Short Reads

Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op grootschalige datacenters

Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op grootschalige datacenters

Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op grootschalige datacenters

17.05.2016 NL law

Een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in beginsel ladderplichtig. Op 18 mei jl. heeft de Afdeling overwogen dat een uitwerkingsplan waarin uitwerking is gegeven aan de uitwerkingsplicht uit het moederplan ook kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en daarmee ladderplichtig is.

Achtergrond

Bij besluit van 13 maart 2015, gewijzigd op 3 november 2015, heeft het college van burgemeester en wethouders het uitwerkingsplan “Spoorallee” vastgesteld. Het uitwerkingsplan voorziet onder meer in de realisatie van een Factor Outlet Village (FOV). Het uitwerkingsplan vormt een uitwerking van het onherroepelijke bestemmingsplan “Groot Holthuizen en Hengelder II” (het moederplan). In het moederplan is aan de betrokken gronden de bestemming “Gemengd – Uit te werken” toegekend.

Aan de orde is of artikel 3.1.6 lid 2 Bro, waarin de ladder voor duurzame verstedelijking is geregeld, op het uitwerkingsplan van toepassing is. Het college stelt zich primair op het standpunt dat dat niet het geval is, omdat de in het uitwerkingsplan toegestane bebouwings- en gebruiksmogelijkheden een bestaande situatie betreffen, die al mogelijk is gemaakt in het bestemmingsplan. Er is daarom geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat artikel 3.1.6 lid 2 Bro niet van toepassing kan zijn.

De Afdeling

De Afdeling volgt het verweer van het college niet. Naar het oordeel van de Afdeling wordt met het programma uit het uitwerkingsplan – 15.000 m² bvo en een supermarkt van 1.200 m² – voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de vorm van detailhandel.  Aan de gronden in het plangebied is in het oorspronkelijke bestemmingsplan de bestemming “Gemengd – Uit te werken” toegekend op grond waarvan een station, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, parkeerterreinen, detailhandel, waaronder begrepen volumineuze detailhandel, horecabedrijven, leisurevoorzieningen, bedrijven als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijven zijn toegestaan. De jurisprudentie van de Afdeling die ziet op onbenutte planologische mogelijkheden zoals onder meer de uitspraak van 1 juli 2015 heeft volgens de Afdeling geen betrekking op de verhouding tussen het moederplan met uitwerkingsplicht en het uitwerkingsplan.

De Afdeling toetst het uitwerkingsplan dan ook aan artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro, welke toets het uitwerkingsplan overigens doorstaat.

Observaties

Zoals wij in ons blogbericht van 1 maart jl. over een Afdelingsuitspraak van 24 februari 2016 uiteen hebben gezet, is artikel 3.1.6 lid 2 Bro van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie artikel 3.1.6 lid 2 jo. artikel 1.1.1 lid 3 Bro). Deze systematiek leidt ertoe dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling die in het moederplan mogelijk wordt gemaakt met een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht, in beginsel tweemaal aan artikel 3.1.6 lid 2 Bro wordt getoetst. Eenmaal ten tijde van de vaststelling van het moederplan en eenmaal ten tijde van de vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

Dat een wijzigingsplan kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en daarmee ladderplichtig kan zijn, is al langer bekend (zie het blogbericht van 1 maart jl.). Over een uitwerkingsplan had de Afdeling zich nog niet uitgelaten. Wel richtinggevend was de uitspraak van 24 februari 2016. Daarin was sprake van een situatie waarin een moederplan dat voorziet in een uit te werken woningbouwbestemming. Het college koos er echter niet voor die woningbouwbestemming uit te werken door middel van een uitwerkingsplan. In plaats daarvan stelde de raad een bestemmingsplan vast dat voorzag in hetzelfde programma als waar de uit te werken bestemming betrekking op had. De Afdeling overweegt in die uitspraak:

4.4. Niet in geschil is dat in het voorheen geldende bestemmingsplan “Het Nieuwe Water” aan de desbetreffende gronden de bestemming “Woongebied, park en water (uit te werken)” was toegekend.

Het vorige plan voorzag derhalve reeds in een uitwerkingsplicht voor de bouw van woningen en biedt daarmee een planologisch onbenutte mogelijkheid. De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 juli 2015, zaak nr. 201401417/1/R1, bepaald dat onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde voorwaarden.

Voorliggend plan voorziet niet in een wijziging van functies en voorziet evenmin in meer woningen dan op grond van het voorheen geldende plan op de desbetreffende gronden mogelijk was. Gelet hierop neemt de bebouwingsdichtheid niet toe. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bestreden plandelen geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zodat reeds daarom die bepaling in dit geval niet van toepassing is.” (onderstreping: JvO en AS)

Op basis van deze uitspraak constateerden wij dat een uitwerkingsplan, voor zover dat blijft binnen de uitwerkingsbevoegdheid in het moederplan, kennelijk niet kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en daarmee niet hoeft te voldoen aan artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Wij zagen niet direct een verschil met de verhouding tussen een moederplan met een wijzigingsbevoegdheid en een wijzigingsplan. Daarbij is van belang dat een wijzigingsplan dient te voldoen aan de wijzigingsvoorwaarden in het moederplan.

Uit de voorliggende uitspraak van de Afdeling blijkt echter dat een uitwerkingsplan kennelijk toch kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het programma dat wordt voorzien in het uitwerkingsplan is volgens de Afdeling te kwalificeren als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en niet als ‘onbenutte planologische mogelijkheden’.

De overweging van de Afdeling in haar uitspraak van 18 mei 2016 lijkt op het eerste gezicht te strijden met haar overwegingen in haar uitspraak van 24 februari 2016. In die uitspraak oordeelde de Afdeling namelijk dat een nieuw bestemmingsplan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, indien de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden vallen binnen het programma waarin het in vorige bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsplicht voorzag. Hoewel het in die uitspraak niet ging om een uitwerkingsplan waarin gevolg was gegeven aan de uitwerkingsplicht, maar van een zelfstandig bestemmingsplan dat een gelijke inhoud heeft als waarin de uitwerkingsplicht voorziet, valt op het eerste gezicht niet in te zien waarom deze opvatting niet geldt in geval van een uitwerkingsplan. Een verklaring van het verschil tussen de uitspraak van 24 februari 2016 en die van 18 mei 2016 zou erin gelegen kunnen zijn dat de uitwerkingsmogelijkheden die het in de uitspraak van 18 mei aan de orde zijnde moederplan biedt, zeer ruim zijn, aanzienlijk ruimer dan die in de uitspraak van 24 februari 2016. Maar of dit gegeven relevant is, blijkt niet uit de uitspraak van 18 mei 2016.

Aan het enkele feit dat de kwalificatie van het plan anders is – bestemmingsplan vs. uitwerkingsplan – zou ons inziens geen afwijkende waarde toegekend moeten worden. Ook het uitwerkingsplan voorziet immers niet in meer mogelijkheden dan de in het moederplan opgenomen uitwerkingsplicht.

Conclusie

De Afdeling lijkt met haar uitspraak van 18 mei jl. af te wijken van haar uitspraak van 24 februari 2016. Net als wijzigingsplannen kunnen uitwerkingsplannen toch voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en daarmee ladderplichtig zijn.

Gegevens uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 18 mei 2016
Zaaknummer: 201503574/1/R1
ECLI:NL:RVS:2016:1295

Het bericht Een uitwerkingsplan kan toch wel “ladderplichtig” zijn is een bericht van www.stibbeblog.nl

Related news

12.02.2020 NL law
Het oproepen en horen van getuigen in het bestuursrecht: hoe zit het ook al weer?

Short Reads - Het oproepen van getuigen en het horen daarvan ter zitting door de bestuursrechter heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 november 2019 overzichtelijk in kaart gebracht. Dat arrest, dat door de belastingkamer in een bestuurlijke boetezaak is gewezen, is ook voor andere terreinen van het bestuursrecht van belang. Mede ook omdat het horen van getuigen buiten het fiscale bestuursrecht nog in de kinderschoenen staat. In dit bericht bespreken we daarom de mogelijkheden die er bestaan om getuigen te (laten) oproepen en hoe de bestuursrechter daarmee moet omgaan.

Read more

24.02.2020 EU law
MER-screening: Raad van State zet de puntjes op de ā€˜iā€™

Articles - De opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan is een tijdrovend en kostelijk proces. De noodzaak tot de opmaak van een MER-rapport maakt dit proces er niet eenvoudiger op. Plan-MER-screenings kunnen het planproces op lokaal niveau sterk vereenvoudigen. Dit mag evenwel niet licht opgevat worden. Een juiste toepassing van de regelgeving is cruciaal. Een onzorgvuldige screening kan immers een heel plan hypothekeren.

Read more

12.02.2020 NL law
Omgevingsrecht en mobiliteit: hoe werkt het afwijken van parkeernormen in bestemmingsplannen?

Short Reads - Op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Van deze mogelijkheid maken gemeenteraden in hun bestemmingsplannen vaak gebruik als het gaat om parkeernormen

Read more

14.02.2020 EU law
Does your everyday cleaning product qualify as a 'biocidal product' under European legislation?

Articles - On 19 December 2019, the Court of Justice of the European Union (CJEU) ruled on the concept of 'biocidal product', as defined in article 3 of Regulation 528/2012 on the making available on the market and use of biocidal products, in a case on a cleaning product primarily used "to ensure the absence of mould". According to the CJEU, the concept of ‘biocidal product’ is to be interpreted broadly, hereby also broadening the scope of application of Regulation 528/2012.

Read more

12.02.2020 NL law
Van inspraakverordening naar participatieverordening op decentraal niveau

Short Reads - De regering stelt voor om de reikwijdte van de decentrale inspraakverordeningen te vergroten naar de uitvoering en evaluatie van decentraal beleid. Dat staat in een conceptwetsvoorstel dat op 9 december 2019 ter internetconsultatie is voorgelegd. Het conceptwetsvoorstel beoogt een wijziging van onder meer de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet.

Read more

This website uses cookies. Some of these cookies are essential for the technical functioning of our website and you cannot disable these cookies if you want to read our website. We also use functional cookies to ensure the website functions properly and analytical cookies to personalise content and to analyse our traffic. You can either accept or refuse these functional and analytical cookies.

Privacy ā€“ en cookieverklaring