Bij bevoegdheidsmisbruik geen schadevergoeding

Article
NL Law
Expertise

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 27 december 2023 geoordeeld dat als een procespartij misbruik van bevoegdheid maakt bij het indienen van een Wob-verzoek en daartegen vervolgens rechtsmiddelen aanwendt en het te lang duurt voordat de rechter op zijn (hoger) beroep beslist, deze procespartij geen recht heeft op schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM omdat die partij geen spanning en frustratie ondervindt die recht geeft op vergoeding van immateriële schade.

In deze uitspraak (ECLI:NL:RVS:2023:4723) ging het om een Wob-verzoek van Truck Care Amsterdam C.V. (TCA) naar aanleiding van een onjuist sanctiebesluit dat de Dienst Wegverkeer (RDW) had opgelegd aan TCA en dat inmiddels was ingetrokken. De oorzaak van het onjuiste sanctiebesluit lag in een programmafout in de apparatuur van de RDW. Ongeveer 1750 onjuiste sanctiebesluiten werden opgelegd in de periode november 2014 tot april 2015.  De minister van Justitie en Veiligheid heeft de informatie verstrekt. TCA vond dat meer informatie had moeten worden verstrekt en stelde rechtsmiddelen in. 

De Afdeling oordeelt dat TCA met het Wob-verzoek misbruik maakt van haar bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen omdat niet geloofwaardig is dat TCA de informatie nodig heeft voor de reden waarom zij de informatie verzocht, zodat een dergelijk verzoek niet strekt ter bevordering van een goede en democratische bestuursvoering. TCA had aangevoerd dat de informatie nodig was voor andere verkeersboetes en om een verzoek tot terugbetaling van griffierechten te onderbouwen. Voor andere verkeersboetes is de informatie niet nodig, omdat TCA die in een procedure tegen die boetes kan krijgen. Bovendien bleek dat TCA geen griffierechten behoefde te betalen omdat betalingsonmacht was uitgesproken. De Afdeling onderbouwt ook nog dat er een patroon is waarbij TCA veelvuldig procedures voert, dat erop gericht is om geld te verdienen aan procedures, in plaats van de beoordeling van de inhoud van de besluitvorming.

Omdat vaststaat dat TCA misbruik van haar bevoegdheid maakt, heeft zij ook geen recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen. De rechtbank had binnen ongeveer een jaar en drie maanden na instellen van beroep uitspraak gedaan, maar de Afdeling had ruim drieënhalf jaar gedaan over de uitspraak. Uiteindelijk was de redelijke termijn van vier jaar na het indienen van een bezwaarschrift overschreden. TCA had dus in beginsel recht op schadevergoeding. De Afdeling verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Pizzati tegen Italië, waaruit volgt dat bij termijnoverschrijding spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. De Afdeling oordeelt dat indien een beroep niet ontvankelijk wordt verklaard wegens misbruik van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, in beginsel geen spanning en frustratie bestaat die recht geeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Onduidelijk is of de Afdeling dit als een bijzondere omstandigheid ziet zoals bedoeld in het Pizzati-arrest of dat er zonder meer geen recht is op vergoeding. Daarnaast beperkt de Afdeling deze uitspraak tot het misbruik maken van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, maar wij denken dat deze uitspraak ook zal gelden voor andere gevallen waarin een beroep wegens misbruik van bevoegdheid niet ontvankelijk wordt verklaard.

Dit bericht is ook verschenen op mr-online.nl.