Het vergeten verbod op publieke verwijzingen naar schuld

Article
NL Law

Het Openbaar Ministerie laat zich bijna op dagelijkse basis uit over verdachten in lopende strafzaken. Op tv, in kranten en op social media deelt het OM zijn visie op de schuld van verdachten met het publiek onder het mom van publieksvoorlichting en transparantie. Hierin gaat het OM steeds verder. 

Zo werd recent een uitgebreid persbericht voorzien van een video gedeeld op LinkedIn na afloop van de inhoudelijke behandeling in de strafzaak tegen de producenten van de Stint. Zonder enige terughoudendheid wordt verteld dat en waarom de verdachten schuldig zijn, terwijl de Rechtbank nog over de zaak moet oordelen. 

Het OM meent dat het is toegestaan om het requisitoir toe te lichten in de media na afloop van een rechtszaak. Dit is een misvatting. Wat het OM in de zittingszaal over verdachten mag zeggen, mag het buiten die zittingszaal niet. 

De alweer tien jaar oude Richtlijn 2016/343/EU betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld laat er geen misverstand over bestaan: in externe uitlatingen mag het OM niet de indruk wekken dat een verdachte schuldig is zolang zijn schuld niet onherroepelijk vaststaat. 

Geen ingewikkeld voorschrift, dat bovendien niet uit de lucht kwam vallen; de Europese wetgever codificeerde hiermee bestendige rechtspraak van het EHRM.

Het verbod op publieke verwijzingen naar schuld lijkt echter totaal uit beeld verdwenen te zijn. 

Zo is tekenend dat het niet voorkomt in de OM ‘Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging’ . Hierin wordt de “onschuldpresumptie” alleen genoemd als één van de “factoren” die in de belangenafweging over communicatie wordt betrokken. 

Dat is merkwaardig, want de onschuldpresumptie is geen belang dat kan worden afgewogen tegen andere belangen. Het is een grondrecht dat gerespecteerd moet worden.

Een recent arrest van het EHRM (de zaak Kaya tegen België) laat dat goed zien.   

In deze zaak had het Belgische OM zich in een interview met De Tijd over malafide koppelbazen en sociale zekerheidsfraude stevig uitgelaten over dit fenomeen en daarbij als voorbeeld Kaya genoemd. Kaya werd in het interview onder meer beschreven als een “gehaaide fraudeur”. Hij was op dat moment in eerste aanleg veroordeeld, maar de procedure in hoger beroep liep nog. Kaya diende hierover een klacht in bij het EHRM.

Het EHRM stelt bij zijn beoordeling voorop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen uitspraken van het OM in de rechtszaal en uitspraken van het OM in de pers. 

In de rechtszaal beperkt de onschuldpresumptie het OM niet; de rechtszaal is het forum waar het OM zich over de schuld van verdachten uitlaat. In de media is dat anders, aldus het EHRM. In zijn externe uitlatingen dient het OM – in het belang van de onschuldpresumptie – “terughoudend” en “voorzichtig” te zijn. Het OM mag het publiek niet aanzetten te geloven dat een verdachte schuldig is. Dit geldt ook, zo wordt benadrukt, in hoger beroep. 

Het EHRM concludeert dan ook dat de onschuldpresumptie uit artikel 6 lid 2 EVRM is geschonden.

Publieksvoorlichting is niet verboden, zolang de onschuldpresumptie gerespecteerd wordt. Dat gaat in de praktijk niet vaak goed. Alle reden dus om het verbod op publieke verwijzingen naar schuld in de schijnwerpers te zetten, want een requisitoir hoort niet in de media, maar in de zittingszaal.