Articles

Prijskortingen en enkele andere regels inzake marktpraktijken verder geliberaliseerd of aangepast

Prijskortingen en enkele andere regels inzake marktpraktijken verder geliberaliseerd of aangepast

Prijskortingen en enkele andere regels inzake marktpraktijken verder geliberaliseerd of aangepast

04.01.2016 BE law

De wet van 26 oktober 20151 heeft naast andere aanpassingen aan het Wetboek van economisch recht (hierna "WER") ook belangrijke inhoudelijke wijzingen doorgevoerd in boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming", onder meer inzake prijskortingen. De wijzingen traden in werking op 9 november 2015.

Ook beschikbaar in het Frans.

1. Opheffing beperkingen prijspromoties

De meest in het oog springende wijziging betreft de opheffing van de regels inzake aankondigingen van prijsverminderingen. Deze opheffing is het gevolg van het arrest van 10 juli 2014 van het Hof van Justitie2 waarin België werd veroordeeld o.m. omdat de bepalingen inzake aankondigingen van prijsverminderingen uit de Wet marktpraktijken van 6 april 2010 in strijd werden bevonden met Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken3. Deze bepalingen verplichtten bij prijsverminderingsaankondigingen o.m. enerzijds te verwijzen naar de referentieprijs, i.e. de laagste prijs die werd toegepast in de maand vóór de prijsvermindering, en anderzijds de aankondiging van de prijsvermindering te beperken in tijd (max. 1 maand). De wetgever had identieke bepalingen opgenomen in de artikelen VI.18 tot VI.21 WER en heeft het arrest van het hof uitgevoerd door deze artikelen volledig af te schaffen. De gelijkaardige bepalingen inzake de referentieprijs bij uitverkopen en seizoenskoopjes zoals opgenomen in de artikelen VI.23, §4 en VI.26, §2 en §3 WER worden eveneens opgeheven. Ook de overeenstemmende bepalingen in Boek XIV (beoefenaars van vrije beroepen) worden aangepast (dat geldt eveneens voor een aantal andere wijzigingen die hierna besproken worden).

Het gevolg van deze afschaffing betekent niet dat alle praktijken met betrekking tot aankondigingen van prijsverminderingen nu toegelaten zijn. De algemene regels inzake oneerlijke handelspraktijken jegens de consumenten (zie artikelen VI.92 e.v. WER) zullen immers nog steeds moeten nageleefd worden. Zo zullen volgens de Memorie van toelichting bijvoorbeeld de prijspromoties niet strijdig mogen zijn met artikel VI.97, 4° WER inzake misleidende reclame aangaande de prijs, de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel.

Maar een ander gevolg is bijvoorbeeld evenzeer dat er geen verbod meer is om aankondigingen van prijsverminderingen twee maanden te laten duren, voor zover zij niet misleidend of oneerlijk zijn. Eén en ander zal wellicht nog tot veel discussie aanleiding geven waar nu de grens precies ligt.

2. Opheffing verbod voorschot of betaling te vragen binnen 7 werkdagen bij overeenkomsten gesloten buiten de onderneming

Een andere wijziging betreft de opheffing van het verbod opgenomen in artikel 67, §2, laatste lid WER om bij overeenkomsten gesloten buiten de onderneming een voorschot of betaling te eisen vóór het verstrijken van een termijn van zeven werkdagen, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van de ondertekening van de overeenkomst. De wetgever oordeelde dat dit verbod, in combinatie met de herroepingstermijn van 14 dagen, de zaken nodeloos ingewikkeld maakte en aanzienlijke administratieve lasten met zich meebracht voor de ondernemingen. Bovendien bestond dit verbod niet voor de overeenkomsten gesloten in salon, beurzen en tentoonstellingen, noch voor overeenkomsten op afstand hetgeen niet bijdroeg aan de uniformiteit en duidelijkheid van de bepaling.

3. Ongewenste reclame

Voorts beoogt de nieuwe wet enkele ongewenste gevolgen van de telecomwet van 10 juli 2012 recht te zetten op het vlak van ongewenste reclame. Deze wet kende aan de telefoonabonnees het recht toe om zich te verzetten tegen telefoonoproepen voor marketingdoeleinden. De wet definieerde abonnee als "een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een nummer dat toegekend is door een operator voor de levering van elektronische-communicatiediensten en die gebruik maakt van een elektronische-communicatiedienst ingevolge een met een operator gesloten contract"4. Een letterlijke lezing van de definitie had volgens de Memorie van toelichting tot gevolg dat het verzetsrecht niet langer voorzien was voor geadresseerden van communicaties die via andere technieken plaatsvinden (als voorbeeld noemt de Memorie van toelichting de persoonlijk gerichte brieven). De nieuwe wet beoogt dat recht te herstellen.

Verder worden twee paragrafen aan het artikel toegevoegd, met name artikel VI.110, §3 WER dat bepaalt dat geen enkele kost mag worden aangerekend aan de geadresseerde omwille van de uitoefening van zijn recht op verzet en artikel VI.110, §4 WER dat het verbiedt om de identiteit van de onderneming, uit naam waarvan de communicatie plaatsvindt, te verbergen bij de verzending van reclame via een communicatietechniek bedoeld in artikel VI.110, §2 WER.

4. Etikettering

Ten slotte brengt de nieuwe wet ook enkele kleinere wijzingen inzake marktpraktijken met zich mee. Zo wordt bij wijze van voorbeeld artikel VI.8, 1e lid WER aangepast in de zin dat de verplichte vermeldingen inzake etikettering ook aan de taalvereisten moeten voldoen indien deze door Europa zouden zijn geregeld door te verwijzen naar de etiketteringsvermeldingen opgelegd "door de verordeningen van de Europese Unie die de bepalingen van dit boek of de voornoemde uitvoeringsbesluiten vervangen".

 

Voetnoten:

  1. Wet houdende wijziging van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere wijzigingsbepalingen, B.S. 30.10.2015, ed. 3, p. 66467
  2. Zaak C-421/12
  3. Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. L 149, 11 juni 2005, p. 22
  4. Zie art. 2 Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie – inmiddels gewijzigd

Team

Related news

30.07.2019 BE law
Un matelas descellé et le droit de rétraction

Articles - Dans un arrêt du 27 mars 2019, la Cour de justice a conclu qu’un matelas, dont la protection a été retirée par le consommateur après la livraison de celui-ci et qui a potentiellement été en contact avec un corps humain, ne relève pas de l’exception au droit de rétraction[1] (pour des raisons de protection de la santé ou d’hygiène) prévue à l’article 16, sous e), de la directive 2011/83 relative aux droits des consommateurs[2] (i.e. l’article VI.53 CDE).

Read more

30.07.2019 BE law
Des contraintes d’espace dans des publicités dans le cadre des contrats conclus à distance

Articles - Walbusch Walter Busch a inséré dans des journaux et revues un prospectus publicitaire de six pages contenant un bon de commande sous la forme d’une carte postale détachable. Ce prospectus ne contenait pas de formulaire de rétraction[1]. La cessation de la publication du prospectus a été demandée et a été accueillie en première instance mais réformée en appel.

Read more

30.07.2019 BE law
Ontzegelde matras en het herroepingsrecht

Articles - In een arrest van 27 maart 2019 concludeerde het Hof van Justitie dat een matras, waarvan de beschermfolie door de consument na ontvangst werd verwijderd en die mogelijk in contact is geweest met een menselijk lichaam, geen uitzondering uitmaakt op het herroepingsrecht[1] (om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne) zoals bedoeld in artikel 16, onder e), van Richtlijn 2011/83 betreffende consumentenrechten[2] (dwz artikel VI. 53 WER).

Read more

30.07.2019 BE law
Bedrijfsgeheimen en ex-werknemers

Articles - Een vaak voorkomend probleem bij het vertrek van werknemers is de know-how die ze hebben opgebouwd in het bedrijf en meenemen naar een nieuw bedrijf. In welke mate mag hiervan gebruik gemaakt worden?

Read more

30.07.2019 BE law
Agressieve handelspraktijk: het hof van justitie verduidelijkt het begrip

Articles - Het Hof van Justitie werd verzocht om een antwoord te geven op de prejudiciële vraag of het gebruik door een handelaar van een methode[1] voor het sluiten of aanpassen van overeenkomsten betreffende het verrichten van telecommunicatiediensten, waarbij een consument het definitieve besluit over de transactie moet nemen in aanwezigheid van de koerier die de modelovereenkomsten overhandigt, als een agressieve handelspraktijk door ongepaste beïnvloeding moet worden aangemerkt in de zin van artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29[2] (i.e. artikelen VI. 101 en 102 WER).

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring