Short Reads

Redt Straatsburgse soepelheid de Rotterdamse vestigingsverboden?

Redt Straatsburgse soepelheid de Rotterdamse vestigingsverboden?

Redt Straatsburgse soepelheid de Rotterdamse vestigingsverboden?

01.03.2016

Met zijn recente uitspraak in de zaak Garib tegen Nederland vestigt het Straatsburgse Hof de aandacht op een omstreden aspect van de sinds 2006 geldende Wet bijzondere maatregelen groot-stedelijke problematiek.

 (EHRM 23 februari 2016, nr. 43494/09). Deze wet, beter bekend als de 'Rotterdamwet', voorziet onder meer in de mogelijkheid om in een stad gebieden aan te wijzen waar personen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering zich in beginsel niet mogen vestigen.

Doel daarvan is het terugdringen van het aantal probleemwijken ('hotspots') die vanuit sociaaleconomisch oogpunt te eenzijdig zijn samengesteld. Het vergroten van de inkomensmix in een dergelijke wijk zou moeten bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid. Zowel de Raad van State als de voormalige Commissie gelijke behandeling was kritisch over deze vestigingsverboden. Dit in het licht van de daarmee samenhangende beperking van de vestigingsvrijheid en het verbod van discriminatie op grond van ras en geslacht mede vanwege de negatieve stereotypering van betrokkenen (vgl. de verwijzingen inKamerstukken II 2004/05, 30 091, nr. 3). Dat verhinderde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overigens niet de maatregel te sauveren in een zaak van mevrouw Garib, een bijstandsmoeder die met haar gezin wilde verhuizen van een eenkamer- naar een driekamerappartement en daarvoor geen toestemming kreeg (ECLI:NL:RVS:2009:BH1845). Zij diende daarop een klacht in bij het EHRM.

Naar de uitspraak van het Straatsburgse Hof in haar zaak werd uitgekeken, ook omdat er inmiddels een wetsvoorstel in de Tweede Kamer aanhangig is dat voorziet in een uitbreiding van de mogelijkheid vestigingsverboden op te leggen, namelijk voor personen die in verband kunnen worden gebracht met overlast en criminaliteit. Dit op basis van (het ontbreken van) een verklaring omtrent het gedrag of politiegegevens. Ook daarop is kritisch gereageerd door de Raad van State en het College voor de Rechten van de Mens evenals door diverse fracties in de Tweede Kamer (vgl. de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 6). Daarbij wordt in aanvulling op de bezwaren tegen de vigerende regeling gewezen op privacy-aantastingen en de lastige controleerbaarheid van de informatie waarop het verbod zou moeten worden gebaseerd. Inmiddels is er tevens evaluatieonderzoek van de Universiteit van Amsterdam beschikbaar dat de effectiviteit van de vestigingsverboden in twijfel trekt mede gelet op beschikbare alternatieven: de leefbaarheid van de betreffende wijken zou niet aantoonbaar zijn verbeterd (Evaluatie effecten Rotterdamwet, oktober 2015).

De Kameruitspraak van een meerderheid van vijf tegen twee rechters is desalniettemin een toonbeeld van soepelheid die serieuze kritiek verdient. Alvorens daarop nader in te gaan moet worden gewezen op de proceshouding van de Nederlandse regering die een heel register aan formele verweren meende te moeten opentrekken om te voorkomen dat het EHRM aan een inhoudelijke beoordeling zou toekomen. Deze verweren zijn terecht niet gehonoreerd, maar het baart wel zorgen dat de regering voor deze proceshouding koos. Temeer omdat een principiële Straatsburgse uitspraak over de rechtmatigheid van de vestigingsverboden richtinggevend is voor de nationale rechtspraak alsmede het lopende parlementaire debat over de uitbreiding van de Rotterdamwet. Welk belang is er mee gediend om dat te proberen te verhinderen? Belangrijker is echter de kritiek die mogelijk is op de uitspraak zelf.

De redenering van de meerderheid begint met de vaststelling dat de inmenging in de vestigingsvrijheid van artikel 2 Vierde Protocol gerechtvaardigd is zolang zij evenredig is. Daarbij wordt gekozen voor een zeer terughoudende toetsing die er in de kern op neer komt dat alleen wordt bezien of de maatregel in beginsel geschikt is om het beleidsdoel te bereiken. De gevolgen van de maatregel voor mevrouw Garib spelen bij deze toets slechts een ondergeschikte rol. De keuze voor deze wijze van toetsing wordt gemotiveerd door te wijzen op het zorgvuldige wetgevingsproces en het feit dat mevrouw Garib buiten de aangewezen wijken wel voor een grotere woning in aanmerking kon komen.

De twee 'dissenters' kiezen terecht een principiëlere en kritischere benaderingswijze. Naar hun mening wordt de vestigingsvrijheid in de kern geraakt hetgeen juist een intensieve rechtvaardigingstoets vereist. In plaats van het belang van de beleidsdoelstellingen voorop te plaatsen moet worden gekeken naar het effect in het concrete geval omdat de maatregel stereotypering en (indirecte) discriminatie op grond van ras en geslacht met zich meebrengt. De inmenging in de vestigingsvrijheid kan in de ogen van de 'dissenters' alleen worden gerechtvaardigd wanneer deze behalve evenredig ook noodzakelijk en niet discriminerend is. Aan deze vereisten wordt naar hun mening niet voldaan. Zij onderschrijven weliswaar het belang van maatregelen voor achterstandswijken maar deze moeten niet worden gekoppeld aan persoonskenmerken. Dit temeer niet nu er ter bevordering van de leefbaarheid alternatieven denkbaar zijn zoals belastingvrijstellingen om bedrijvigheid te bevorderen, een meer gemixt woningbestand, renovatie van huizen, optreden tegen illegale verhuur en het voorzien in beter onderwijs en zorg. Maatregelen die leiden tot stereotypering op grond van lastig veranderbare kenmerken zoals inkomen, zijn naar hun mening 'gevaarlijk' net als beperkingen op grond van politiegegevens, ziekte of ras.

Hopelijk leidt de kritiek van de 'dissenters' er toe dat de zaak in intern appel opnieuw wordt beoordeeld door de Grote Kamer van het EHRM. Elk van de partijen kan daartoe een verzoek doen aan het EHRM. Dus ook de regering... Daarvoor bestaat extra aanleiding omdat zaken over de
vestigingsvrijheid zeldzaam zijn en er behoefte is aan duidelijkheid over de daarmee samenhangende grenzen. Mocht het tot een intern appel komen dan zou het parlement de uitkomst daarvan moeten afwachten alvorens te beslissen over de voorgenomen uitbreiding van de Rotterdamwet.

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/579, afl. 9.

Related news

20.10.2021 NL law
FAQ: What will change with the entry into force of the Woo compared to the Wob? An update

Short Reads - The Open Government Act (“Woo”) is to replace the Government Information (Public Access) Act (“Wob”). The Woo initiative proposal was passed in the Dutch House of Representatives in 2016; see our earlier Stibbeblog. However, the impact analysis that followed showed that the Woo as proposed was potentially impracticable for local governments. This led to amendments to the bill, which was passed by the House of Representatives on 26 January 2021. 

Read more

13.10.2021 NL law
FAQ: Hoe een begrip uit te leggen als een definitie of andere uitleg ervan in de wettelijke regeling ontbreekt?

Short Reads - Hoe een begrip uit te leggen als een definitie of andere uitleg ervan in de wettelijke regeling ontbreekt? Deze vraag komt meer dan eens aan de orde in geschillen en procedures. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoordt deze vraag onder meer in een uitspraak over pleziervaartuigen en woonschepen in de jachthaven te Kaag (25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897).

Read more

20.10.2021 NL law
FAQ: Wat verandert er met de inwerkingtreding van de Woo ten opzichte van de Wob? Een update

Short Reads - De wet open overheid (“Woo”) moet de Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”) vervangen. Al in 2016 is het initiatiefvoorstel van de Woo aangenomen in de Tweede Kamer. Hierover kon u eerder een Stibbeblog lezen. De impactanalyse die volgde toonde echter aan dat de Woo zoals voorgesteld mogelijk onuitvoerbaar was voor decentrale overheden. Dit heeft geleid tot wijzigingen in het wetsvoorstel dat op 26 januari 2021 door de Tweede Kamer is aangenomen. 

Read more

13.10.2021 NL law
De hardheidsclausule en ander maatwerk in het licht van de NOW

Short Reads - Uitzonderingen op de NOW zijn volgens de bestuursrechter niet mogelijk door het bewust ontbreken van een hardheidsclausule, maar worden door de minister in bepaalde gevallen wel toegestaan. In dit artikel bespreekt Sandra Putting welke mogelijkheden bestuursorganen en de bestuursrechter hebben om maatwerk te bieden en wordt aan de hand van drie geschilpunten over de NOW beoordeeld hoe die mogelijkheden zijn ingezet of beter hadden kunnen worden ingezet.

Read more

14.10.2021 NL law
Termijn voor het indienen vaststellingsaanvraag NOW-1 loopt af op 31 oktober 2021: strategische handreikingen en juridische aanbevelingen

Short Reads - Op 31 oktober 2021 is het de laatste dag waarop de vaststellingsaanvragen van de NOW-1 subsidie kunnen worden ingediend. Veel werkgevers hebben deze aanvraag al ingediend (en al een vaststellingsbesluit ontvangen) maar ook een aanzienlijk deel van de vaststellingsaanvragen moet nog door het UWV worden ontvangen (zie de Kamerbrief van 20 september 2021). 

Read more

07.10.2021 NL law
Intrekking van natuurvergunningen en de praktijk: de stand van zaken en de rol van significantie van eventuele effecten

Short Reads - Onherroepelijke natuurvergunningen lijken anno 2021 geen rustig bezit meer te zijn. Bij provincies liggen op dit moment verzoeken voor om tot intrekking van (onherroepelijke) natuurvergunningen over te gaan. Intrekking zou een noodzakelijke passende maatregel zijn ter uitvoering van artikel 6, lid 2 Habitatrichtlijn. Jurisprudentie geeft inmiddels enige duidelijkheid. Maar de praktijk blijkt weerbarstig en laat zien dat de nodige vragen onbeantwoord blijven. In dit blog bespreken wij de stand van zaken.

Read more