Signaleringsblog week 10: actuele jurisprudentie bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken van de afgelopen periode. 

Afdeling creëert ruimte voor provincies om rechtmatig af te kunnen zien van handhavend optreden tegen PAS-melders en geeft daarbij uitgebreid voorlichting over het belang van een ‘goede procesorde’ in verband met laat ingediende stukken 

In drie uitspraken van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:838ECLI:NL:RVS:2024:844 en ECLI:NL:RVS:2024:852) oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) dat Gedeputeerde Staten (“GS”) tot medio 2025 ruimte hebben om af te zien van handhavend optreden tegen zogenoemde PAS-melders. De Afdeling grijpt deze drie uitspraken ook aan om een duidelijk signaal af te geven over het belang van een ‘goede procesorde’ bij de beoordeling van geschillen. 

PAS-melders zijn in de nabijheid van Natura 20000-gebieden gelegen bedrijven die met hun activiteiten stikstof uitstoten zonder te beschikken over de daarvoor vereiste natuurvergunning. Omdat deze activiteiten in het verleden op grond van het Programma Aanpak Stikstof (“PAS”) waren uitgezonderd van de vergunningplicht van art. 2.7 Wet natuurbescherming (“Wnb”), was het destijds voldoende om het starten, wijzigen of uitbreiden van stikstofveroorzakende activiteiten bij het bevoegd gezag te melden. Als gevolg van de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603), waarin het PAS wegens strijd met de Habitatrichtlijn onverbindend is verklaard, is voor deze activiteiten alsnog een natuurvergunning vereist. Omdat die vergunning vanwege de gevolgen voor de natuur op dit moment niet kan worden verleend, handelen de betreffende PAS-melders strikt genomen in strijd met de wet. Ook ziet GS zich met enige regelmaat geconfronteerd met daartegen gerichte verzoeken om handhaving. 

De Afdeling overweegt dat de landelijke en provinciale overheid streeft naar legalisatie van de bedrijfsactiviteiten van de PAS-melders op basis van een op 28 februari 2022 vastgesteld programma dat zijn grondslag vindt in art. 1.13a Wnb. Hoewel diverse PAS-melders inmiddels de eerste stappen van dit legaliseringsprogramma hebben doorlopen, is dit naar het oordeel van Afdeling, gelet de nog te ondernemen verdere stappen in het programma, onvoldoende om in het licht van de beginselplicht tot handhaving concreet zicht op legalisatie aan te nemen. De Afdeling ziet echter in (1) de individuele belangen van de PAS-melders, (2) de rechtszekerheid die PAS-melders aan het PAS-regime mochten ontlenen, (3) de verschillende uitlatingen van de overheid na de PAS-uitspraak dat PAS-melders zullen worden gelegaliseerd, (4) het legalisatieprogramma dat ervan uitgaat dat medio 2025 alle PAS-melders een natuurvergunning kunnen aanvragen, en (5) het feit dat het legalisatieprogramma in uitvoering is en de bedrijven daarin de mogelijke stappen hebben ondernomen, bijzondere omstandigheden die voor GS aanleiding kunnen zijn om handhavend optreden tot medio 2025 onevenredig te achten in verhouding tot het natuurbelang. Of daadwerkelijk kan worden afgezien van handhavend optreden, kunnen GS pas beoordelen na beantwoording van de vraag of er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en het natuurbelang.  Daartoe moeten GS de natuurgevolgen bij niet handhavend optreden in beeld brengen en afwegen voor tenminste dezelfde periode, dus tot uiterlijk medio 2025. Aan het natuurbelang kan in die afweging tegemoet worden gekomen door het treffen van maatregelen die ten minste gelden tot medio 2025. Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde stikstofveroorzakende activiteiten stoppen, moet vaststaan dat in die periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen niet kunnen worden hervat.

Bij de beoordeling van de drie geschillen, waarin GS hebben afgezien van handhavend optreden, benadrukt de Afdeling het belang van een goede procesorde. De Afdeling overweegt dat uit vaste Afdelingsrechtspraak volgt dat ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten kunnen worden aangevoerd en stukken ingediend ter motivering van een eerdere beroepsgrond, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Bij het indienen van nadere stukken is de in art. 8:58 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) genoemde termijn van tien dagen voor de zitting van belang, maar niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Strijd met de goede procesorde doet zich volgens de Afdeling voor als (i) nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daar adequaat op te reageren, (ii) de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of (iii) de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. Daarnaast, zo overweegt de Afdeling, wordt ook de mogelijkheid om na afloop van de beroepstermijn (en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in art. 6:6 Awb) nieuwe gronden in te dienen begrensd door de goede procesorde: de goede procesorde laat het indienen van een nieuwe beroepsgrond niet toe als andere partijen onvoldoende op die beroepsgrond kunnen reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Toegepast op de voorliggende zaken oordeelt de Afdeling dat bepaalde stukken, voor zover deze geen nadere argumenten of gegevens bevatten voor eerder gegeven standpunten, buiten beschouwing moeten worden gelaten: hoewel ingediend buiten de wettelijke termijn van tien dagen, zijn de nadere stukken volgens de Afdeling zodanig omvangrijk en complex dat een zinvolle bespreking ervan op de geplande zitting niet mogelijk is. 

Afdeling verduidelijkt bewijsregels rondom gebruik gebrekkig deskundigenadvies

In haar uitspraak van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:821) oordeelt de Afdeling dat een advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (“StAB”) dusdanige gebreken vertoont, dat dit niet ten grondslag kon worden gelegd aan het oordeel van de rechtbank bij de berechting van een geschil over de naleving van Arbo-wetgeving. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had aan een bouwbedrijf (“appellante”) een eis tot naleving van het Arbo-besluit opgelegd. Die eis zag toe op het toepassen van een veilige werkmethode bij het op de bouwlocatie plaatsen, koppelen, aansluiten en afmonteren van prefab bouwonderdelen (modulaire bouwelementen). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de werkmethode die appellante toepast ter vermijding van valgevaar van haar werknemers bij het werken op hoogte in overeenstemming is met het Arbo-besluit. In beroep had de rechtbank het daartoe uitgebrachte StAB-advies gevolgd en geconcludeerd dat de minister de eis terecht had opgelegd: appellante zou met de door haar toegepaste werkmethode geen juiste invulling hebben gegeven aan de uitzonderingsbepaling van art. 3.16, vijfde lid, Arbobesluit. Dit artikellid biedt een werkgever ruimte om gemotiveerd te kiezen voor een andere dan de in art. 3.16, eerste lid, Arbobesluit voorgeschreven beveiligingsmethode. In hoger beroep staat de vraag centraal of de rechtbank het StAB-advies wel onverkort mocht volgen. De Afdeling overweegt allereerst dat als de werkgever zich beroept op een van de uitzonderingen van art. 3.16, vijfde lid, Arbobesluit, het vervolgens aan hem is om te motiveren dat daarvan sprake is. Hij moet dan aannemelijk maken dat het aanbrengen van voorzieningen zoals genoemd in het eerste lid niet mogelijk is of dat het aanbrengen van deze voorzieningen, in de gegeven omstandigheden, grotere gevaren voor de werknemers oplevert dan de arbeid ter beveiliging waarvan de voorziening dient. Daarbij wordt van de werkgever verwacht dat hij, bijvoorbeeld door middel van een risico-inventarisatie, onderzoekt of gebruik kan worden gemaakt van de in het eerste lid genoemde voorzieningen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2875). In het geval de minister van oordeel is dat de werkgever dit niet aannemelijk heeft gemaakt dan moet hij, in het licht van wat de werkgever aanvoert, bewijzen dat niet is voldaan aan wat het Arbobesluit voorschrijft in het kader van het voorkomen van valgevaar. Daarbij moet hij ook rekening houden met specifiek voor de branche ontwikkelde werkwijzen, praktijken en normen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2226). De Afdeling overweegt, ten tweede, dat de bestuursrechter mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in art. 8:47 Awb, tenzij dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96). Mede aan de hand van door appellante opgestelde deskundigenrapporten concludeert de Afdeling dat het StAB-advies gebreken bevat ten aanzien van de toegepaste rekenmethode (ter bepaling of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 3.16, vijfde lid, Arbobesluit) en de beoordeling of met de alternatieve werkmethode op een goede manier invulling is gegeven aan de in art. 3.16, vijfde lid, Arbobesluit neergelegde nalevingseis. Gelet op deze gebreken mocht de rechtbank het StAB-advies niet ten grondslag leggen aan haar oordeel dat de uitzondering van artikel 3.16, vijfde lid, Arbobesluit in dit geval niet van toepassing is, aldus de Afdeling. 

Bewijslastverdeling bij bepalen referentiesituatie natuurvergunning (Wnb): in hoeverre mogen GS rekening houden met eerder verleende, maar mogelijk vervallen milieuvergunning? 

De Afdeling oordeelt in de uitspraak  van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:853) dat GS bij het verlenen van een op de Wnb gebaseerde natuurvergunning niet verplicht zijn om ambtshalve onderzoek te verrichten naar de vraag of een eerder verleende milieuvergunning eventueel is komen te vervallen (als bedoeld in art. 8.18 Wet milieubeheer, “Wm”) als concrete aanwijzingen daarvoor ontbreken. Het is daarom primair aan appellanten om feiten en omstandigheden aan te voeren die een begin van bewijs opleveren voor de juistheid van de stelling dat de milieuvergunning voor de veehouderij gedeeltelijk is vervallen. Als zo’n begin van bewijs is geleverd, dan komt de bewijslast van het tegendeel bij GS te liggen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 16 maart 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:901). De Afdeling overweegt dat uit vaste Afdelingsrechtspraak volgt dat voor het antwoord op de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een vergelijking wordt gemaakt van de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. De referentiesituatie wordt bij het ontbreken van een natuurvergunning in beginsel ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. De Afdeling stelt vast dat op grond van het destijds geldende art. 8.18 Wm een milieuvergunning van rechtswege verviel, als de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, was voltooid en in werking gebracht. Appellanten hebben in dit geval aan de hand van luchtfoto’s een begin van bewijs geleverd voor de juistheid van de stelling dat de vergunde inrichting pas (ruim) na de driejarentermijn is gerealiseerd en dat de milieuvergunning dus is vervallen. GS hebben vervolgens onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de inrichting binnen de driejarenperiode is voltooid en in werking gebracht. Nu evenmin uit de milieuvergunning kan worden afgeleid dat het aantal vergunde dieren binnen de reeds aanwezige stalruimte kon worden gehouden, concludeert de Afdeling dat GS onvoldoende hebben gemotiveerd dat bij de beoordeling van de referentiesituatie mocht worden uitgegaan van de bedrijfssituatie, zoals die was vergund met de milieuvergunning.

Mag een bestuursorgaan een aanvraag omgevingsvergunning voor een vergunningvrije bouwactiviteit ‘buiten behandeling stellen’? 

Hoe dient een bestuursorgaan te reageren op een aanvraag omgevingsvergunning voor een vergunningvrije activiteit? De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt in haar uitspraak van 13 februari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:640) dat in geval van het ontbreken van een bevoegdheid om een vergunning te verlenen voor een activiteit waarvoor geen vergunning nodig is, het bestuursorgaan de aanvraag behoort ‘af te wijzen’. In de rechtspraak wordt zo’n besluit ook wel aangeduid als een ‘positieve weigering’ (vgl. de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:131). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval daarom ten onrechte besloten de aanvraag niet te behandelen: zijn oordeel dat voor de aangevraagde activiteit geen vergunning nodig is, had moeten leiden tot het afwijzen van de aanvraag. De rechtbank overweegt dat het vragen van een vergunning voor een activiteit waarvan de aanvrager meent dat geen vergunning nodig is, tot doel heeft om vooruitlopend op het verrichten van die activiteit bij besluit rechtszekerheid te verkrijgen dat deze daadwerkelijk zonder vergunning kan worden verricht. Als het besluit op zo’n aanvraag het oordeel bevat dat geen vergunning nodig is en onherroepelijk wordt, heeft dat tot gevolg dat op een later moment een handhavingsbesluit in beginsel niet meer kan worden tegengeworpen aan degene die de activiteit overeenkomstig de ingediende aanvraag en het daarop genomen besluit verricht. Een dergelijk bestuurlijk rechtsoordeel over de vergunningplicht kwalificeert als een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356). Met het oog op de kenbaarheid voor derde-belanghebbenden wijst de rechtbank, los van deze casus, in dit verband op art. 16.64a Omgevingswet (“Ow”): met deze bepaling heeft de wetgever voor aanvragen ingediend op grond van de Ow verduidelijkt dat in geval het bestuursorgaan van oordeel is dat geen omgevingsvergunning nodig is, dit expliciet in de kennisgeving van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning moet worden vermeld. In de memorie van toelichting bij deze wetsbepaling is onder meer beschreven dat deze mededeling meer rechtszekerheid geeft voor andere belanghebbenden, zoals omwonenden. Door in de mededeling op te nemen dat geen omgevingsvergunning nodig is, kunnen zij beoordelen of het nodig is met het aanwenden van een rechtsmiddel op te komen tegen dat oordeel (Kamerstukken II 2017/18, 34 986, nr. 3, p. 272). 

Redelijke toepassing art. 4:17 Awb bij meervoudige aanvraag: indien voldaan is aan ‘samenhang-criterium’, verbeurt bestuursorgaan slechts één dwangsom wegens niet tijdig beslissen  

Uit de Afdelingsuitspraak van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:818) volgt dat een redelijke uitleg van art. 4:17 Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan in geval van een succesvol beroep wegens het niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek dat op meerdere situaties ziet slechts eenmaal een dwangsom verbeurt, indien (i) het verzoek om handhaving is neergelegd in één verzoek dat (ii) ziet op dezelfde (vermeende) overtreding én (iii) voor alle te handhaven situaties identiek is geformuleerd. Aanleiding voor dit oordeel was een bij GS per brief ingediend handhavingsverzoek dat zag op 34 biomassacentrales die volgens een gelijkluidende formulering allen art. 2.7 Wnb zouden overtreden. Niet in geschil was dat het GS voor wat betreft 17 biomassacentrales niet tijdig op het handhavingsverzoek hadden beslist. De Afdeling overweegt dat uit vaste rechtspraak (vgl. de Afdelingsuitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1746) volgt dat in beginsel per niet tijdig genomen besluit een dwangsom verschuldigd is, tenzij zich de situatie voordoet waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van art. 4:17 Awb met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Gelet op de vastgestelde samenhang in deze zaak – één identiek geformuleerd verzoek voor alle biomassacentrale terzake van dezelfde (vermeende) overtreding – oordeelt de Afdeling dat een redelijke toepassing van art. 4:17 Awb met zich brengt dat in dit geval slechts één dwangsom is verbeurd. Dat het om verschillende biomassacentrales gaat op verschillende locaties, doet aan die samenhang niet af, net zomin als de omstandigheid dat het college het verzoek om handhaving uiteindelijk niet in één besluit, maar in verschillende deelbesluiten heeft afgedaan. Ook de omstandigheid dat de verzoeker om handhaving om proceseconomische redenen ervoor heeft gekozen om één handhavingsverzoek, één ingebrekestelling en één bezwaar in te dienen, doet niet af aan de hiervoor weergegeven samenhang en leidt daarom ook niet tot een ander oordeel, aldus de Afdeling. 

Bestuursorgaan mag onder omstandigheden planologische medewerking weigeren, als onvoldoende gehoor is gegeven aan verplichting om draagvlakonderzoek onder omwonenden te verrichten  

De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:851) dat het op grond van gemeentelijk beleid niet behoorlijk nakomen van (specifieke) verplichtingen om omwonenden te informeren over de beoogde nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voor het bestuursorgaan reden kan zijn om de gevraagde planologische medewerking niet te verlenen. Aanleiding voor dit oordeel is een geschil over een verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk en in afwijking van het bestemmingsplan op een camping huisvesten van ongeveer 340 seizoenarbeiders. Op het geschil is op grond van overgangsrecht de Wet algemene bepalingen (“Wabo”) van toepassing. Ter discussie staat onder meer of de initiatiefnemer voldoende draagvlakonderzoek onder omwonenden heeft verricht. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2569), dat het ontbreken van maatschappelijk draagvlak onder omwonenden niet betekent dat een omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit neemt volgens de Afdeling echter niet weg dat op grond van gemeentelijk beleid van een initiatiefnemer (specifieke) inspanningen kunnen worden verlangd ter verwerving of vergroting van het maatschappelijk draagvlak. Omdat het college in dit geval aan de hand van twee gespreksverslagen aannemelijk heeft gemaakt dat in dit verband voldoende inspanningen zijn verricht, treft de aangevoerde beroepsgrond geen doel.   

Toepassing extern salderen bij verlenen natuurvergunning vergt ook bij particuliere projecten uitgebreide motiverings- en vergewisplicht 

In twee uitspraken van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:831 en ECLI:NL:RVS:2024:834) gaat de Afdeling in nagenoeg gelijke bewoordingen nader in op motiverings- en vergewisplicht in geval van extern salderen bij particuliere projecten. In beide zaken hebben GS op basis van een onder het regime van de Wet natuurbescherming opgestelde passende beoordeling een natuurvergunning verleend voor de nieuwvestiging respectievelijk verplaatsing van een veehouderij. Daarbij hebben GS overwogen dat de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden na extern salderen niet toeneemt: de toename van stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde activiteiten worden extern gesaldeerd met de afname van stikstofdepositie als gevolg van de beëindiging van (saldo-gevende) agrarische activiteiten. GS hebben daartoe de milieutoestemming van de betreffende saldo-gevende bedrijven ten gunste van de aangevraagde activiteiten ingetrokken.  In hoger beroep ligt de vraag voor of de rechtbank, onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraken van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) en 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2318), ondanks deze directe samenhang tussen saldo-gevende en saldo-nemende activiteiten terecht heeft geoordeeld dat bij de inzet van extern salderen als mitigerende maatregel niet kan worden volstaan met (enkel) een vergelijking van de toe- en afname van stikstofdepositie. Volgens de rechtbank vergt de inzet van extern salderen namelijk een extra motivering, waarbij GS zich dient te vergewissen van (i) de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden, (ii) in hoeverre daarvoor herstel- en verbetervoorstellen gelden, in verband daarmee andere maatregelen (moeten) worden getroffen en (iii) wat daarvan het te verwachten resultaat is. 

De Afdeling overweegt allereerst dat zij in eerdere uitspraken heeft aanvaard dat onder voorwaarden externe saldering als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken. Een van die voorwaarden is dat er een directe samenhang moet bestaan tussen het voorgenomen project en de salderingsmaatregel, blijkend uit bijvoorbeeld een intrekkingsbesluit of een tussen de saldogever en de saldonemer gesloten overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie. De voorwaarde van directe samenhang waarborgt dat aldus vrijgekomen stikstofruimte slechts eenmaal wordt gebruikt voor externe saldering en daarmee als mitigerende maatregel op een juiste manier kan worden betrokken in een passende beoordeling. De Afdeling overweegt vervolgens in beide zaken dat het intrekken van de milieutoestemming van een saldo-gevend bedrijf naar zijn aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel. Uit de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) volgt - kort gezegd - dat een dergelijke maatregel in dat geval alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als, gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstelling, het behoud van natuurwaarden is geborgd of, in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. Bovendien dient de maatregel verbonden te zijn aan het plan of project (vgl. ook de Afdelingsuitspraken van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318 en 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627). De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze motiveringsplicht niet zou gelden voor projecten van particulieren. De motiveringsplicht is afgeleid uit het PAS-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882) en dit arrest noch art. 6, derde lid, Hrl en art. 2.8 Wnb bieden aanknopingspunten voor een uitleg dat aan een passende beoordeling voor particuliere projecten andere eisen kunnen worden gesteld dan aan een passende beoordeling voor overheidsprojecten, aldus de Afdeling. Dit betekent volgens de Afdeling dat, ongeacht op wiens initiatief (particulier of overheid) intrekking van de milieutoestemming voor een saldogevende activiteit tot stand komt, het bestuursorgaan ten tijde van de beslissing op de aangevraagde natuurvergunning moet onderbouwen waarom de via intrekking weggenomen stikstofdepositie op dat moment niet dient te worden aangewend als instandhoudings- of passende maatregel. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit voornoemde PAS-uitspraak dat de vereiste motivering moet zijn toegesneden op de instandhoudingsdoelstellingen en de staat van instandhouding van de habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor de externe saldering wordt toegepast en de maatregelen die worden ingezet om die instandhoudingsdoelstellingen te halen. Omdat deze doelen op gebiedsniveau worden vastgesteld en de staat van instandhouding per gebied wordt beoordeeld, betekent dit volgens de Afdeling dat de vraag of het behoud van de natuurwaarden is geborgd of dat de verbeter-of hersteldoelstellingen worden gerealiseerd ook op gebiedsniveau moet worden beantwoord. Voor de invulling van deze motiveringseis – een eis die volgens de Afdeling veelomvattend kan zijn, maar niet feitelijk onuitvoerbaar is - kunnen GS aansluiten bij de nadere uitwerking die de Afdeling daarvoor in de zogenoemde ‘GOL-uitspraken’ heeft gegeven: de eerste tussenuitspraak van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627 en de tweede tussenuitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625. De Afdeling concludeert dat de rechtbank, gelet op de PAS-uitspraak, niet te vergaande eisen stelt aan de vereiste motivering. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs.