Articles

Bescherming van publieke belangen in de Airbnb-economie

Bescherming van publieke belangen in de Airbnb-economie

Bescherming van publieke belangen in de Airbnb-economie

10.11.2016 NL law

In 2007 kwamen twee Amerikaanse studenten op het idee om slaapplekken op luchtbedden te verhuren in hun woning. Zij bouwden daarvoor een eenvoudige website. Nu, negen jaar later, is Airbnb verspreid over 191 landen en 34.000 steden. Er worden jaarlijks 60 miljoen gasten bediend via ruim twee miljoen accommodaties.

In Amsterdam maakten afgelopen jaar ongeveer 600.000 toeristen gebruik van een Airbnb-woning, waarbij een verhuurder gemiddeld € 3.800 verdiende. De andere positieve effecten op de economie zijn groot. Het succes is zo significant en de aanpak zo professioneel dat vrijwel niemand de naam Airbnb nog in verband weet te brengen met de oorspronkelijke luchtbedjes. Een schoolvoorbeeld van de zegeningen van de nieuwe economie. Aan dat rijtje kunnen moeiteloos andere diensten zoals Uber (vervoer) en Airdnd (dineren bij hobbykoks) worden toegevoegd.

Dit is echter niet het hele verhaal. De Airbnb-economie kent serieuze schaduwzijden die pregnanter naar voren komen naarmate de populariteit van het fenomeen toeneemt en het hobbymatige karakter op de achtergrond raakt. Als gevolg van de verhuur treedt op veel plaatsen overlast op, kunnen brandonveilige situaties aan de orde zijn (terwijl een verzekering vaak ontbreekt) en worden woningen onttrokken aan de schaarse woningvoorraad. Afdracht van toeristenbelasting is evenmin vanzelfsprekend. Verder ontstaat oneerlijke concurrentie met de officiële verhuur- en hotelbranche die aan allerlei strikte regels wordt gehouden die juist bedoeld zijn om die overlast, onveiligheid en belastingontduiking te voorkomen. Voor een dienst als Uber geldt als belangrijk extra nadeel de beperkte bescherming van de (sociale) rechten van de chauffeurs, terwijl bij Airdnd de voedselveiligheid in het geding kan zijn. Meer in algemene zin rijst de vraag naar het niveau van de consumentenbescherming.

Na aanvankelijke radiostilte zijn de diverse betrokken overheden zich nu steeds meer bewust van de geschetste nadelen en is men op zoek naar manieren om die weg te nemen met behoud van de innovatieve voordelen. Hierbij wordt ook bezien welke regels in dat opzicht gemist kunnen worden (vgl. Kamerstukken II, 33009). Dat blijkt een lastige zoektocht, hetgeen niet zo vreemd is nu deze diensten hun (financiële) aantrekkelijkheid grotendeels ontlenen aan het feit dat zij zich juist aan regels onttrekken die beogen de genoemde nadelen te voorkomen (vgl. ‘Shredding the Rules’, The Economist 2 mei 2015; Finck & Ranchordas, ‘Sharing and the City’, Vanderbilt Journal of Transnational Law 2016, te verschijnen).

Zo heeft de Gemeente Amsterdam een overeenkomst gesloten met Airbnb over voorlichting en samenwerking ter preventie van overlast en de betaling van toeristenbelasting. Ook is er beleid dat een woning niet meer dan 60 dagen per jaar verhuurd mag worden om zo de (semi-)professionele verhuur via Airbnb aan te pakken. Handhaving van deze regel blijkt echter lastig. Airbnb weigert namelijk met het oog op de privacy de gegevens van aanbieders en gebruikers met de overheid te delen terwijl het voor de gemeente zelf heel moeilijk is overtredingen op het spoor te komen. De verantwoordelijke ministers hebben echter aangegeven het bestaande wettelijke instrumentarium toereikend te vinden. In dat kader hebben zij het verzoek van Amsterdam om een meldplicht in te voeren om de hand-havingsmogelijkheden te verbeteren, afgewezen. Wel zijn zij bereid te bezien of Airbnb verplicht kan worden verhuurgegevens aan gemeenten te leveren ten behoeve van toeristenbelastingheffing (Handelingen II, 2015/16, nr. 2602). Mede om deze reden is Amsterdam in heronderhandeling getreden met Airbnb onder de dreiging de verhuur te gaan verbieden. Dit naar het voorbeeld van New York. Tegen Uberpop is daarentegen opgetreden door de verantwoordelijke landelijke inspectie, waarbij hoge dwangsommen nodig waren om de illegale activiteiten te doen stoppen. Daarbij gaat het om taxidiensten waarbij noch de gebruikte voertuigen noch de chauffeurs aan de wettelijke eisen voldoen. Dit wordt in Nederland niet toegestaan, anders dan Uberdiensten die wel aan deze regelgeving voldoen. Een Londense rechter heeft onlangs een verdere stap gezet die bijdraagt aan de bescherming van de (sociale) rechten van de Uber-chauffeurs. Hij merkte de chauffeurs – ondanks het verweer van Uber dat het zelfstandigen zouden zijn – aan als werknemers (Employment Tribunal, zaaknummers 2202550/2015 e.v.). Daarmee kunnen ze jegens Uber aanspraak maken op onder meer minimumloon en vakantiegeld. In Nederland is dat (nog) niet aan de orde. Airdnd wordt blijkens de al aangehaalde kamerstukken op haar beurt door het Ministerie van Economische Zaken betrokken bij een ‘right to challenge’ project dat de kans biedt om een eigen, privaat systeem voor te stellen waarmee de in het geding zijnde publieke belangen worden geborgd. Een alternatief daarvoor zou nog doelregulering of het bieden van experimenteerruimte kunnen zijn.

Ondanks al deze initiatieven groeit terecht de kritiek op de uitwassen van de Airbnb-economie, hetgeen vraagt om een scherpere en duidelijkere koers van de betrokken overheden. Deze koers moet veel meer dan nu inhouden dat het aanbieden van diensten via internet – al dan niet vanuit het buitenland – geen rechtvaardiging vormt om de daadwerkelijke bescherming van cruciale publieke belangen zoals veiligheid, leefbaarheid, milieu, sociale rechten en een eerlijk speelveld alsmede de handhaving van daarmee samenhangende normen los te laten. Als dat innovatiebeperkend werkt, is dat de prijs die betaald moet worden. Daarbij telt het resultaat, hetgeen impliceert dat qua de wijze van regulering en handhaving gedifferentieerd moet kunnen worden tussen de traditionele en nieuwe economie (vgl. Van Dijck/Poell/De Waal, ‘De platformsamenleving’, Amsterdam 2016). Nieuwe ontwikkelingen moeten op de voet worden gevolgd waarbij bezien dient te worden of zij vragen om nieuwe instrumenten ter borging van publieke belangen. De nieuwe economie mag namelijk niet ontaarden in een race to the bottom.

Dit bericht is ook gepubliceerd in NJB 2016/1999, afl. 39, p. 2887.

Related news

21.07.2020 NL law
Vestigingsbeleid datacenters gemeente Amsterdam 2020 – 2030 vrijgegeven voor inspraak

Short Reads - Van 1 juli tot 31 augustus 2020 legt de gemeente Amsterdam het Vestigingsbeleid Datacenters gemeente Amsterdam 2020 - 2030 ter inzage voor inspraak. Na de inspraakperiode wordt het vestigingsbeleid ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. In dit blog bespreken wij de hoofdlijnen van het vestigingsbeleid: nieuwe datacenters zijn onder strenge voorwaarden en op beperkte schaal welkom in gemeente Amsterdam. Met dit beleid wordt vervolg gegeven aan het voorbereidingsbesluit datacenters, dat ook in dit bericht wordt besproken.

Read more

27.07.2020 NL law
Maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

Short Reads - Kent u een termijn die de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep bepaalt en niet in de wet is te vinden? Je zou hopen dat zo’n termijn niet bestaat. Ontvankelijkheid bepaalt immers de toegang tot de rechter en die toegang moet niet belemmerd worden door onbekende of slecht kenbare fatale termijnen. Toch kent ons recht zo’n termijn en die termijn is bovendien zeer kort. Ik doel op de twee weken die een belanghebbende wordt gegund om alsnog bezwaar te maken, nadat hij op de hoogte is geraakt van het bestaan van een besluit waarvan de bezwaartermijn al is verstreken.

Read more

27.07.2020 NL law
De Whatsapp-conversatie tussen Grapperhaus en Halsema: ook openbaar via de Wob?

Short Reads - Deze heb je vastgelegd voor de Wob Zo luidde een van de berichten van de Whatsapp-correspondentie tussen burgemeester Halsema van Amsterdam en minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid over de demonstratie op de Dam, die plaatsvond op 1 juni 2020. Een angst van menig bestuurder werd waarheid: de gehele conversatie stond dezelfde dag nog afgedrukt op alle nieuwswebsites. Deze correspondentie werd openbaar gemaakt op grond van artikel 68 van de Grondwet, dat kort gezegd de informatieplicht van bewindslieden aan het parlement regelt.

Read more