid waarbij handhaving slechts plaatsvindt naar aanleiding van een handhavingsverzoek (het zogenoemde ‘piepsysteem’). Omdat het college in dit geval is overgegaan tot handhaving op basis van een melding van een medewerker van de eigen gemeente, zou het college handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in individuele gelijke gevallen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat is toegestaan dat in het kader van een handhavingsbeleid prioriteiten worden gesteld met het oog op doelmatige handhaving. Zo kan prioritering bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982, 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849 en 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3256). Tegelijkertijd kan het gelijkheidsbeginsel volgens de rechtbank ook reden vormen om, in afwijking van de beginselplicht tot handhaving, af te zien van handhavend optreden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331). Naar het oordeel van de rechtbank komt in dit geval doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de melding die aan het besluit tot handhaving vooraf is gegaan, afkomstig is van een medewerker van de gemeente. Die melding heeft immers geleid tot een controle van de toezichthouder en vervolgens tot oplegging van de last onder dwangsom. Die werkwijze acht de rechtbank in strijd met het gevoerde reactionaire handhavingsbeleid en met het uitgangspunt dat een bestuursorgaan zorg heeft te dragen voor een consistent bestuursbeleid. Het beleid van het college dat alleen wordt opgetreden naar aanleiding van handhavingsverzoeken en meldingen, kan niet anders worden uitgelegd dan dat het moet gaan om handhavingsverzoeken of meldingen van (belanghebbende) derden. Door ook actief handhavend op te treden na meldingen van eigen medewerkers heeft het college volgens de rechtbank alsnog zelf in de hand of en wanneer het wel en wanneer het niet tot handhavend optreden overgaat. Dit zou volgens de rechtbank de schijn van willekeur met zich kunnen brengen. Door af te wijken van zijn eigen reactionaire handhavingsbeleid, zonder dat daarvoor een toereikend argument is gegeven, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank geen doordacht consistent handhavingsbeleid gevoerd. Dat is, zo concludeert de rechtbank, in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving
Kamerbrief over voortgang herziening Mijnbouwwet en programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond
Met de Kamerbrief van 22 januari 2026 informeert de minister van Klimaat en Groen Groei (KGG) de Tweede Kamer over de voortgang van de aangekondigde herziening van de Mijnbouwwet en het tot stand te brengen programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond (“DGDO”). In de Kamerbrief maakt de minister duidelijk dat de voorziene internetconsultatie van beide trajecten in het eerste (herziening Mijnbouwwet) respectievelijk tweede kwartaal van 2026 (DGDO) opschuift naar het eerste kwartaal van 2027. Naast een uitleg over de gewijzigde planning bevat de Kamerbrief ook een planning van de vervolgstappen die de minister in 2027 beoogt te zetten.
Planning vervolgstap Nota Ruimte
De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (“VRO”) heeft met een Kamerbrief van 20 januari 2026 inzicht geboden in de planning van een aantal beleids- en wetgevingsdossiers. Daaruit blijkt onder meer dat in het vierde kwartaal van 2026 een vervolgstap is voorzien voor de Nota Ruimte. Het ontwerp van deze nationale omgevingsvisie lag in de periode van 6 oktober 2025 en 15 december 2025 gedurende tien weken voor een ieder ter inzage met de mogelijkheid hierover een zienswijze naar voren te brengen. Op 22 januari jl. heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) haar Reflectie op de Ontwerp-Nota Ruimte openbaar gemaakt. Die bevat aanbevelingen om de Nota Ruimte op onderdelen aan te scherpen. Naar verwachting zal de minister ook deze inbreng betrekken bij het vervolgtraject.
Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?
Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.