Articles

Een nationale regeling die de vervaldatum van vergunningen of concessies inzake de exploitatie van het publieke domein automatisch verlengt, is in strijd met artikel 12 van de dienstenrichtlijn resp. artikel 49 VWEU

Een nationale regeling die de vervaldatum van vergunningen of concessies inzake de exploitatie van het publieke domein automatisch verlengt, is in strijd met artikel 12 van de dienstenrichtlijn resp. artikel 49 VWEU

Een nationale regeling die de vervaldatum van vergunningen of concessies inzake de exploitatie van het publieke domein automatisch verlengt, is in strijd met artikel 12 van de dienstenrichtlijn resp. artikel 49 VWEU

14.07.2016 BE law

De automatische verlenging van exclusieve exploitatierechten op domeingoederen is onverenigbaar met artikel
12 van de Dienstenrichtlijn[1] wanneer de exploitatierechten kwalificeren als “vergunning” in de zin van
voormelde richtlijn. Indien de exploitatierechten gekwalificeerd worden als “concessie” is de automatische
verlenging ervan onverenigbaar met artikel 49 VWEU.

 

De zaken C-458/14 en C-67/15 betreffen de toekenning van exclusieve exploitatierechten voor toeristische/recreatieve activiteiten op maritieme of aan een meer gelegen openbare domeingoederen[1] in Italië. De vraag rees of de Italiaanse wetgeving die voorziet in een automatische verlenging van zulke concessies wel verenigbaar is met het VWEU (inzonderheid de artikelen 49, 56 en 106) en met de Dienstenrichtlijn (artikel 12).

 In onze nieuwsbrief van april (2016/02) werd de conclusie van Advocaat-Generaal M. SZPUNAR (hierna: de “AG”) in deze zaken van 25 februari 2016 reeds besproken.

 Het Hof heeft thans het volgende geoordeeld :

  • Artikel 12, leden 1 en 2, van de Dienstenrichtlijn verzet tegen een nationale maatregel die voorziet in de automatische verlenging van lopende vergunningen in het maritieme en aan meren gelegen domein voor het verrichten van toeristische en recreatieve activiteiten, wanneer niet is voorzien in enige procedure om uit de gegadigden een selectie te maken.
  • Artikel 49 VWEU verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan lopende concessies in het publieke domein voor het verrichten van toeristische en recreatieve activiteiten automatisch kunnen worden verlengd, voor zover die concessies een duidelijk grensoverschrijdend belang hebben.

 Betreffende de toepassing van artikel 12 van de Dienstenrichtlijn

 Het Hof meent dat de kwestieuze Italiaanse concessies als “vergunningen” kunnen worden gekwalificeerd in de zin van de Dienstenrichtlijn “aangezien zij formele beslissingen vormen – ongeacht hoe zij in het nationale recht worden gekwalificeerd – die dienstverrichters van de nationale autoriteiten moeten verkrijgen om hun economische activiteit te kunnen uitoefenen.” (zie overweging 41)

 Het Hof verwijst ter zake naar overweging 39 van de Dienstenrichtlijn waarbij wordt verduidelijkt dat het begrip vergunningstelsel onder meer duidt op de administratieve procedures voor de verlening van vergunningen, licenties, erkenningen of concessies. (zie overweging 39)

 Bovendien hebben de kwestieuze concessies betrekking op natuurlijke hulpbronnen in de zin van artikel 12 van de Dienstenrichtlijn aangezien de betrokken domeinzones hetzij aan de oevers van het Gardameer hetzij aan de Italiaanse kust zijn gelegen. (zie overweging 42)

 Artikel 12 van de Dienstenrichtlijn[2] bepaalt inderdaad dat “wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden, de lidstaten een selectie uit de gegadigden dienen te maken volgens een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.” In dat geval dient de vergunning voor een passende beperkte duur te worden verleend en kan zij niet automatisch worden verlengd[3].

 De toepasselijkheid van artikel 12 vergt dus dat er sprake is van “schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden”. De AG gaf geen nadere invulling aan het begrip “schaarste”, en ook het Hof stelt thans dat de schaarste-toets moet worden gedaan door de nationale rechter. Het Hof geeft wel aan dat het feit dat de kwestieuze concessies niet op nationaal maar op gemeentelijk niveau zijn verleend, in aanmerking kan worden genomen om te bepalen of de voornoemde zones die economisch kunnen worden geëxploiteerd, beperkt zijn in aantal.

 Ten slotte verduidelijkt het Hof – in navolging van de AG –het verschil tussen “vergunningen” in de zin van de Dienstenrichtlijn enerzijds, en “concessies voor diensten” in de zin van de Concessierichtlijn 2014/23 anderzijds. Voor een concessie voor diensten is met name kenmerkend dat een recht om een bepaalde dienst te exploiteren door een aanbestedende dienst wordt overgedragen aan een concessiehouder, die in het kader van de gesloten overeenkomst over een bepaalde economische vrijheid beschikt om te bepalen hoe hij dit recht exploiteert en parallel sterk blootstaat aan de risico’s van deze exploitatie[4].

 De kwestieuze concessies betreffen volgens het Hof evenwel geen door de aanbestedende instantie bepaalde dienst, maar wel een vergunning voor de uitoefening van een economische activiteit in een domeinzone.[5] Het Hof verwijst in dit verband naar overweging 15 van de  Concessierichtlijn 2014/23 waarin wordt bepaald dat overeenkomsten die betrekking hebben op het recht van een ondernemer om bepaalde publieke domeinen of rijkdommen te exploiteren, zoals grond, waarbij de Staat slechts algemene voorwaarden voor het gebruik ervan vaststelt, zonder bepaalde werken of diensten aan te besteden, niet als “concessies voor diensten” in de zin van die richtlijn mogen worden aangemerkt.

 

Hieruit lijkt te kunnen worden afgeleid domeinconcessies naar Belgisch recht – die niet onder de Concessierichtlijn vallen – als “vergunningen” in de zin van de Dienstenrichtlijn zouden kunnen worden aanzien. Wanneer er sprake is van “schaarste” zou de toewijzing ervan dan het voorwerp moeten uitmaken van een transparantie selectieprocedure. De domeinconcessies kunnen in dat geval ook slechts voor een passende beperkte duur worden verleend en kunnen niet automatisch worden verlengd.

Betreffende de toepassing van artikel 49 VWEU

De vraag naar de verenigbaarheid met artikel 49 VWEU komt volgens het Hof pas ter sprake indien de Dienstenrichtlijn (en de Concessierichtlijn) niet van toepassing is.

Voor zover de kwestieuze concessies betrekking hebben op een recht van vestiging in de domeinzone met het oog op een economische exploitatie voor toeristisch‑recreatieve doeleinden, vallen zij naar hun aard onder artikel 49 VWEU.

Een en ander impliceert dat bij de toekenning van zulke concessies de fundamentele regels van het VWEU in het algemeen en het non‑discriminatiebeginsel in het bijzonder in acht moeten worden genomen[6]. Anders gezegd: een ongelijke behandeling bij de toekenning van concessies met grensoverschrijdend belang[7] is verboden.

Het Hof oordeelde dat er in de zaak C-458/14 (m.b.t. de oevers Gardameer) sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang, gelet op de geografische ligging van het goed en de economische waarde van die concessie. In de zaak C-67/15 (m.b.t. de kust van Sardinië) werden daarentegen onvoldoende gegevens verstrekt door verwijzende rechter omtrent de concrete situatie van de betreffende concessie, waardoor de eerste prejudiciële vraag in de zaak C-67/15 onontvankelijk werd geacht.

Aangaande zaak C‑458/14 stelde het Hof vervolgens vast dat de kwestieuze wettelijke regeling gelet op het uitstel dat zij invoert, de verlening van de concessies volgens een transparante aanbestedingsprocedure vertraagt, zodat dit een ongelijke behandeling invoert ten nadele van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen die in deze concessies geïnteresseerd kunnen zijn.

 Link: Arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2016 in de prejudiciële zaken C-458/14 en C-67/15


 Voetnoten

[1] In casu aan de oever van het Gardameer en aan de kust van Sardinië.

[2] Omgezet in artikel III.11 Wetboek Economisch Recht.

[3] Evenmin wordt enig ander voordeel toegekend aan de dienstverrichter wiens vergunning zojuist is verlopen of aan personen die een bijzondere band met die dienstverrichter hebben.

[4] Onder verwijzing naar het arrest van 11 juni 2009, Hans & Christophorus Oymanns, C‑300/07, EU:C:2009:358, punt 71 en naar analogie ook naar het arrest van 14 november 2013, Belgacom, C 221/12, EU:C:2013:736, punten 26-28.

[5] Bovendien verwijst het Hof ook naar overweging 57 van de Dienstenrichtlijn waaruit blijkt dat overheidsopdrachten voor diensten geen “vergunningsstelsels” kunnen zijn, waardoor concessies van diensten – in de zin van de nieuwe Concessierichtlijn 2014/23 – volgens het Hof evenmin kunnen kwalificeren als “vergunningsstelsels”.

[6]  Onder verwijzing door het Hof naar het arrest van 17 juli 2008, ASM Brescia, C‑347/06, EU:C:2008:416, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak

[7] M.b.t. het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang, herinnert het Hof eraan dat dit moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante criteria, zoals het economische belang van de opdracht, de plaats waar de opdracht wordt uitgevoerd en de technische aspecten ervan, waarbij dient te worden gelet op de specifieke kenmerken van de betreffende opdracht (zie in die zin arresten van 14 november 2013, Belgacom, C 221/12, EU:C:2013:736, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 december 2015, UNIS en Beaudout Père et Fils, C 25/14 en C 26/14, EU:C:2015:821, punt 30).

 

Related news

09.11.2018 BE law
Grondwettelijk Hof: ook verwerpingsarresten van de Raad van State moeten verjaringsstuitende werking hebben

Articles - Bij arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordeelt het Hof dat artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het tot gevolg heeft dat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de verwerpingsarresten, het gelijkheidsbeginsel schendt.

Read more

30.10.2018 NL law
Bestuurlijke boete onderuit: boetebedrag in gemeentelijke huisvestingsverordening in strijd met de wet vastgesteld

Short Reads - Op 13 juni 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ("Afdeling") een voor de boetepraktijk belangrijke uitspraak gewezen. In die zaak oordeelde de Afdeling dat er geen grondslag was om een boete op te leggen voor overtreding van de Huisvestingswet 2014. De gemeente Tilburg had in strijd met de Huisvestingswet gehandeld door in haar huisvestingsverordening niet voor verschillende overtredingen van de wet concrete boetebedragen vast te stellen.

Read more

30.10.2018 BE law
Gemeentelijk parkeerbeleid onder de loep

Articles - Mobiliteit en parkeren blijven gevoelig thema's, zoals recent nog maar eens bleek uit de Pano reportage "Parkeren in Vlaanderen" of zoals vorig jaar nog bleek bij de intrede van het Gents circulatieplan. De soms erg grote verschillen in het mobiliteits- en parkeerbeleid van verschillende steden en gemeenten kan voor een buitenstaander inderdaad soms bevreemdend overkomen.  Tijd dus voor een toelichting van drie erg verschillende gemeentelijke mogelijkheden om parkeerbeleid vorm te geven.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring