Signaleringsblog week 2: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht
In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.
I- Jurisprudentie
Welke rol spelen (mogelijke) gezondheidsrisico’s bij de beoordeling van een planschadeverzoek?
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6179) dat bij de beoordeling van verzoeken om tegemoetkoming in planschade slechts rekening kan worden gehouden met gezondheidsrisico’s, als daarvoor op de peildatum wetenschappelijke aanwijzingen bestaan en beschikbaar zijn. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het op de voet van art. 6.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) afgewezen verzoek om een tegemoetkoming in planschade vanwege het in 2017 genomen besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan dat voorziet in de vestiging van een vogelasiel. De verzoeker om planschade stelt in zijn hoedanigheid van exploitant van een op het grootbrengen van kuikens tot kippen gericht pluimveebedrijf schade te hebben geleden als gevolg van dit besluit: opfokorganisaties hebben de exploitant laten weten vanwege de nabijheid van het (nadien daadwerkelijk gevestigde) vogelasiel en de daarbij behorende risico's op verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) te zullen plaatsen op diens bedrijf. In beroep had de rechtbank overwogen dat het in dit geval niet redelijk zou zijn dat de exploitant geen enkele aanspraak kan maken op planschade; het college van burgemeester en wethouders (“college”) zou daarom diens schade naar redelijkheid moeten toerekenen naar de relevante gebeurtenissen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de positieve bestemming van het vogelasiel op zijn minst een risico voor de exploitant is geschapen dat zich vervolgens ook heeft verwezenlijkt. De Afdeling overweegt dat bij de beoordeling van een planschadeverzoek alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang zijn; subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de vergelijking van het regime van het nieuwe bestemmingsplan met het daaraan voorafgaande planologische regime wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was. Naar het oordeel van de Afdeling bestond begin 2018, ten tijde van de peildatum van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens of richtlijnen van overheidswege geen reden om aan te nemen dat de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer het risico op verspreiding van dierziektes in het pluimveebedrijf doet toenemen. De Afdeling concludeert, anders dan de rechtbank, dat (i) het college bij de planologische vergelijking terecht geen rekening heeft gehouden met de vrees van de opfokorganisaties voor dierziektes in het pluimveebedrijf van de exploitant als gevolg van het nabij gelegen vogelasiel, (ii) de exploitant als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingplan niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren, en (iii) gelet op de beoordelingssystematiek niet meer wordt toegekomen aan de vraag of de exploitant ten gevolge van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, net zo min als aan de vraag naar de toerekening naar redelijkheid van die schade of de omvang ervan.
Geen overtreding regels bodembescherming vanwege toepassen PFAS-houdend blusschuim
In haar uitspraak van 24 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6370) oordeelt de Afdeling dat de door de brandweer verrichte brandbluswerkzaamheden met gebruikmaking van PFAS-houdend blusschuim in dit geval niet hebben plaatsgevonden in de sfeer van de beheerder van het hoogspanningsstation, zodat het college de netbeheerder ten onrechte als overtreder van art. 13 Wet bodembescherming (“Wbb”) heeft aangemerkt. Vaststaat dat als gevolg van de bluswerkzaamheden PFAS in de bodem en het grondwater terecht is gekomen, dat de netbeheerder deze verontreiniging in kaart heeft gebracht en dat deze diverse saneringswerkzaamheden heeft laten uitvoeren. Omdat de uitgevoerde sanering niet adequaat en volledig zou zijn geweest, heeft het college daarop aan de netbeheerder een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van art. 13 Wbb. Volgens het college kan het ontstaan van de verontreiniging in het licht van de Afdelingsuitspraak van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067) over functioneel plegerschap aan de netbeheerder worden toegerekend: de bluswerkzaamheden met gebruikmaking van PFAS-houdend blusschuim hebben zich voltrokken in de sfeer van de netbeheerder, doordat deze werkzaamheden aan deze rechtspersoon dienstig zijn geweest. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet deugdelijk onderbouwd welke evidente voordelen het gebruik van PFAS-houdend blusschuim voor de netbeheerder had boven het gebruik van gewoon bluswater. Ook is volgens de Afdeling gebleken dat de netbeheerder geenszins is gekend in de beslissing van een of meerdere van de bij de brand betrokken brandweerkorpsen om de brand met PFAS-houdend blusschuim te bestrijden. Daarmee heeft de netbeheerder in dit geval geen enkele invloed of zeggenschap kunnen hebben op de handelswijze van de brandweer. Evenmin is gebleken of aannemelijk gemaakt dat de netbeheerder het risico op een overtreding van art. 13 Wbb willens en wetens heeft aanvaard. De Afdeling concludeert dat de bluswerkzaamheden met gebruikmaking van PFAS-houdend blusschuim redelijkerwijs niet aan de netbeheerder kunnen worden toegerekend, zodat het college de netbeheerder ten onrechte als overtreder van art. 13 Wbb heeft aangemerkt.
Burgemeester exclusief bevoegd om te beslissen op Woo-verzoek, college van B&W had het verzoek daarom moeten doorzenden
Uit de tussenuitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6191) volgt dat de burgemeester in dit geval exclusief bevoegd was om te beslissen op het aan het college gerichte informatieverzoek; het college had het informatieverzoek daartoe moeten doorzenden aan de burgemeester. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het op grond van de Wet open overheid (“Woo”) collegebesluit tot gedeeltelijke openbaarmaking van e-mails die zich in de functionele mailbox van de burgemeester bevinden. In hoger beroep twisten het college en de betrokken (inmiddels voormalige) burgemeester onder meer over de vraag of het college daartoe wel bevoegd was. De Afdeling overweegt dat het Woo-verzoek weliswaar aan het college is gericht, maar uitsluitend ziet op door de voormalige burgemeester verzonden en ontvangen e-mails. Binnen de organen van de gemeente heeft de burgemeester verschillende rollen, aldus de Afdeling: de rol van burgemeester als zodanig, als voorzitter van de gemeenteraad en als voorzitter van het college. Aangenomen moet worden volgens de Afdeling dat in de functionele mailbox van de burgemeester, naast mogelijk persoonlijke e-mails en e-mails over (wettelijke) nevenfuncties, in ieder geval e-mails zullen zitten die betrekking hebben op elk van deze rollen en naar hun aard verband houden met de publieke taak die de burgemeester in zijn verschillende rollen vervult (vgl. art. 2.1 Woo). Omdat het informatieverzoek in dit geval uitsluitend ziet op e-mails die zich in de functionele mailbox van de burgemeester bevinden én het verzoek niet alleen betrekking op informatie die een aangelegenheid van het college betreft, lag het op de weg van de burgemeester - dat wil zeggen: de persoon die dat ambt op dat moment vervult - dan wel iemand in zijn opdracht om deze inventarisatie te maken. Het college had het informatieverzoek naar het oordeel van de Afdeling daarom op grond van art. 4.2, eerste lid, Woo moeten doorzenden aan de burgemeester. Voor zover de informatie die zich in de functionele mailbox bevindt een aangelegenheid van de burgemeester in zijn rol van burgemeester als zodanig betreft, is deze informatie volgens de Afdeling alleen bestemd voor de burgemeester en kan alleen de burgemeester - dat wil zeggen: de ambtsdrager op dat moment - een beslissing op het Woo-verzoek nemen. De Afdeling concludeert dat het college niet bevoegd was te beslissen op het informatieverzoek, voor zover de informatie in de opgevraagde e-mails een aangelegenheid van de burgemeester als zodanig betreft.
Potentiële gegadigde kwalificeert niet als belanghebbende bij besluit tot vestigen voorkeursrecht op de betrokken gronden
De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 12 december 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:5104) dat de gemeenteraad het tegen het besluit tot vestigen van een voorkeursrecht gerichte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van een rechtstreeks betrokken belang (als bedoeld in art. 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht, “Awb”). Het bedrijf dat de betrokken gronden wenste te verwerven zag zijn aankoopmogelijkheden vanwege het gevestigde voorkeursrecht - dat de gemeente gedurende de looptijd van het voorkeursrecht een eerste recht op koop verschaft - geringer worden en kwam daarom op tegen het raadsbesluit. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het bedrijf en de eigenaren van het perceel geen koopovereenkomst in de openbare registers van het Kadaster hebben ingeschreven, zodat geen sprake is van de (uitzonderings-)situatie als bedoeld in art. 10, derde lid, Wet voorkeursrecht gemeenten (“Wvg”). Evenmin heeft het bedrijf aannemelijk gemaakt dat zij het perceel in kwestie heeft gekocht of over een koopoptie beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bedrijf daarom hooguit een afgeleid belang bij het besluit tot vestigen van het voorkeursrecht (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1083). Ook in het betoog van het bedrijf dat haar bezwaar toch ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege de tegen de voorlopige aanwijzing naar voren gebrachte zienswijze gaat de rechtbank niet mee: omdat het geen milieuzaak betreft (als bedoeld in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7, Varkens in nood) noch een zaak gebaseerd op een wet genoemd in de Afdelingsuitspraken van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:786) en 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:953), oordeelt de rechtbank dat het bedrijf zich niet kan beroepen de Varkens in nood-rechtspraak om op die manier toegang tot de rechter te verkrijgen. Dit geldt temeer nu de besluitvorming over het voorkeursrecht niet is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, in het kader waarvan voor een ieder de mogelijkheid openstond om daarover een zienswijze naar voren te brengen. De in art. 4:8 Awb neergelegde mogelijkheid voor belanghebbenden om een zienswijze naar voren te brengen is in dit verband geen inspraakprocedure voor een ieder, aldus de rechtbank (onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1668).
II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving
Voorstel subsidieregeling voor waterstofhubs in internetconsultatie
Vanaf 22 december 2025 doorloopt de voorgenomen wijziging van de Subsidieregeling productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse voor de subsidiëring van waterstofhubs (OWE waterstofhubs) een internetconsultatieronde. Deze wijzigingsregeling betreft een wijziging van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse (OWE 2) en beoogt door middel van subsidie de realisatie van waterstofhubs te stimuleren. In waterstofhubs wordt op kleine schaal via elektrolyse hernieuwbare waterstof geproduceerd en lokaal weer verbruikt. De gewijzigde subsidieregeling voorziet in de mogelijkheid tot het verkrijgen van een investeringssubsidie voor transport, opslag en gebruik van de geproduceerde waterstof. Tot en met 1 februari 2026 kunnen belangstellenden reageren op de consultatiedocumenten.
Conceptwijziging Wet openbare manifestaties vanwege voorgesteld verbod gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties
In de periode van 19 december 2025 tot en met 13 februari 2026 kan een ieder reageren op het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet openbare manifestaties ivm verbod gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties. Vanuit de gedachte dat het dragen van gezichtsbedekkende kleding afbreuk doet aan de veiligheidsbeleving van personen die hiermee worden geconfronteerd, dit essentiële open communicatie tijdens demonstraties bemoeilijkt en kan bijdragen aan het ontstaan van een bedreigende sfeer rondom een demonstratie, introduceert het wetsvoorstel een algemeen verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding tijdens en onmiddellijk volgend op een betoging. Omdat er ook legitieme redenen zijn om gezichtsbedekking te dragen bij demonstraties, voorziet het voorstel ook in een uitzonderingsgrond op het verbod.
Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?
Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.