Articles

Artikel 53, lid 2, richtlijn 2004/18 verplicht niet tot voorafgaande bekendmaking van de beoordelingsmethode – maar het is wel van belang dat de beoordelingsmethode voor de opening van de offertes wordt vastgelegd

Artikel 53, lid 2, richtlijn 2004/18 verplicht niet tot voorafgaande bekendmaking van de beoordelingsmethode – maar het is wel van belang dat de beoordelingsmethode voor de opening van de offertes wordt vastgelegd

Artikel 53, lid 2, richtlijn 2004/18 verplicht niet tot voorafgaande bekendmaking van de beoordelingsmethode – maar het is wel van belang dat de beoordelingsmethode voor de opening van de offertes wordt vastgelegd

14.07.2016 BE law

Artikel 53, lid 2, Richtlijn 2004/18 verplicht er niet toe de gekozen beoordelingsmethode vooraf ter kennis te
brengen van de inschrijvers. De beoordelingsmethode mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de
gunningscriteria of de weging wijzigen. Bovendien is het van belang dat – indien mogelijk –
de beoordelingsmethode voor de opening van de offertes wordt vastgelegd.

 

In de zaak C-6/15 TNS Dimarso tegen het Vlaamse Gewest diende het Hof van Justitie de prejudiciële vraag te beantwoorden die haar door de Belgische Raad van State ingevolge het arrest van 6 januari 2015 met nr. 229.723[1] werd gesteld m.b.t. de uitlegging van artikel 53, lid 2, Richtlijn 2004/18, samengenomen met de Europeesrechtelijke beginselen inzake gelijkheid en transparantie inzake overheidsopdrachten.

 De Raad van State wenste meer bepaald te vernemen of er een algemene verplichting is tot voorafgaande vaststelling en bekendmaking van de beoordelingsmethode wanneer wordt gegund aan de economisch meest voordelige aanbieding, dan wel of er, wanneer er geen zulke verplichting is, wel omstandigheden kunnen zijn, zoals onder meer de draagwijdte, het gebrek aan voorzienbaarheid, of het gebrek aan gangbaarheid van de beoordelingsmethode die alsnog nopen tot de voorafgaande vaststelling en bekendmaking ervan.

 Het Hof van Justitie heeft op bondige wijze het volgende geoordeeld:

“Artikel 53, lid 2 moet aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst, indien een opdracht voor het verrichten van diensten dient te worden gegund volgens het criterium van de vanuit het oogpunt van deze dienst economisch voordeligste inschrijving, niet gehouden is om de methode aan de hand waarvan hij de offertes in concreto zal beoordelen en rangschikken, in de aankondiging van de betrokken opdracht of het desbetreffende bestek ter kennis te brengen van de potentiële inschrijvers. Deze methode mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de gunningscriteria en het relatieve gewicht ervan worden gewijzigd.”

In het overwegend gedeelte van het arrest licht het Hof nader toe op basis waarvan het tot dit oordeel gekomen is:

  • er is geen bepaling die een verplichting tot voorafgaande bekendmaking van de beoordelingsmethodiek vaststelt, noch vloeit dit voort uit eerdere rechtspraak van het Hof;
  • een beoordelingscommissie moet kunnen beschikken over een zekere vrijheid om, zonder de gunningscriteria te wijzigen, haar eigen werkzaamheden voor het onderzoek en de beoordeling van de ingediende offertes te structureren[2];
  • de discretionaire vrijheid van de aanbestedende overheid wordt gerechtvaardigd door praktische overwegingen; zo moet de beoordelingsmethode die hij zal toepassen o.a. kunnen worden aangepast naargelang van de omstandigheden van het geval. 

Tegenover de erkenning van de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om de beoordelingsmethode niet vooraf ter kennis te brengen, staat de verplichting om, indien mogelijk, de beoordelingsmethode wel op voorhand vast te stellen :

“Volgens de in artikel 2 van richtlijn 2004/18 neergelegde beginselen inzake de gunning van opdrachten kan de methode die de aanbestedende dienst hanteert om de offertes in concreto te beoordelen en te rangschikken in beginsel niet na de opening van de offertes door deze dienst worden vastgesteld, dit om elk risico van favoritisme uit te sluiten. Indien deze methode echter om aantoonbare redenen niet vóór deze opening kan worden vastgesteld, zoals de Belgische regering opmerkt, kan de aanbestedende dienst niet worden verweten dat hij deze pas heeft vastgesteld nadat hij, of zijn beoordelingscommissie, kennis heeft genomen van de inhoud van de offertes” 

Het Hof van Justitie blaast hier wat warm en koud. In beginsel moet de beoordelingsmethode voor de opening van de offertes worden vastgesteld. Maar als dat niet mogelijk is, hoeft dat geen probleem op te leveren, al zal de aanbestedende dienst dan wel moeten kunnen aantonen waarom die methodologie niet vooraf kon worden vastgesteld. 

Hoe dan ook mag de beoordelingsmethode niet tot gevolg hebben dat de gunningscriteria of het relatieve gewicht ervan worden gewijzigd. In dat verband valt op dat de twee andere voorwaarden van de Advocaat-Generaal (“AG”)[3] niet zonder meer worden overgenomen. De AG vereiste nog dat de beoordelingsmethode:

  • geen elementen bevat die, indien zij bij de voorbereiding van de offertes bekend waren geweest, deze voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden; en
  • niet is gekozen aan de hand van elementen die discriminerend kunnen werken jegens een van de inschrijvers[4].

Hiermee lijkt het Hof voort te bouwen op het Evropaïki Dynamiki-arrest[5], waarbij ook enkel het verbod op de wijziging van de gunningscriteria en hun weging werd vooropgesteld als grens aan de discretionaire beoordelingsvrijheid van de “beoordelingscommissie”.

 Link: arrest HvJ 14 juli 2016


 Voetnoten

[1] Nadien gewijzigd door het arrest nr. 230.602 van 24 maart 2015.

[2] Zie arrest van 21 juli 2011, Evropaïki Dynamiki/EMSA, C 252/10 P, EU:C:2011:512, punt 35.

[3] Conclusie van Advocaat-Generaal P. Mengozzi van 10 maart 2016, ECLI:EU:C:2016:160, http://eur-lex.europa.eu/legal content/NL/TXT/?qid=1469187071458&uri=CELEX:62015CC0006.

[4] Dit naar analogie met het arrest ATI EAC e Viaggi di Maio ea (C-331/04, EU:C:2005;718, punt 32) waarbij die drie voorwaarden werden bepaald door het Hof voor de vaststelling van de weging van subgunningscriteria na indiening van de offertes.

[5] Evropaïki Dynamiki/EMSA, C-252/10 P, EU:C:2011:512.

Related news

14.10.2021 NL law
Termijn voor het indienen vaststellingsaanvraag NOW-1 loopt af op 31 oktober 2021: strategische handreikingen en juridische aanbevelingen

Short Reads - Op 31 oktober 2021 is het de laatste dag waarop de vaststellingsaanvragen van de NOW-1 subsidie kunnen worden ingediend. Veel werkgevers hebben deze aanvraag al ingediend (en al een vaststellingsbesluit ontvangen) maar ook een aanzienlijk deel van de vaststellingsaanvragen moet nog door het UWV worden ontvangen (zie de Kamerbrief van 20 september 2021). 

Read more

13.10.2021 NL law
FAQ: Hoe een begrip uit te leggen als een definitie of andere uitleg ervan in de wettelijke regeling ontbreekt?

Short Reads - Hoe een begrip uit te leggen als een definitie of andere uitleg ervan in de wettelijke regeling ontbreekt? Deze vraag komt meer dan eens aan de orde in geschillen en procedures. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoordt deze vraag onder meer in een uitspraak over pleziervaartuigen en woonschepen in de jachthaven te Kaag (25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897).

Read more

07.10.2021 NL law
Intrekking van natuurvergunningen en de praktijk: de stand van zaken en de rol van significantie van eventuele effecten

Short Reads - Onherroepelijke natuurvergunningen lijken anno 2021 geen rustig bezit meer te zijn. Bij provincies liggen op dit moment verzoeken voor om tot intrekking van (onherroepelijke) natuurvergunningen over te gaan. Intrekking zou een noodzakelijke passende maatregel zijn ter uitvoering van artikel 6, lid 2 Habitatrichtlijn. Jurisprudentie geeft inmiddels enige duidelijkheid. Maar de praktijk blijkt weerbarstig en laat zien dat de nodige vragen onbeantwoord blijven. In dit blog bespreken wij de stand van zaken.

Read more

13.10.2021 NL law
De hardheidsclausule en ander maatwerk in het licht van de NOW

Short Reads - Uitzonderingen op de NOW zijn volgens de bestuursrechter niet mogelijk door het bewust ontbreken van een hardheidsclausule, maar worden door de minister in bepaalde gevallen wel toegestaan. In dit artikel bespreekt Sandra Putting welke mogelijkheden bestuursorganen en de bestuursrechter hebben om maatwerk te bieden en wordt aan de hand van drie geschilpunten over de NOW beoordeeld hoe die mogelijkheden zijn ingezet of beter hadden kunnen worden ingezet.

Read more