De onschuldpresumptie stopt niet na een onherroepelijke uitspraak

Article
NL Law

Vrijgesproken, maar toch niet vrij van verdenking. Philou Tomassen bespreekt in deze blog dat de onschuldpresumptie ook na een vrijspraak of staking van vervolging onverminderd blijft gelden. Dit wordt in schadevergoedingsprocedures ten onrechte niet altijd gerespecteerd. 

Eerder dit jaar schreef mijn collega Jakoline Winkels over het verbod op publieke verwijzingen naar schuld in lopende strafzaken. Dat verbod vloeit voort uit de onschuldpresumptie: een fundamenteel beginsel in het strafrecht. Hetzelfde beginsel speelt evenzeer een belangrijke rol ná een strafzaak. In het geval van een vrijspraak of staking van vervolging mogen personen niet worden behandeld alsof zij in feite toch schuldig zouden zijn. Als geen veroordeling is gevolgd, blijft de onschuldpresumptie onverminderd van kracht.  

In de praktijk wordt de onschuldpresumptie niet altijd gerespecteerd in procedures over de vraag of een vrijgesproken verdachte aanspraak maakt op een schadevergoeding (art. 530 e.v. Sv). Dat bleek ook in de zaak van Koopmans. Op 21 april 2023 werd hij door het Gerechtshof Den Haag (onherroepelijk) vrijgesproken van alle feiten die aan hem ten laste waren gelegd.1 Daarna diende hij bij hetzelfde hof een verzoek in om schadevergoeding in verband met de ondergane voorlopige hechtenis en gemaakte advocaat- en proceskosten. Het hof wees het verzoek af, omdat toewijzing zich niet zou verhouden met de gronden van billijkheid (art. 534 Sv). Aan dat oordeel legde het hof ten grondslag dat de verdachte “laakbaar” zou hebben gehandeld en dat dit door “de wijze van ten laste leggen” niet tot een veroordeling had geleid. 

Rechters hebben vanwege de “billijkheidstoets” veel vrijheid bij de beslissingen over schadevergoedingsverzoeken. Ook artikel 6 lid 2 EVRM brengt niet mee dat een vrijspraak of staking van vervolging altijd leidt tot een volledige schadevergoeding. Een belangrijke grens is echter dat de beoordeling en de onderliggende motivering geen schending van de onschuldpresumptie mogen opleveren. Het taalgebruik van de rechter is, in de woorden van het EHRM, van cruciaal belang.2 Het is niet toegestaan dat in de uitspraak tot uitdrukking wordt gebracht dat de verdachte het strafbare feit toch wel zou hebben begaan, of dat het wel tot een bewezenverklaring was gekomen als de tenlastelegging was gewijzigd.3

Met name dat laatste speelt in de zaak van Koopmans. De overweging van het hof in die uitspraak leest alsof zij tot uitdrukking heeft willen brengen dat als het OM de tenlastelegging anders had ingestoken of geformuleerd, dit wél tot een veroordeling had geleid. Gelet op vaste rechtspraak van het EHRM en de HR is dat in strijd met de onschuldpresumptie. Het is niet toegestaan om een onherroepelijke vrijspraak opnieuw ter discussie te stellen.  

De zaak van Koopmans ligt inmiddels bij het EHRM.4 De Nederlandse Staat is nu eerst aan zet om toe te lichten of de uitspraak van het hof zich verhoudt met artikel 6 lid 2 EVRM. 

  • 1

    Gerechtshof Den Haag 21 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:737.

  • 2

    EHRM 30 juni 2025, nr. 34916/16 (Gomes Costa t. Portugal), rov. 106-111.  

  • 3

    EHRM 11 juni 2024, nr. 32483/19 en nr. 35049/19 (Nealon and Hallam t. Verenigd Koninkrijk), rov. 168 en HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526, rov. 2.10-2.14. 

  • 4

    EHRM 30 maart 2026, nr. 32183/24 (Koopmans t. Nederland).