Articles

Wie is verantwoordelijk voor een adequate overgangsregeling bij de beëindiging van langdurige subsidierelaties die dienen tot uitvoering van wettelijke taken?

Wie is verantwoordelijk voor een adequate overgangsregeling bij de beëindiging van langdurige subsidierelaties die dienen tot uitvoering van wettelijke taken?

Wie is verantwoordelijk voor een adequate overgangsregeling bij de beëindiging van langdurige subsidierelaties die dienen tot uitvoering van wettelijke taken?

22.10.2014 NL law

Op 8 oktober 2014 heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan over de vooraankondiging tot beëindiging van een langdurige subsidierelatie.

(ECLI:NL:RVS:2014:3649). Eerder berichtten wij op dit blogook al over een aantal uitspraken in dit verband. Met name de vooraankondiging waarbij nog onduidelijkheid bestaat of (ook) de met de subsidie gepaard gaande wettelijke taak zal worden beëindigd, leidt tot dilemma’s.

In de uitspraak van 8 oktober 2014 staat het hoger beroep van Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland centraal, die rechtsmiddelen heeft aangewend tegen een aankondiging d.d. 20 december 2012 van gedeputeerde staten (GS) van Zuid-Holland tot beëindiging van de langdurige subsidierelatie met het Bureau. In die aankondiging staat vermeld dat de subsidie met ingang van 1 januari 2015 zal worden stopgezet. 1 januari 2015 was de datum waarop de nieuwe stelselwijziging in werking zou moeten treden.

Inmiddels is bekend dat aanstaande 1 januari inderdaad de wet- en regelgeving met betrekking tot jeugdzorg ingrijpend zal veranderen. Ten tijde van de aankondiging tot subsidiebeëindiging was dit echter nog niet zo evident (er lag toen alleen nog een wetsontwerp en overigens zijn ook nu in oktober 2014 nogmediaberichten te lezen dat gemeenten feitelijk uitstel krijgen voor bijvoorbeeld de inkoop van plaatsen in jeugdzorginstellingen).

Bureau Jeugdzorg beklaagt zich dat het niet mogelijk was om én te anticiperen op de aangekondigde subsidiestop én om volledig zijn wettelijke jeugdzorgtaak te blijven vervullen tot 1 januari 2015 (waarvoor immers die subsidie nodig is). Dit gold te meer, omdat ten tijde van de vooraankondiging nog onduidelijk was of de nieuwe stelselwijziging inderdaad met ingang van 1 januari 2015 zou (kunnen) worden doorgevoerd. Dergelijke bezwaren horen wij vaker bij de beëindiging van langdurige subsidierelaties (zie daarvoor ook ons eerdere, hiervoor al aangehaalde blogbericht).

Anders dan in eerdere uitspraken erkent de Afdeling dit probleem van Bureau Jeugdzorg ook nadrukkelijk. In de uitspraak is namelijk opgenomen dat “de stichting geen of onvoldoende substantiële maatregelen kan treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen, omdat zij tot 1 januari 2015 een wettelijke taak heeft en voorts nog niet geheel duidelijk is welke werkzaamheden – naast de in de Jeugdwet geregelde taken – haar na 1 januari 2015 zullen worden toebedeeld, zodat niet duidelijk is op welke wijze de gevolgen van de beëindiging kunnen worden ondervangen.”

Juist voor deze situaties is artikel 4:51 Awb bedoeld. Dit wetsartikel moet de ontvanger van een langdurige subsidie behoeden tegen – in onze eigen bewoordingen – onevenredige gevolgen van de beëindiging van die subsidie. Dat wetsartikel schrijft immers voor dat “gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie (….) slechts met inachtneming van een redelijke termijn” mag geschieden. Standaardjurisprudentie van de Afdeling in deze, ook aangehaald in de uitspraak van 8 oktober 2014, bepaalt dat die redelijke termijn de subsidieontvanger “in staat [moet] stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de (…) beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen.”

Beroep gegrond, zo zou nu mogelijk kunnen worden gedacht. De uitspraak luidt echter anders. De Afdeling constateert namelijk voorts dat de situatie die bij Bureau Jeugdzorg is ontstaan, “buiten de macht” van GS ligt. Het is immers de (rijks)wetgever  – en niet GS – die is overgegaan tot de stelselwijziging in de Jeugdzorg, aldus de Afdeling.

Uit de uitspraak kan verder worden opgemaakt dat wanneer een bepaalde situatie buiten de macht van de subsidieverlener ligt, hij in het kader van artikel 4:51 Awb (niet meer) dan “de grootst mogelijke zorgvuldigheid” moet betrachten. De zorgvuldigheid bestaat uit twee elementen, namelijk:

i) het tijdig aankondigen van de stelselwijziging, en

ii) “zich in overleg met de bij de stelselwijziging betrokken instanties in te spannen een aanvaardbare overgangssituatie voor de stichting te realiseren.”

Hieraan hebben GS in dit geval volgens de Afdeling voldaan door onder meer met het IPO, de VNG en het Rijk afspraken te maken over de transitie en het opvangen van frictiekosten. Voor GS bestond op grond van artikel 4:51 Awb dan ook geen verplichting om bijvoorbeeld een overgangssubsidie aan Bureau Jeugdzorg toe te kennen, zo bepaalt de uitspraak.

Wij vinden de knip die de Afdeling hier maakt tussen enerzijds de beoogde bescherming van artikel 4:51 Awb en anderzijds de vraag of de desbetreffende subsidieverlener daarop invloed kan uitoefenen, opmerkelijk. GS zijn als subsidieverlener immers degenen die volgens artikel 4:51 Awb een redelijke termijn in acht moet nemen. Bovendien, en dat versterkt ons standpunt, zijn de financiële middelen die GS in de vorm van subsidie aan Bureau Jeugdzorg toekent, feitelijk uiteindelijk afkomstig van het Rijk. Het Rijk is in ieder geval degene die invloed heeft op de stelselwijziging.

Zoals gezegd zouden GS als subsidieverlener de beoogde bescherming van artikel 4:51 Awb bieden (het Rijk heeft immers geen financiële relatie met de Stichting). Wanneer dat vervolgens tot nadelige gevolgen voor GS leidt, zullen GS volgens ons zelf bij het Rijk moeten aankloppen en de gevolgen niet bij Bureau Jeugdzorg moeten laten liggen. Met de uitspraak die nu voorligt, staat Bureau Jeugdzorg echter met lege handen. Zou het Bureau nog een andere actie kunnen ondernemen? Wellicht zou het een onrechtmatige daadsvordering jegens de Staat kunnen instellen gezien de feitelijke constateringen van de Afdeling in deze uitspraak. Dit is echter geen ideale route, nu artikel 4:51 Awb juist voor dit soort situaties lijkt te zijn bedoeld en de beoogde (laagdrempelige) bescherming ook daadwerkelijk zou moeten worden geboden.

 

Team

Related news

24.05.2019 BE law
Europees milieurecht: wat na 26 mei?

Articles - Het domein van milieurecht kent een sterke Europeesrechtelijke inslag. Voor basisregels inzake natuurbescherming, luchtkwaliteit of klimaat, ligt het juridisch zwaartepunt al lang niet meer bij de lidstaten. Reden te meer om in de gaten te houden wat er op EU-niveau in de pijplijn zit en op lidstaten afkomt. Ook na de Europese verkiezingen zal de nieuwe Europese Commissie verschillende initiatieven nemen. Zowel impliciet als expliciet lichtten de Commissie en haar vertegenwoordigers de voorbije maanden al een tipje van de sluier op.

Read more

21.05.2019 EU law
Part one - GDPR and Public Law - Applicability of GDPR to public bodies

Articles - Since the GDPR became applicable almost one year ago, multiple questions have arisen about its interaction with other fields of law. In this three-part blog series of “GDPR and Public Law”, we discuss three relevant issues of the interaction of GDPR with public law and government. In this blog we discuss the applicability of GDPR to public bodies.

Read more

23.05.2019 NL law
Seminar "Het Omgevingsplan onder de loep"

Seminar - Op 23 mei 2019 organiseert Stibbe een seminar over het omgevingsplan. Het omgevingsplan wordt het centrale instrument in de Omgevingswet. Het omgevingsplan reguleert gebruik en bebouwing in de fysieke leefomgeving, verdeelt beschikbare milieuruimte, stuurt milieubelastende activiteiten en regelt kostenverhaal bij ruimtelijke ontwikkelingen. 

Read more

20.05.2019 NL law
Animatie: Wanneer moet een ongewoon voorval op grond van de Wet milieubeheer gemeld worden?

Short Reads - Een incident zit in een klein hoekje. Een ogenschijnlijk klein incident in een inrichting kan echter grote gevolgen met zich brengen. Als zich binnen een inrichting een ongewoon voorval voordoet, is de drijver van die inrichting verplicht om dat ongewone voorval zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag te melden. In de praktijk levert dit met enige regelmaat vragen op, want wanneer is een voorval zo ongewoon dat het gemeld moet worden?

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring