Signaleringsblog week 3: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode. 

I- Jurisprudentie 

Opheffen of wijzigen voorlopige voorziening vereist geen spoedeisend belang

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 6 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:57) dat voor het opheffen en wijzigen van een voorlopige voorziening, anders dan bij het in eerste instantie treffen ervan, niet is vereist dat de verzoeker daartoe een spoedeisend belang stelt. Aanleiding voor dit oordeel was het verzoek van de gemeenteraad om de eerder getroffen voorlopige voorziening die strekte tot schorsing van het vastgestelde bestemmingsplan op te heffen. De milieustichting die eerder succesvol had verzocht om toewijzing van de voorziening betoogt in deze procedure dat de gemeenteraad geen spoedeisend belang heeft dat de opheffing van de getroffen voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter overweegt dat art. 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”), waarin is bepaald dat de voorzieningenrechter in geval van onverwijlde spoed een voorlopige voorziening kan treffen, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening op te heffen (in de zin van art. 8:87 Awb). Ook anderszins kan volgens de voorzieningenrechter niet worden aangenomen dat de bevoegdheid om een voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen alleen bestaat bij een spoedeisend belang (vgl. de Afdelingsuitspraak van 31 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:369). 

Vaststellingsovereenkomst staat in de weg aan ontvankelijkheid ingesteld rechtsmiddel

In haar uitspraak van 24 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6332) oordeelt de Afdeling dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk is, omdat diens procesbelang met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met de Staat der Nederlanden (“Staat”) is komen te vervallen. Appellante is een erkend slachtoffer van de toeslagenaffaire en is daarvoor financieel gecompenseerd, aanvankelijk door de Dienst Toeslagen en nadien door de Stichting (Gelijk)waardig Herstel. Appellante betoogt in hoger beroep dat de Dienst Toeslagen de hoogte van het toegekende compensatiebedrag niet juist zou hebben vastgesteld. De Afdeling stelt vast dat de Stichting (Gelijk)waardig Herstel appellant hangende de (hoger) beroepsprocedure aanvullend heeft gecompenseerd, waarbij appellant en de Staat een vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of appellante nog procesbelang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. Die vraag moet volgens de Afdeling worden beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. De Afdeling stelt vast dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat deze tot doel heeft de onzekerheid over het bestaan en de omvang van de aanvullende compensatie te beëindigen, een einde te maken aan eventuele civielrechtelijke vorderingen en bestuursrechtelijke aanspraken, en geschillen daarover te voorkomen dan wel te beëindigen. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat de schade waarover appellante in hoger beroep nog procedeert inmiddels is vergoed middels het overeengekomen compensatiebedrag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellante het doel dat zij met deze procedure wilde bereiken - namelijk het vergoed krijgen van de geleden schade als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire - daarmee bereikt en is haar belang bij een uitspraak van de Afdeling hiermee komen te vervallen. Het enkele gegeven dat het verkrijgen van een inhoudelijk rechterlijk oordeel voor appellante een principiële kwestie is, is volgens de Afdeling onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

Geweigerde natuurvergunning: geen reden om art. 2.8, derde lid, Wnb wegens strijd met evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten  

Uit de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:24760) volgt dat art. 2.8 Wet natuurbescherming (“Wnb”) niet zo evenredig uitpakt dat de toepassing van deze dwingend geformuleerde formeelwettelijke bepaling in dit geval achterwege had moeten blijven. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het besluit van het college van Gedeputeerde Staten (“GS”) om de aangevraagde natuurvergunning (als bedoeld in art. 2.7, tweede lid, Wnb) voor de uitbreiding van een melkrundveehouderij te weigeren. In beroep stellen de exploitanten van het bedrijf onder meer dat het toepassen van art. 2.8, derde lid, Wnb - dat voorschrijft dat een natuurvergunning uitsluitend wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die in deze bepaling zijn geformuleerd - in hun geval onevenredig uitpakt en daarom achterwege had moeten blijven. De rechtbank overweegt dat het toetsingsverbod uit art. 120 Grondwet eraan in de weg staat dat de bestuursrechter deze formeelwettelijke bepaling toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dat neemt niet weg dat de rechter in bepaalde gevallen een wetsbepaling buiten toepassing kan laten, namelijk als de toepassing ervan wegens daarin niet-verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het evenredigheidsbeginsel). In dat geval kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772). Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit art. 2.8, derde lid, Wnb volgt dat een natuurvergunning slechts wordt verleend nadat uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de aangevraagde activiteit de natuurlijke kenmerken van de betrokken natuurgebieden niet zal aantasten. Als de passende beoordeling deze zekerheid niet biedt en geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, Wnb (op grond waarvan de natuurvergunning desondanks kan worden verleend), dan moet de natuurvergunning worden geweigerd. Volgens de rechtbank moet bij de totstandkoming van deze bepaling door de wetgever zijn onderkend dat – zoals eisers in casu betogen - weigering van de natuurvergunning voor de aanvrager verstrekkende (financiële) gevolgen kan hebben. Vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van art. 2.8, derde lid, Wnb zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege had moeten blijven.

College B&W moet verzoek om illegaal bouwwerk planologisch in te passen in Omgevingsplan doorzenden aan gemeenteraad

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 11 december 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6620) dat niet het college van burgemeester en wethouders (“college”) maar de gemeenteraad bevoegd is om te beslissen op het verzoek om planologische inpassing van een zonder de vereiste omgevingsvergunning gerealiseerde schuur en veranda/overkapping. Het college had het inpassingsverzoek daarom moeten doorgeleiden naar de gemeenteraad. Het college ontving het verzoek na afloop van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie die zou adviseren over de door het college opgelegde lasten onder dwangsom ter verwijdering van beide illegale bouwwerken. Tegen de schriftelijke reactie van het college op dit verzoek maakten eisers vervolgens bezwaar, waarna het college de rechtbank verzocht om dit bezwaar met toepassing van art. 7:1a Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Dit laatste verzoek wijst de rechtbank af: weliswaar heeft het college volgens de rechtbank feitelijk antwoord gegeven op het inpassingsverzoek, maar is de gemeenteraad het bevoegde orgaan voor het vaststellen en wijzigen van het Omgevingsplan. Omdat het college onbevoegd is om te beslissen op het inpassingsverzoek, zal het college het verzoek moeten doorsturen naar de gemeenteraad. De brief van het college kwalificeert volgens de rechtbank hooguit als een feitelijke handeling, namelijk de weigering om het verzoek door te sturen naar de gemeenteraad (vgl. de Afdelingsuitspraak van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1940). 

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Concept wetsvoorstel wijziging Kaderwet overige JenV-subsidies ten behoeve van creëren wettelijke grondslag specifieke uitkeringen 

Vanaf 23 december 2025 doorloopt het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Kaderwet overige JenV-subsidies in verband met het creëren van een wettelijke grondslag voor het verstrekken van specifieke uitkeringen een internetconsultatieronde. Het voorstel voorziet in een wettelijke grondslag voor het verstrekken van specifieke uitkeringen (SPUK) op verschillende beleidsterreinen waarvoor de bewindspersonen van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk zijn. Het gaat om het terrein van de criminaliteitsbestrijding en -preventie, openbare orde, slachtofferhulp en terrorismebestrijding en -preventie. Tot en met 17 februari 2026 kunnen belangstellenden reageren op de consultatiedocumenten. 

Kamerbrief over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen 

Met de Kamerbrief van 9 januari 2026 informeren de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Visserij Natuur de Eerste en Tweede Kamer over de eerste inhoudelijke beleidsreactie van het kabinet op de twee deeladviezen van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s rond geitenhouderijen. De Gezondheidsraad adviseert om op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen te nemen om deze risico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. In de Kamerbrief schetsen beide ministers drie hoofdlijnen voor de nadere uitwerking van een samenhangend maatregelenpakket, gericht op (i) het uitdenken van een afstandsnorm voor de nieuwvestiging van geitenbedrijven ten opzichte van woningen en andere gevoelige bestemmingen, (ii) het verminderen van gezondheidsrisico’s voor omwonenden bij bestaande geitenhouderijen en het aanpakken van prioritaire locaties, en (iii) het monitoren van gezondheidseffecten als gevolg van de aanwezigheid van nabijgelegen geitenhouderijen. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.