Short Reads

Knelpunten bij de inzet van deskundigen in het bestuursrecht

Knelpunten bij de inzet van deskundigen in het bestuursrecht

Knelpunten bij de inzet van deskundigen in het bestuursrecht

13.09.2016 NL law

In veel zaken speelt deskundigenbewijs of het ontbreken daarvan een cruciale rol. In procedures tegen de overheid gaat het dan veelal om een tegendeskundige die de onderbouwing van een besluit onderuit kan halen.

Zo zal de bestuursrechter doorgaans alleen bereid zijn om een door de deskundige van de overheid onderbouwde vergunning voor de vestiging van een fabriek te vernietigen wanneer omwonenden met een overtuigend deskundigenrapport komen waaruit, bijvoorbeeld, volgt dat er wel degelijk onaanvaardbare overlast dreigt. Datzelfde geldt in arbeidsongeschiktheidszaken als het gaat om iemands medische situatie of in mededingingszaken ter zake van de afbakening van de relevante markt. Het is dan ook niet overdreven om te stellen dat er voor de wederpartij van de overheid bij het ontbreken van daadwerkelijke toegang tot gezaghebbende deskundigen in dit soort zaken geen sprake kan zijn van een eerlijk proces.

Dat laatste lijkt in Nederland een relatief rustig bezit, maar mede naar aanleiding van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is er toch debat ontstaan over de omgang met deskundigenbewijs in het bestuursrecht (vgl. voor een overzicht Van Ettekoven, O&A 2016/29). Het gaat met name om de zaak Korošec t. Slovenië(ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212). Daarin constateert het Hof een schending van het door artikel 6 lid 1 EVRM beschermde vereiste van ‘equality of arms’, omdat de rechter een advies van een onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame medische deskundige volgt en het verzoek van betrokkene om een onafhankelijke deskundige te benoemen afwijst. Deze zaak kreeg extra aandacht omdat Nederland recent ook zelf tegen een Straatsburgse veroordeling aanliep in de verwante zaak Gillissen (ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609). Deze uitspraak betreft weliswaar geen deskundigen-, maar getuigenbewijs. Toch volgt ook daaruit een aansporing voor een actieve opstelling van rechters als het gaat om het oproepen van deskundigen die licht kunnen doen schijnen op voor de beslechting van het geschil cruciale feiten. Het louter verwijzen door de rechter naar de mogelijkheid van partijen om zelf met deskundigen te komen lijkt onder omstandigheden onvoldoende in het licht van artikel 6 lid 1 EVRM. In ieder geval geldt hier een serieuze motiveringsplicht.

De regeling van de inzet van deskundigen in onze Algemene wet bestuursrecht voldoet aan de hiervoor geschetste eisen, maar toch dienen zich in de praktische toepassing daarvan knelpunten aan (vgl. Faas in RSV 2016/27 en Van Emmerik en ondergetekende in AB 2016/167). In de praktijk zijn besluiten van bestuursorganen op heel veel terreinen, zoals omgevingsrecht, maatschappelijke voorzieningen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en vreemdelingenrecht, gebaseerd op oordelen van deskundigen in loondienst van de overheid of waarmee een structurele werkrelatie bestaat. Tegelijk maakt de bestuursrechter de laatste jaren fors minder gebruik van zijn bevoegdheid om zelf een deskundige te benoemen voor een contra-expertise. Datzelfde geldt bij het doorhakken van de knoop in gevallen waarin de overheid en betrokkene beiden met een – tegengesteld – deskundigenadvies komen. Kostenoverwegingen lijken daarbij een rol te spelen, maar ook het feit dat inzet van deskundigen zorgt voor een verlenging van de procesduur. Tel daarbij op dat partijen vanwege de te hoge kosten of vanwege het feit dat alle beschikbare deskundigen al door de wederpartij(en) zijn ingezet vaak ook niet in staat zijn om zelf met deskundig onderbouwd tegenbewijs te komen en de spanning met de vereisten van een eerlijk proces is gegeven (vgl. Schuurmans & Vermaat, NTB 2013/30).

Deze knelpunten vergen aandacht van bestuur en rechter. Om te beginnen zou in kaart moeten worden gebracht of de ‘eigen’ deskundigen van de overheid voldoende onafhankelijk zijn ingekaderd. Het valt op dat hier grote diversiteit bestaat. Zo zijn belangrijke deskundigen op het terrein van het omgevingsrecht ondergebracht in een zelfstandige Stichting advisering Bestuursrechtspraak (die overigens dezer dagen haar twintigjarig bestaan viert) terwijl aan de andere kant van het spectrum deskundigen, zoals verzekeringsartsen, in loondienst van het betrokken bestuursorgaan zijn. In het licht van de hiervoor geschetste Straatsburgse eisen lijken al deze vormen en tussenvormen daarvan in algemene zin toelaatbaar. Toch verdient het aanbeveling om voor alle deskundigen een duidelijk en bindend statuut te creëren dat de onafhankelijkheid van de advisering waarborgt. Verder zal de bestuursrechter extra alert moeten zijn als het gaat om deskundigenbewijs dat afkomstig is van een dergelijke aan de overheid verbonden adviseur. Bij beslissend bewijs zal hij de betrokkene dan of in de gelegenheid moeten stellen zelf met deskundig tegenbewijs te komen of als rechter zelf een deskundige dienen te benoemen. Daarbij moet hij ook oog hebben voor de financiële mogelijkheden en onmogelijkheden van een partij om zelf een deskundige in te schakelen. Dat betekent dat de bestuursrechter meer dan nu het geval is zelf deskundigen moet gaan inschakelen. Dit impliceert dat hij anders dan nu meestal gebeurt al in de beginfase van een procedure kennisneemt van het dossier om tijdig bewijsinstructies te kunnen geven. Weliswaar duurt een procedure daarmee langer, maar die prijs is een eerlijk proces waard. Temeer omdat daarmee ook de effectieve geschilbeslechting wordt gediend, nu de rechter na ontvangst van het tegendeskundigenrapport waarschijnlijk vaker zelf in de zaak kan voorzien en de zaak niet hoeft terug te verwijzen naar het bestuur.

Kort en goed is het zaak de praktijk van de inzet van deskundigen in het bestuursrecht kritisch te analyseren en maatregelen te nemen die tegemoet komen aan de hiervoor geschetste knelpunten. Uiteindelijk is met een betere inzet van deskundigen namelijk de kwaliteit van rechterlijke uitspraken en de aanvaarding daarvan door partijen gediend.

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2016/1603, afl. 31, p. 2231.

Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf

Related news

13.05.2020 NL law
Een klein jaar na de PAS-uitspraken: wanneer zijn stikstofrelevante activiteiten toelaatbaar?

Short Reads - Ontwikkelingen in de rechtspraak hebben niet stil gestaan sinds de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) eind mei 2019 de bekende PAS-uitspraken deed. De Afdeling heeft in een aantal belangwekkende uitspraken enige lijnen uitgezet. In dit blogbericht zetten wij een aantal uitspraken op een rij. Daarbij richten wij ons op de vraag wanneer stikstofrelevante activiteiten na de PAS-uitspraken toelaatbaar zijn.

Read more

20.05.2020 NL law
Stibbe in Amsterdam answers questions from consumers, small business foundations and NGOs about the coronavirus [updated]

Inside Stibbe - In a special Q&A (in Dutch), lawyers from our Amsterdam office share their legal expertise and strive to provide answers to questions put to us by consumers, self-employed persons, enterprises large and small, foundations and NGOs as a result of the corona crisis.

Read more

13.05.2020 NL law
FAQ: bestuurlijk rechtsoordeel – de mogelijkheden tot bezwaar en beroep en de consequenties van een vernietiging

Short Reads - Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het besluitbegrip bepalend voor de toegang tot de bestuursrechter. Handelingen van bestuursorganen die geen besluit zijn, kunnen niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Denk bijvoorbeeld aan het handelen van de overheid als contractspartij of het handelen van de overheid dat slechts feitelijk van aard is.

Read more

14.05.2020 NL law
Wijziging NOW: voorafgaande instemming over openbaarmaking in NOW op gespannen voet met de Awb en de Wob

Short Reads - Op 2 april 2020 is de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (“NOW”) in werking getreden. De regeling is snel tot stand gekomen als maatregel tegen de nadelige gevolgen van de corona-crisis. In de praktijk bleek dat de regeling onvolkomenheden bevat en wijzigingen en aanvullingen nodig zijn. Op 4 mei 2020 is een regeling tot wijziging van de NOW gepubliceerd in de Staatscourant.

Read more

13.05.2020 NL law
Bij zeer locatiespecifieke omstandigheden doorbreekt de goede ruimtelijke ordening het exclusieve toetsingskader van titel 5.2 Wet milieubeheer voor luchtkwaliteit

Short Reads - Titel 5.2 Wm bepaalt dat bij het nemen van een groot aantal ruimtelijke ordeningsbesluiten en besluiten tot verlening van omgevingsvergunningen voor milieu de grenswaarden opgenomen in bijlage 2 Wm in acht moeten worden genomen. Afgevraagd kan dan worden of bij het nemen van ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, de goede ruimtelijke ordening (waaronder het aanvaardbaar woon- en leefklimaat) een aanvullende toets kan vergen als dat besluit voldoet aan titel 5.2 Wm.

Read more