Short Reads

Coördinatieverplichting uit IPPC-richtlijn heeft rechtstreekse werking

Coördinatieverplichting uit IPPC-richtlijn heeft rechtstreekse werking

Coördinatieverplichting uit IPPC-richtlijn heeft rechtstreekse werking

22.07.2014 NL law

Op 11 juni 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat een burger zich rechtstreeks voor de nationale rechter kan beroepen op artikel 7 van de IPPC-richtlijn (ECLI:NL:RVS:2014:2120). Deze bepaling bevat de plicht om de procedures te coördineren van de vergunningen die een grondslag vinden in de implementatieregelgeving van de IPPC-richtlijn.

(ECLI:NL:RVS:2014:2120)

Aanleiding

GS van Overijssel hebben een watervergunning verleend voor het onttrekken en infiltreren van grondwater voor een systeem voor koude- en warmteopslag (KWO-systeem) voor het koelen en verwarmen van stallen voor pluimvee. Een derde stelt beroep en vervolgens hoger beroep in tegen deze vergunning en betoogt dat watervergunning ten onrechte niet gecoördineerd met de omgevingsvergunning voor milieu die ook nodig is voor het KWO-systeem, en de omgevingsvergunning voor het milieu voor een voorgenomen uitbreiding van de stallen.

Daarvoor beroept hij zich op de coördinatiebepaling in de artikel 6.27 Waterwet, en stelt hij, indien blijkt dat artikel 6.27 lid 1 van de Waterwet geen coördinatieverplichting bevat voor het onderhavige geval, artikel 6.27 lid 1 van de Waterwet een onjuiste omzetting is van de coördinatieverplichting uit artikel 7 van IPPC-richtlijn.

De IPPC-richtlijn heeft als doel de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging in lucht, water of bodem van specifiek genoemde activiteiten, waaronder grootschalige intensieve pluimveehouderij. Hierbij geldt een vergunningplicht voor ‘installaties’. Artikel 7 van de IPPC-richtlijn verplicht – met het oog op een doeltreffende geïntegreerde aanpak door alle autoriteiten die voor de procedure bevoegd – de lidstaten de nodige maatregelen te treffen opdat de vergunningsprocedure en -voorwaarden ten volle worden gecoördineerd.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling overweegt dat de coördinatieverplichting uit artikel 6.27 lid 1 van de Waterwet uitsluitend van toepassing is bij aanvragen om een watervergunning voor de activiteit “lozen”. Het “onttrekken en infiltreren van grondwater” waarvoor de vergunning is verleend, is niet hetzelfde als “lozen”.

De vraag blijft dan over de coördinatieverplichting in de Waterwet een juiste omzetting vormt van artikel 7 van de IPPC-richtlijn, nu hieruit geen coördinatieverplichting voor het “onttrekken en infiltreren van grondwater” voortvloeit.

Ten eerste overweegt de Afdeling dat op grond van de IPPC-richtlijn de watervergunning en de benodigde omgevingsvergunning voor milieu hadden moeten worden gecoördineerd. Het KWO-systeem vormt tezamen met de stallen één installatie waarop de IPPC-richtlijn van toepassing is. Het KWO-systeem staat namelijk technisch in verband met de stallen, en het onttrekken en infiltreren van grondwater ten behoeve van het systeem kan gevolgen hebben voor de verontreiniging nu daardoor warmte in de bodem wordt gebracht en de in de bodem aanwezige verontreiniging kan worden verspreid.

Nu de Waterwet de coördinatieverplichting beperkt tot watervergunningen voor lozen is de IPPC-richtlijn niet op juiste wijze omgezet.

De tweede stap is dat artikel 7 van de IPPC-richtlijn rechtstreekse werking heeft. De Afdeling overweegt dat de coördinatieverplichting nauwkeuring en onvoorwaardelijk is. Bovendien is de verplichting opgesteld in ondubbelzinnige bewoordingen en laat de bepaling geen ruimte voor afwijkingsmogelijkheden of andere vormen van beleids- of beoordelingsvrijheid aan de zijde van het bestuursorgaan. Om die reden oordeelt de Afdeling dat de derde zich rechtstreeks op de coördinatieverplichting uit artikel 7 van de IPPC-richtlijn kan beroepen. Het hoger beroep is gegrond.

Commentaar op uitspraak

Deze uitspraak geeft aanleiding voor diverse opmerkingen. In een annotatie in Tijdschrift Milieu en Recht zullen wij hier nader op ingaan. Voor nu volstaan wij met de volgende drie aandachtspunten:

  1. Niet alle omgevingsrechtelijke procedures moeten worden gecoördineerd. Voor een beroep op de coördinatieverplichting uit artikel 7 van de IPPC-richtlijn is van belang dat slechts de procedures moeten worden gecoördineerd van de vergunningen die een grondslag hebben in regelgeving die een implementatie vormt van de IPPC-richtlijn. Zo heeft de Afdeling het betoog afgewezen dat een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet moest worden gecoördineerd met een vergunning op grond van de Wet milieubeheer (ECLI:NL:RVS:2011:BR5684). De Natuurbeschermingswet vormt namelijk geen implementatie van de IPPC-richtlijn.
  2. De IPPC-richtlijn is vervangen door de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), maar hiermee is geen verandering in de coördinatiebepaling gekomen. De RIE kent in artikel 5 lid 2 een soortgelijke coördinatiebepaling als artikel 7 in de IPPC-richtlijn.  Bij de implementatie van de RIE per 1 januari 2013 in Nederlandse wet- en regelgeving zijn geen materiële aanpassingen geweest in de nationale coördinatiebepalingen Dit betekent dat wanneer zich in de toekomst een soortgelijke zaak nog eens voordoet, ook aan artikel 5 lid 2 van de Richtlijn Industriële Emissies rechtstreekse werking moet worden toegekend indien de Waterwet niet wordt aangepast.
  3. Op 17 juni 2014 is het wetsvoorstel voor de Omgevingswet bij de Tweede Kamer ingediend. De voorgestelde Omgevingswet integreert de gebiedsgerichte onderdelen van 26 huidige wetten in één wet met één samenhangend stelsel van planning, besluitvorming en procedures. De Waterwet wordt ook ondergebracht in de Omgevingswet. In het huidige wetsvoorstel is echter opgenomen dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning naar keuze betrekking kan hebben op één of meer activiteiten. Bepaalde, nog nader te benoemen wateractiviteiten moeten volgens artikel 5.7 lid 2 van het wetsvoorstel zelfs los worden aangevraagd van andere activiteiten. En er is wederom alleen een verplichting voor coördinatie opgenomen bij lozingen. Gelet op de hier besproken uitspraak van de Afdeling moet dit worden aangepast.

 

Team

Related news

09.11.2018 NL law
Het Europese PAS-arrest: een programmatische aanpak is toelaatbaar, maar PAS op!

Short Reads - Op 7 november 2018 heeft het Europese Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak beantwoord over de toelaatbaarheid onder de Habitatrichtlijn van het Programma Aanpak Stikstof. De eerste reacties op dit arrest bevatten twijfels over de houdbaarheid van het PAS: het houden van vee wordt moelijker en PAS-vergunningen kunnen niet worden verleend of moeten worden ingetrokken.

Read more

30.10.2018 BE law
Gemeentelijk parkeerbeleid onder de loep

Articles - Mobiliteit en parkeren blijven gevoelig thema's, zoals recent nog maar eens bleek uit de Pano reportage "Parkeren in Vlaanderen" of zoals vorig jaar nog bleek bij de intrede van het Gents circulatieplan. De soms erg grote verschillen in het mobiliteits- en parkeerbeleid van verschillende steden en gemeenten kan voor een buitenstaander inderdaad soms bevreemdend overkomen.  Tijd dus voor een toelichting van drie erg verschillende gemeentelijke mogelijkheden om parkeerbeleid vorm te geven.

Read more

09.11.2018 BE law
Grondwettelijk Hof: ook verwerpingsarresten van de Raad van State moeten verjaringsstuitende werking hebben

Articles - Bij arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordeelt het Hof dat artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het tot gevolg heeft dat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de verwerpingsarresten, het gelijkheidsbeginsel schendt.

Read more

30.10.2018 NL law
Bestuurlijke boete onderuit: boetebedrag in gemeentelijke huisvestingsverordening in strijd met de wet vastgesteld

Short Reads - Op 13 juni 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ("Afdeling") een voor de boetepraktijk belangrijke uitspraak gewezen. In die zaak oordeelde de Afdeling dat er geen grondslag was om een boete op te leggen voor overtreding van de Huisvestingswet 2014. De gemeente Tilburg had in strijd met de Huisvestingswet gehandeld door in haar huisvestingsverordening niet voor verschillende overtredingen van de wet concrete boetebedragen vast te stellen.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring