Signaleringsblog week 12: actuele jurisprudentie bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken van de afgelopen periode.

Verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handhavingsbesluit: legaliteitsbeginsel strekt tot bescherming tegen  ongerechtvaardigde beperking exploitatiemogelijkheden deelfietsen (art. 6:163 BW) 

De civiele afdeling van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in haar vonnis van 6 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1298) dat een exploitant van deelfietsen recht heeft op vergoeding van gemiste exploitatieschade, omdat het college van burgemeester en wethouders (“college”) het bedrijf ten onrechte een last onder bestuursdwang heeft opgelegd. Nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) de oplegde last strekkende tot verwijdering van alle aangeboden deelfietsen wegens het ontbreken van een basis daarvoor in de Algemene Plaatselijke Verordening (“APV”) onrechtmatig had geoordeeld (Afdelingsuitspraak van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1767), heeft het bedrijf de gemeente aansprakelijk gesteld en verzocht om vergoeding van geleden schade. In rechte is niet in geschil dat met de vernietiging van het handhavingsbesluit de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid aan de gemeente in beginsel zijn gegeven. De vraag is of is voldaan aan alle overige vereisten voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding, waaronder het relativiteitsvereiste van art. 6:163 Burgerlijk Wetboek (“BW”). De rechtbank overweegt dat het relativiteitsvereiste inhoudt dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat als de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding is daarom van belang om na te gaan welke norm(en) de gemeente heeft geschonden met het nemen van het onrechtmatig bevonden handhavingsbesluit. De rechtbank stelt vast dat vanwege het ontbreken van een verbod op deelfietsen in de APV geen wettelijke grondslag bestond voor het opleggen van een last onder bestuursdwang. Door toch dit bezwarend besluit te nemen, heeft de gemeente inbreuk gemaakt op het legaliteitsbeginsel dat binnen deze context strekt tot bescherming tegen schade als gevolg van het onrechtmatig beperken van de exploitatiemogelijkheden van deelfietsen die het bedrijf in eigendom toebehoren. 

Beoordeling belanghebbendheid (art. 1:2 Awb): vanwege onlosmakelijke verbondenheid geen onderscheid tussen activiteit ‘bouwen’ en ‘afwijken bestemmingsplan’ 

In de uitspraak van 1 maart 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:791) oordeelt de Rechtbank Oost-Brabant dat bij de beoordeling van de vraag of appellanten als belanghebbende(in de zin van art. 1:2 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) bij een verleende omgevingsvergunning kunnen worden aangemerkt geen onderscheid wordt gemaakt tussen de activiteiten ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘bouwen’. Aanleiding voor dit oordeel is een geschil over een onder het regime van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”) in afwijking van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor een restaurant en 20 studio’s. Daartegen zijn diverse appellanten in beroep gekomen, zowel natuurlijke personen en rechtspersonen. De rechtbank zet uiteen dat ingevolge art. 1:2, eerste lid, Awb iemand alleen als belanghebbende kan worden aangemerkt als zijn belang rechtstreeks is betrokken bij een besluit. Als een natuurlijke persoon feitelijke gevolgen kan ondervinden van het besluit (zoals zicht op het bouwplan of het ervaren van geluid- of parkeerhinder) is het belang van deze persoon rechtstreeks bij het besluit betrokken. Dit is slechts anders als gevolgen van enige betekenis ontbreken. Dit laatste criterium wordt, als correctie op de hoofdregel dat de feitelijke gevolgen bepalend zijn, beperkt uitgelegd; in geval van twijfel krijgt degene die opkomt tegen een besluit het voordeel van de twijfel krijgt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 19 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499). In het geval van rechtspersonen moet aan de hand van de statutaire doelstelling (en de feitelijke werkzaamheden) eerst worden bepaald welk belang de rechtspersoon in het bijzonder behartigt. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het door de rechtspersoon behartigde belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Anders dan bij natuurlijke personen, geldt voor rechtspersonen het criterium van gevolgen van enige betekenis niet (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:388). Voor zowel natuurlijke of rechtspersonen geldt verder dat als zij als eigenaar, bewoner of anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigde van gronden die (nagenoeg) grenzen aan het perceel waarop het bouwplan is voorzien alleen al daarom kwalificeren als belanghebbende bij het vergunde bouwplan: bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn (vgl. van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671). Tot slot geldt als uitgangspunt bij de beoordeling van de belanghebbendheid dat geen onderscheid wordt gemaakt maken tussen het besluit waarbij voor het bouwplan omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo) en het besluit waarbij omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend (art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo); de omstandigheid dat vergunninghoudster beide activiteiten op grond van art. 2.7, eerste lid, tweede volzin, Wabo los van elkaar heeft aangevraagd, neemt de onlosmakelijkheid tussen de activiteiten immers niet weg (vgl. de Afdelingsuitspraak van 13 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1081).

Achteraf intrekken van rechtswege verleende omgevingsvergunning (Wabo) kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden 

De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in haar uitspraak van 20 februari 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:783) dat als een van rechtswege verleende omgevingsvergunning niet rechtmatig kan worden ingetrokken, het college niet langer de bevoegdheid heeft om alsnog een reëel besluit te nemen en de omgevingsvergunning in dat verband te weigeren. Aanleiding voor dit oordeel was het collegebesluit om de (onder de werking van de Wabo) van rechtswege ontstane omgevingsvergunning voor het exploiteren van een winkel in schoenen, bovenkleding en modeartikelen in te trekken, waarna het college de omgevingsvergunning alsnog heeft geweigerd. De rechtbank overweegt dat voor het intrekken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning slechts ruimte is, indien sprake is van ‘ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’ (art. 2.33, eerste lid, aanhef en onder e, Wabo). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat daarvan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is (zie Kamerstukken II 2006/07, 30844, 3, p. 118, Kamerstukken II 2006/07, 30844, 8, p. 10 en Kamerstukken II 2007/08, 30844, 41, p. 33). De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling dat de vestiging van een schoenenwinkel niet binnen het detailhandelsbeleid past onvoldoende is om te kunnen spreken van ontoelaatbaar ernstige gevolgen voor de fysieke leefomgeving en geen grondslag biedt voor intrekking van de omgevingsvergunning. Na het van rechtswege ontstaan van de vergunning was het college dan ook niet langer bevoegd om alsnog een reëel besluit te nemen en de omgevingsvergunning te weigeren. 

Handhavend optreden onevenredig wegens (onder andere) vervallen vergunningplicht onder Omgevingswet 

In haar uitspraak van 13 december 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:7985) oordeelt de Rechtbank Amsterdam dat het college het verzoek om handhaving dat was gericht tegen het zonder de vereiste omgevingsvergunning vervangen van een kozijn vanwege bijzondere omstandigheden mocht afwijzen. Het raamkozijn was in dit geval vervangen door een kozijn van een ander materiaal, waarbij het kozijn weliswaar niet is vergroot maar wel heeft geresulteerd in een gewijzigde raamindeling. Onder de Wabo gold hiervoor een vergunningplicht. De rechtbank overweegt dat uit de beginselplicht tot handhaving volgt dat, kort gezegd, het bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden in de regel van die bevoegdheid gebruik zal moeten maken, tenzij bijzondere omstandigheden daaraan de weg staan. Dit laatste doet zich voor als concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2306). De rechtbank is, onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 17 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:574), van oordeel dat het college zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien: omdat de maatvoering en kleur van het kozijn niet zijn gewijzigd heeft de kozijnwijziging een geringe ruimtelijke uitstraling, de belangen van derden worden als gevolg van de kozijnwijziging niet onevenredig geschaad, er is geen sprake van een welstandsexces en geen sprake van reële hinder voor omwonenden. Volgens de rechtbank weegt ook mee dat als voor de kozijnwijziging een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, het college die zal moeten verlenen vanwege het ontbreken van een weigeringsgrond. Omdat de kozijnwijziging onder de Omgevingswet vergunningvrij kan worden uitgevoerd, mocht het college ook die omstandigheid betrekken in het kader van de belangenweging om al dan niet over te gaan tot handhavend optreden. 

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur werken ook door bij privaatrechtelijk handelen overheid (art. 3:14 BW) 

Uit het vonnis van de civiele kamer van de Rechtbank Den Haag van 8 november 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:17895) volgt dat Staat der Nederlanden (in casu het Ministerie van Rijkswaterstaat en infrastructuur, “Rijkswaterstaat”) onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers door bij de aankoop van de woning van eisers door de naar voren gebrachte belangen van eisers bij terugkeer naar hun woning niet (kenbaar) mee te wegen in de aangeboden aankoopregeling. Uit bouwtechnisch onderzoek was gebleken dat als gevolg van de uitvoering van het Tracébesluit A16 Rotterdam – zoals het heien van funderingspalen, het intrillen van damwanden en het af- en aanrijden van bouwverkeer  - zou leiden tot ernstige constructieve schade aan drie woningen, waaronder de woning van eisers. Omdat de betrokken gronden niet nodig waren voor de aanleg van het nieuwe tracé had Rijkswaterstaat besloten de bewoners niet te onteigenen. Vanwege de toch al slechte bouwtechnische staat van de woningen en de te verwachten aanvullende schade - resulterend in onbewoonbaarheid vanwege de ernstige veiligheidsrisico’s voor de bewoners - als gevolg van de werkzaamheden is Rijkswaterstaat in overleg getreden met de bewoners met als inzet de minnelijk verwerving van de woningen. Dit heeft er onder meer toe geleid dat eisers hun woning uiteindelijk aan Rijkswaterstaat hebben verkocht. Met frisse tegenzin, want zij hebben altijd aangegeven in de woning te willen blijven wonen dan wel daarheen te willen terugkeren. Als blijkt dat de voormalige buurman na  uitvoering van het (onherroepelijke) Tracébesluit wel terugkeert naar zijn woning, stellen eisers Rijkswaterstaat aansprakelijk en vorderen zij een verklaring voor recht, waaruit blijkt dat Rijkswaterstaat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door hen niet de mogelijkheid te bieden na afronding van de werkzaamheden naar hun perceel/woning terug te keren. Eisers stellen niet anders te hebben gekund dan verkopen: na alle onderzoeken was duidelijk dat hun woning de geplande werkzaamheden voor de aanleg van de A16 niet zou overleven, dat de woning na aanvang van de werkzaamheden al zou moeten worden gestut wegens instortingsgevaar en dat het te gevaarlijk was om tijdens de werkzaamheden, mede vanwege de zorg voor  hun destijds nog jonge kind, in de woning te blijven wonen. Als zij hadden geweten dat terugkeer naar hun woning ook een optie was, hadden zij nooit ingestemd met de verkoop van hun woning. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van Rijkswaterstaat het uitgangspunt geldt dat een overheidslichaam ook bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten, zoals in dit geval de koopovereenkomst, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moet nemen (art. 3:14 BW). Dit geldt ook voor de beslissing onder welke voorwaarden het een overeenkomst tot koop van een onroerende zaak sluit (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778). De rechtbank stelt vast dat Rijkswaterstaat, hoewel bekend met de reële bouwtechnische en veiligheidsrisico’s enerzijds en de wens van eisers om in hun woning te blijven anderzijds, aan eisers slechts de keuze heeft gelaten tussen ofwel akkoord gaan met verkoop van hun woning (zonder terugkoopoptie) ofwel daarmee niet akkoord gaan en ondanks de ernstige veiligheidsrisico’s tijdens de werkzaamheden met hun kind in de woning blijven wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rijkswaterstaat gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 en 3:4, eerste lid, Awb) en het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4, tweede lid, Awb) door de meermalen aan Rijkswaterstaat kenbaar gemaakte persoonlijke belangen van eisers bij terugkeer naar het perceel niet, althans niet kenbaar, te betrekken bij de door hem aangeboden regeling en hen slechts één aanbod te doen dat eisers vanwege het dreigende instortingsgevaar niet werkelijk konden afslaan (zodat van vrije wilsvorming kenbaar geen sprake was). Daarmee heeft Rijkswaterstaat jegens eisers onrechtmatig gehandeld. 

Rechtskarakter (1): ambtshalve wijziging BAG niet op rechtsgevolg gericht, daarom geen sprake van appellabel besluit 

In haar uitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1043) oordeelt de Afdeling dat het ambtshalve wijzigen van de in de basisregistratie adressen en gebouwen (“BAG”) opgenomen gegevens voor een op een specifiek adres gelegen object geen appellabel besluit vormt, omdat zo’n wijziging niet op rechtsgevolg is gericht. De BAG bevat gegevens van alle adressen en gebouwen in Nederland, zoals bouwjaar, oppervlakte, gebruiksdoel en locatie op de kaart. Appellant heeft als voormalig eigenaar van een bepaalde adres telefonisch contact gehad over de in de BAG geregistreerde functie en gebruiksoppervlakte van een bepaald object. Na het doen van onderzoek heeft het college de gebruiksfunctie van het object in de BAG gewijzigd van ‘wonen’ in ‘kantoor’. Het tegen die wijziging gerichte bezwaar en beroep is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de wijziging geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb en geen beslissing op een correctieverzoek is, maar een feitelijke handeling. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de wijziging van het gebruiksdoel is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Awb. De Afdeling overweegt dat uit wetsgeschiedenis van de Wet BAG (Kamerstukken II 2006/07, 30 968, nr. 3) volgt dat (i) de in de adressen- en gebouwenregistraties opgenomen gegevens alle zijn terug te voeren op een in het adressen- of gebouwenregister opgenomen brondocument, (ii) het college in beginsel geen interpretatievrijheid heeft en opneming of wijziging van een gegeven is in beginsel niet op rechtsgevolg gericht en (iii) als uitgangspunt geldt dat de wijziging van een BAG-registratie geen besluit is in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb. Dit laatste is slechts anders voor een verzoek van een belanghebbende als bedoeld in art. 38 Wet BAG dat ingevolge art. 41 Wet BAG wel appellabel is. Omdat appellant naar het oordeel van de Afdeling niet heeft verzocht om wijziging van de woonfunctie, kwalificeert de doorgevoerde wijziging in de BAG niet als een appellabel besluit. 

Rechtskarakter (2): feitelijke betaling dwangsom wegens niet tijdig beslissen is op rechtsgevolg gericht en daarmee appellabel besluit (art. 1:3 Awb) 

De Rechtbank Amsterdam oordeelt in de uitspraak van 25 juni 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:7906) dat de schriftelijke mededeling over de uitbetaling van een dwangsomvergoeding een besluit is in de zin van art. 1:3 Awb. Aanleiding voor dit oordeel was de uitbetaling van het UWV van verbeurde dwangsommen aan appellant wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Daarbij was de dwangsomvergoeding op een ander rekeningnummer overgemaakt dan appellant had opgegeven. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of appellant kan worden ontvangen in het daartegen ingestelde beroep.  De rechtbank overweegt dat het gevolg van de feitelijke betaling heeft te gelden als een bevrijdende betaling en daarmee is gericht op rechtsgevolg. 

Rechtskarakter (3): schriftelijke waarschuwing woonoverlast niet zelfstandig appellabel

Uit de Afdelingsuitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1054) volgt dat de schriftelijke waarschuwing van de burgemeester met betrekking tot woonoverlast niet kan worden aangemerkt als een appellabel besluit (in de zin van art. 1:3 Awb) en daarmee ook niet gelijk kan worden gesteld. De Afdeling overweegt dat een waarschuwing in beginsel geen besluit is (vgl. de Afdelingsuitspraak van 25 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2816). Dit kan anders zijn als het gaat om een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing die een voorwaarde is voor het toepassen van een sanctiebevoegdheid. Omdat in dit geval noch art. 151d Gemeentewet noch de lokale APV (als uitwerking van art. 151d Gemeentewet) een zelfstandige grondslag vormen voor een waarschuwing als onderdeel van een sanctieregime, is de gegeven waarschuwing volgens de Afdeling geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Vervolgens is het de vraag of de waarschuwing voor de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld moet worden. Voor het antwoord op die vraag kan in het midden worden gelaten of de waarschuwing is gebaseerd op een beleidsregel of dat sprake is van een informele waarschuwing; uit de met de Afdelingsuitspraak van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3484) onderschreven conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:249) volgt namelijk voor beide gevallen dat dergelijke waarschuwingen in drie situaties voor de rechtsbescherming met een besluit gelijk moeten worden gesteld, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Wanneer één van die situaties zich voordoet, kunnen waarschuwingen wel in rechte worden bestreden. Geen van de in de conclusie genoemde situaties doet zich in dit geval voor: de waarschuwing betreft geen concretisering van een wettelijke norm die alleen in rechte aan de orde kan worden gesteld door het riskeren van een bestraffende bestuurlijke sanctie., het gaat niet om een uitsluiting van een aanbestedingsprocedure en evenmin is sprake van een waarschuwing met zodanig langdurige gevolgen dat appellanten deze niet meer effectief kunnen bestrijden. Dit betekent dat de waarschuwing niet gelijkgesteld hoeft te worden met een besluit (vgl. de hiervoor aangehaalde Afdelingsuitspraak van 24 oktober 2018). 

Art. 6:19 Awb niet toepasbaar bij wijzigingsbesluit gebaseerd op aangevulde, meeromvattende aanvraag 

Uit de Afdelingsuitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1039) volgt dat de beslissing op een gewijzigde aanvraag die ten opzichte van de eerdere aanvraag een nieuwe activiteit omvat niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in art. 6:19, eerste lid, Awb. Bij de behandeling van het tegen een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonneveld gerichte hoger beroep stelt de Afdeling ambtshalve vast dat het bestreden besluit ziet op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’, ‘uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Wabo). Het nadien genomen besluit op basis van een daartoe strekkende aangevulde aanvraag heeft niet alleen betrekking op deze activiteiten, maar ook op de activiteit ‘houtopstand vellen of doen vellen’ (als bedoeld in art. 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, Wabo). Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het college met het tweede besluit niet op dezelfde aanvraag heeft beslist, maar op een gewijzigde aanvraag. Omdat de wijziging betrekking heeft op een nieuwe activiteit, is de wijziging volgens de Afdeling niet van ondergeschikte aard en kan het besluit tweede besluit niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 6:19, eerste lid, Awb. Gelet daarop is niet de Afdeling, maar de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het tegen dat tweede besluit ingestelde beroep. 

Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen bij kostenverhaalsbeschikking ook gronden worden aangevoerd tegen inmiddels onherroepelijk bestuursdwangbesluit

In haar uitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1042) oordeelt de Afdeling dat in de procedure tegen de kostenverhaalsbeschikking in dit geval geen gronden naar voren kunnen worden gebracht die zien op de rechtmatigheid van de inmiddels onherroepelijke last onder bestuursdwang. Na het aantreffen van een laboratorium voor de productie van de drug metamfetamine (crystal meth) heeft het college appellanten in hun hoedanigheid van eigenaar van het perceel gelast om de forse milieuvervuiling als gevolg daarvan – een overtreding van de art. 1a, eerste en tweede lid, Woningwet, art. 13 Wet bodembescherming en art. 1.1a en art. 10.1, eerste lid, jo. art. 10.37 en art.10.38 Wet milieubeheer - te beperken en ongedaan te maken. Omdat appellanten niet aan de lastgeving hebben voldaan, heeft het college zelf maatregelen getroffen om verdere verspreiding te voorkomen en de reeds ontstane vervuiling te verwijderen. Appellanten komen op tegen de beschikking waarmee het college de daarmee gepaard gaande kosten op hen wil verhalen. Zij betogen in dit verband dat zij niet als overtreders kunnen worden aangemerkt. De Afdeling overweegt dat de lasten onder bestuursdwang inmiddels onherroepelijk zijn en een belanghebbende in de procedure tegen de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer evident is dat betrokkene geen overtreder is (vgl. de Afdelingsuitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466). Daarvan is  volgens de Afdeling in dit geval geen sprake: hetgeen appellanten aanvoeren hadden zij naar voren moeten brengen tegen de last onder bestuursdwang, omdat (i) niet evident is dat art. 6, tweede lid, van het EVRM is geschonden vanwege de omstandigheid dat appellanten niet als verdachten zijn aangemerkt in de strafzaak over de productie van de drugs, maar wel als overtreders in deze bestuursrechtelijke procedure; en (ii) uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet evident blijkt dat zij geen overtreders zijn.

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs.