Articles

Het Schone Lucht Akkoord en strengere emissiegrenswaarden: een juridische kloof tussen ambitie en realisatie

Het Schone Lucht Akkoord en strengere emissiegrenswaarden: een juridische kloof tussen ambitie en realisatie

Het Schone Lucht Akkoord en strengere emissiegrenswaarden: een juridische kloof tussen ambitie en realisatie

12.08.2022 NL law

De rijksoverheid, alle provincies en een groot aantal gemeenten hebben het op 13 januari 2020 gesloten Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend.

Deze partijen streven naar het permanent verbeteren van de Nederlandse luchtkwaliteit door de uitstoot van stikstofdioxide en fijnstof te verminderen. Het concrete doel van het SLA is om in 2030 gemiddeld minimaal 50% gezondheidswinst uit binnenlandse bronnen te realiseren ten opzichte van 2016. Om dat doel te bereiken werken de partijen toe naar de in 2005 door de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna: WHO) vastgestelde advieswaarden voor 2030 voor deze stoffen. Overigens met de afspraak dat nakoming van deze afspraken niet in rechte afdwingbaar is.

Wel bevat het SLA per sector ((weg)verkeer, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens) maatregelen die nadere uitwerking vergen. De Uitvoeringsagenda SLA 2021-2023 (hierna: Uitvoeringsagenda) concretiseert hoe de deelnemende partijen de afspraken uit het SLA zullen uitvoeren.

Op 26 maart 2021 is de Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2021-2023 door staatssecretaris Van Veldhoven naar de Tweede Kamer gestuurd. In dit artikel analyseren Anna Collignon en Jelmer Ypinga de maatregelen die volgens het SLA en de Uitvoeringsagenda getroffen (moeten) worden voor de sector industrie.

Deze maatregelen zijn onderverdeeld in zes sporen en zijn onder meer gericht op vergunningverlening, handhaving, adviseren over toepassing van BBT en internationale inzet.  Anna Collignon en Jelmer Ypinga focussen zich in deze bijdrage op de maatregelen inzake vergunningverlening, meer specifiek op de SLA-maatregelen 1 en 2 om ‘zo scherp mogelijke voorschriften’ aan de onderkant van de BBT-range te verbinden aan bestaande en nieuwe omgevingsvergunningen voor milieu.

Anna Collignon en Jelmer Ypinga beperken zich daarbij tot activiteiten met IPPC-installaties waarop BBT-conclusies van toepassing zijn.

Tot slot gaan Anna Collignon en Jelmer Ypinga ook in op het in dit kader gegeven advies van KokxDeVoogd, dat is geschreven door Borgers en Molendijk.

Lees de volledige bijdrage hier.

Auteur: Anna Collignon en Jelmer Ypinga

Bron: Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2021

Publicatiedatum: december 2021

Team

Related news

30.09.2022 NL law
FAQ: Bodembeschermingsrecht

Articles - Bij de verkoop van vastgoed en grond speelt de status van de bodem vaak een grote rol. Kopers willen graag weten of er sprake is van bodemverontreiniging en zo ja, wie verantwoordelijk is voor het saneren ervan. In dit blogbericht wordt in FAQ-vorm besproken wat er juridisch gezien geldt voor de bescherming van de bodem.

Read more

28.09.2022 NL law
Europees Handvest. Termijnoverschrijding IND Asielzaak. Onverbindendheid tijdelijke wet

Articles - De overheid zal (wederom) dwangsommen moeten betalen indien de IND niet binnen de termijn op asielaanvragen beslist. De rechtbank Den Haag heeft namelijk tweemaal artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND onverbindend verklaard. Zie Rb. Den Haag 24 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2641 en Rb. Den Haag 22 april 2022, ECLI:RBDHA:2022:3776.

Read more