Articles

Verenigbaarheid Verbod op verkoop met verlies met europees recht[1]

Verenigbaarheid Verbod op verkoop met verlies met europees recht

Verenigbaarheid Verbod op verkoop met verlies met europees recht[1]

11.01.2017 BE law

In zijn arrest van 7 maart 2013[2],  had het Hof van Justitie vastgesteld dat een algemeen verbod op verkoop met verlies, zoals opgenomen in het oude artikel 101 van de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (‘WMPC’), en voor zover zulk verbod de bescherming van de consument beoogt, onverenigbaar is met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken[3]

In de nasleep hiervan oordeelde het Hof van Cassatie vooreerst dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 101 WMPC blijkt dat de wetgever beoogde naast de economische belangen van concurrenten ook de consumenten te beschermen. Hierdoor valt voormeld verbod onder het toepassingsgebied van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, waarvan enkel regelgevingen die uitsluitend de economische belangen van concurrenten beperken, uitgesloten zijn. Gezien het verbod op verkoop met verlies in het oude artikel 101 WMPC als algemeen en ongenuanceerd verbod strenger is dan wat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken voorschrijft, kan het geen toepassing vinden volgens het Hof.

Daarmee is het debat over de onwettigheid van het verbod op verkoop met verlies uit de wet marktpraktijken 2010 definitief van de baan. De vraag kan gesteld worden of deze rechtspraak ook de toepasbaarheid van het nieuwe verbod op verkoop met verlies in artikel VI.116 Wetboek Economisch Recht (‘WER’) aantast. De wetgever heeft geprobeerd die onwettigheid te vermijden door in de tekst van de wet de vermeldingen ‘[t]eneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen’ toe te voegen om aldus te benadrukken dat het artikel de bescherming van de concurrenten beoogt, en niet van de consumenten. Of dat zal helpen, zal wellicht het voorwerp van nieuwe procedures moeten uitmaken. Of dat in het belang van de ondernemingen en consumenten is al de toekomst uitwijzen.

Voetnoten:

  1. Hof van Cassatie, 16 september 2016, C.15.0116.N.
  2. Arrest van 7 maart 2013, Euronics Belgium C-343/12, EU:C:2013:154, beschikbaar op http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=135321&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=362096.
  3. Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (‘Richtlijn oneerlijke handelspraktijken’), OJ 2005 L 149/22, beschikbaar op http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2005:149:0022:0039:nl:PDF.

Related news

26.04.2021 BE law
L’appropriation frauduleuse de listes de clients à des fins de détournement de clientèle constitue une pratique commerciale déloyale et une violation du secret d’affaires

Articles - La Cour d’appel de Gand a jugé que l’appropriation frauduleuse de listes de clients ainsi que l’utilisation de celle-ci constituent un détournement illicite de clients ainsi qu’une violation de l’article XI. 332/4 CDE (secret d’affaires).[1]

Read more

26.04.2021 BE law
L'utilisation illégale de secrets d'affaires obtenus de façon illicite conduit à une injonction temporaire de cesser une activité économique spécifique

Articles - Le président du tribunal d’entreprise de Gand a jugé que l'utilisation de secrets d’affaires obtenus de façon illicite, tels que des informations techniques sur les produits, lorsqu’une personne morale ou physique savait ou aurait dû savoir que ces derniers avaient été obtenus de façon illicite, viole l'article XI.332/4 du Code de droit économique (CDE) et est contraire à la concurrence loyale (article VI.104 CDE).

Read more

26.04.2021 BE law
Openbaarmaking en bedrijfsgeheimen, waar ligt de grens?

Articles - De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Brussel, zetelend zoals in kortgeding, heeft geoordeeld dat de openbaarmaking van een geheim productieproces door een ex-werknemer aan een concurrerende onderneming een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt (schending van artikel XI.332 van het Wetboek Economisch Recht).[1] 

Read more

26.04.2021 BE law
Violation d’obligation contractuelle et tierce complicité – le juge des cessations peut établir l’existence d’une rupture de contrat

Articles - La Cour de Cassation a confirmé que même si les infractions liées aux pratiques de marché loyales relèvent de la responsabilité extracontractuelle, le juge des cessations, afin d’établir une éventuelle tierce complicité de la violation contractuelle, est compétent pour se prononcer sur l’existence d’une rupture de contrat à laquelle la société tierce a participé.

Read more