Short Reads

Verzendtheorie voor bezwaar- en beroepschriften niet langer houdbaar na arrest Hof van Justitie?

Verzendtheorie voor bezwaar- en beroepschriften niet langer houdbaar

Verzendtheorie voor bezwaar- en beroepschriften niet langer houdbaar na arrest Hof van Justitie?

03.10.2019 NL law

Uit een arrest van het Europese Hof van Justitie van begin dit jaar volgt dat het lidstaten in beginsel niet is toegestaan één postdienst aan te wijzen waarmee processtukken tijdig kunnen worden ingediend. Voor Nederland heeft dit arrest mogelijk tot gevolg dat de verzendtheorie en de invulling daarvan door de bestuursrechter niet langer houdbaar is, zoals de rechtbank Den Haag onlangs ook oordeelde. In dit blogbericht staan wij stil bij deze jurisprudentie en de gevolgen daarvan voor de praktijk.

Uit een arrest van het Europese Hof van Justitie van begin dit jaar volgt dat het lidstaten in beginsel niet is toegestaan één postdienst aan te wijzen waarmee processtukken tijdig kunnen worden ingediend. Voor Nederland heeft dit arrest mogelijk tot gevolg dat de verzendtheorie en de invulling daarvan door de bestuursrechter niet langer houdbaar is, zoals de rechtbank Den Haag onlangs ook oordeelde. In dit blogbericht staan wij stil bij deze jurisprudentie en de gevolgen daarvan voor de praktijk.

Tijdig verzenden van processtukken: ontvangst- en verzendtheorie (artikel 6:9 Awb)

Het Nederlandse bestuursrecht hanteert als uitgangspunt de ontvangsttheorie. Dat betekent dat een bezwaar- of (hoger)beroepschrift in ieder geval op tijd is ingediend indien het voor het einde van de termijn (24:00 uur op de laatste dag) is ontvangen (art. 6:9 lid 1 Awb). Het is aan de verzender om aannemelijk te maken dat het stuk tijdig is ontvangen, bijvoorbeeld door middel van een ontvangstbevestiging per fax of per e-mail. De ontvangsttheorie is met name relevant voor het verzenden van stukken op een andere manier dan per post met PostNL.

Voor verzending per post geldt namelijk aanvullend de verzendtheorie. Dit houdt in dat, indien het bezwaar- of (hoger)beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (in een brievenbus of bij het postkantoor) én het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, het stuk toch tijdig is ingediend (art. 6:9 lid 2 Awb). Voorwaarde is echter wel dat voor verzending met PostNL (de concessiehouder) wordt gekozen. Sinds jaar en dag geldt op grond van vaste jurisprudentie dat de terpostbezorging plaatsvindt op het moment dat een poststuk in een brievenbus van PostNL wordt gedeponeerd dan wel het moment waarop het op een postvestiging van PostNL wordt aangeboden (zie bijv. ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:157). De datumstempel van PostNL moet als uitgangspunt worden genomen voor de datum waarop het stuk ter post is bezorgd (zie ook ter achtergrond de parlementaire geschiedenis van de Awb: Kamerstukken II 1988/89, 21221, A, p. 74-75).

Hof van Justitie: Poolse verzendtheorie strijdig met Unierecht

Op 27 maart 2019 heeft het Hof van Justitie prejudiciële vragen beantwoord, gesteld door de Sąd Najwyższy (de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken van Polen) in het kader van een procedure tussen een Poolse burger, de heer Pawlak, en de voorzitter van Kasa Rolniczego Ubezpieczenia Społecznego (het Poolse socialezekerheidsfonds voor de landbouw, "KRUS").

In de nationale procedure speelde het volgende. De heer Pawlak had aan de KRUS schadevergoeding gevraagd nadat hij een arbeidsongeval had gehad. Omdat hij het niet eens was met de beslissing van de voorzitter van de KRUS, had hij daartegen beroep ingesteld, en met succes. Vervolgens wilde de voorzitter van de KRUS hoger beroep instellen tegen de rechtbankuitspraak, maar het beroepschrift werd twee dagen na het verstrijken van de termijn ontvangen. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat, ondanks dat het processtuk op de laatste dag van de beroepstermijn was afgestempeld door de postdienst, Polen de nationale regeling kent dat enkel de indiening van een processtuk bij de aangewezen aanbieder (de universele dienst) gelijkstelt met de indiening van het stuk bij de betrokken rechterlijke instantie. Tegen dat oordeel heeft de KRUS cassatieberoep ingesteld. De cassatierechter Sąd Najwyższy heeft vervolgens in een prejudiciële procedure aan het Hof van Justitie (kort gezegd) gevraagd of deze Poolse verzendtheorie in strijd is met de Europese Postrichtlijn (97/67/EG, laatst gewijzigd bij Richtlijn 2008/6/EG).

Het Hof van Justitie beantwoordde deze vraag bevestigend. De Postrichtlijn heeft tot doel om de interne markt voor postdiensten te verwezenlijken en om een einde te maken aan het handhaven van een voorbehouden sector en bijzondere rechten als middel om de financiering van de universele dienst te verzekeren. Het toekennen van een exclusief of bijzonder recht aan de universele dienst, zoals het geval bij de Poolse verzendtheorie, zou in strijd zijn met deze doelstellingen. Hier doet niet aan af dat in Polen de geografische dekking van de dienst van aangetekende zendingen door de verschillende aanbieders zeer uiteenlopend is en dat er dus een belang bestaat dat voor alle zendingen van processtukken aan rechterlijke instanties hetzelfde niveau van waarborg wordt geboden wat de veiligheid van zendingen betreft en de termijnen waarbinnen deze zendingen bij de rechterlijke instanties worden afgegeven, zoals de Poolse regering tijdens de zitting heeft aangevoerd. Het Hof van Justitie oordeelt dat nu de andere aanbieders op basis van de Poolse wetgeving eveneens gemachtigd zijn om voor rechterlijke instanties bestemde processtukken te vervoeren en te bezorgen, zij geacht worden te beschikken over de nodige organisatorische middelen en het nodige personeel om dit te doen.

Het Hof van Justitie komt tot de conclusie dat de Postrichtlijn zich verzet tegen de nationale regeling die, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging wegens redenen van openbare orde of openbare veiligheid bestaat, alleen de afgifte van een processtuk in een postkantoor van de enige voor de universele postdienst aangewezen aanbieder erkent als gelijkwaardig aan de indiening van het processtuk bij de betrokken rechterlijke instantie.

Betekenis voor het Nederlandse bestuursrecht

Zoals hiervoor uiteengezet, kent het Nederlandse bestuursrecht een met het Poolse recht vergelijkbare verzendtheorie, namelijk dat een processtuk als tijdig ingediend wordt aangemerkt indien het voor het einde van de termijn is afgestempeld door PostNL en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De rechtbank Den Haag heeft onlangs een uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2019:8610) gedaan waaruit volgt dat ook deze Nederlandse verzendtheorie niet langer houdbaar is. In die procedure was het beroepschrift van eiser vijf dagen na afloop van de beroepstermijn ontvangen, maar blijkens de datumstempel twee dagen vóór afloop van die termijn op de post was gedaan – echter niet met PostNL maar een andere aanbieder. Onder verwijzing naar het hiervoor besproken arrest van het Hof van Justitie overweegt de rechtbank dat het niet is toegestaan om zonder goede reden slechts één postdienst aan te wijzen waarmee beroepen op deze wijze op tijd kunnen worden ingediend en dat de rechtbank daarom voorbij gaat aan de vaste jurisprudentie van onder meer de Afdeling.

Wat betekent dit nou in praktische zin? Wat ons betreft hoeft er geen wetswijziging van de Awb plaats te vinden, nu in artikel 6:9 lid 2 Awb PostNL niet is aangewezen als enige dienstverlener waarvoor de verzendtheorie geldt. De vaste jurisprudentie met betrekking tot dit artikellid behoeft wel enige aanpassing, namelijk in die zin dat ook de datumstempel van een andere postdienstverlener geldt als uitgangspunt voor de datum waarop een processtuk ter post is bezorgd. De rechtbank Den Haag heeft daar terecht  het voortouw in genomen. Daarbij moet het wel gaan om betrouwbare postdiensten, omdat er anders wel een rechtvaardiging kan bestaan een postdienst toch uit te zonderen van het 'privilege' van art. 6:9 lid 2 Awb.

Team

Related news

20.05.2020 NL law
Stibbe in Amsterdam answers questions from consumers, small business foundations and NGOs about the coronavirus [updated]

Inside Stibbe - In a special Q&A (in Dutch), lawyers from our Amsterdam office share their legal expertise and strive to provide answers to questions put to us by consumers, self-employed persons, enterprises large and small, foundations and NGOs as a result of the corona crisis.

Read more

13.05.2020 NL law
FAQ: bestuurlijk rechtsoordeel – de mogelijkheden tot bezwaar en beroep en de consequenties van een vernietiging

Short Reads - Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het besluitbegrip bepalend voor de toegang tot de bestuursrechter. Handelingen van bestuursorganen die geen besluit zijn, kunnen niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Denk bijvoorbeeld aan het handelen van de overheid als contractspartij of het handelen van de overheid dat slechts feitelijk van aard is.

Read more

14.05.2020 NL law
Wijziging NOW: voorafgaande instemming over openbaarmaking in NOW op gespannen voet met de Awb en de Wob

Short Reads - Op 2 april 2020 is de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (“NOW”) in werking getreden. De regeling is snel tot stand gekomen als maatregel tegen de nadelige gevolgen van de corona-crisis. In de praktijk bleek dat de regeling onvolkomenheden bevat en wijzigingen en aanvullingen nodig zijn. Op 4 mei 2020 is een regeling tot wijziging van de NOW gepubliceerd in de Staatscourant.

Read more

13.05.2020 NL law
Bij zeer locatiespecifieke omstandigheden doorbreekt de goede ruimtelijke ordening het exclusieve toetsingskader van titel 5.2 Wet milieubeheer voor luchtkwaliteit

Short Reads - Titel 5.2 Wm bepaalt dat bij het nemen van een groot aantal ruimtelijke ordeningsbesluiten en besluiten tot verlening van omgevingsvergunningen voor milieu de grenswaarden opgenomen in bijlage 2 Wm in acht moeten worden genomen. Afgevraagd kan dan worden of bij het nemen van ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, de goede ruimtelijke ordening (waaronder het aanvaardbaar woon- en leefklimaat) een aanvullende toets kan vergen als dat besluit voldoet aan titel 5.2 Wm.

Read more

13.05.2020 NL law
Een klein jaar na de PAS-uitspraken: wanneer zijn stikstofrelevante activiteiten toelaatbaar?

Short Reads - Ontwikkelingen in de rechtspraak hebben niet stil gestaan sinds de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) eind mei 2019 de bekende PAS-uitspraken deed. De Afdeling heeft in een aantal belangwekkende uitspraken enige lijnen uitgezet. In dit blogbericht zetten wij een aantal uitspraken op een rij. Daarbij richten wij ons op de vraag wanneer stikstofrelevante activiteiten na de PAS-uitspraken toelaatbaar zijn.

Read more

This website uses cookies. Some of these cookies are essential for the technical functioning of our website and you cannot disable these cookies if you want to read our website. We also use functional cookies to ensure the website functions properly and analytical cookies to personalise content and to analyse our traffic. You can either accept or refuse these functional and analytical cookies.

Privacy – en cookieverklaring