Short Reads

Warmtewet na lange aanloop in werking in 2014

Warmtewet na lange aanloop in werking in 2014

Warmtewet na lange aanloop in werking in 2014

08.01.2014 NL law

Na jarenlang onderwerp van discussie te zijn geweest is op 1 januari 2014 de Warmtewet in werking getreden. Het doel van de Warmtewet is kort gezegd het beschermen van kleinverbruikers (d.w.z. verbruikers met een aansluiting van maximaal 100 kW, zijnde consumenten en kleinzakelijke afnemers) die van warmtelevering afhankelijk zijn voor wat betreft ruimteverwarming en tapwater. In Nederland is ca. 7% van alle huishoudens op een warmtenet aangesloten.

Regulering van de kleinschalige warmteleveringsmarkt is ingegeven door de natuurlijke monopoliepositie die warmteleveranciers hebben: doorgaans is er één leverancier per warmtenet en het recht voor kleinverbruikers op een gasaansluiting vervalt in gebieden waar zich een warmtenet bevindt, of gaat bevinden. De Warmtewet tracht kleinverbruikers te beschermen door, middels onderstaande elementen, een betrouwbare en betaalbare warmtelevering te bevorderen.

Maximumprijs

Het stokpaardje van de Warmtewet is de introductie van een maximumprijs voor warmtelevering. Leveranciers van warmte aan kleinverbruikers zijn gebonden aan dit, door de ACM jaarlijks vast te stellen, prijsplafond. Wanneer een leverancier warmte voor een hogere prijs levert dan is toegestaan, wordt de leveringsprijs van rechtswege verlaagd tot het vastgestelde maximum. Klik hier voor de voor 2014 vastgestelde tarieven.

Aanleiding voor het reguleren van de warmteprijs is onder meer de oorspronkelijke veronderstelling dat verbruikers aangesloten op een warmtenet méér voor warmte betalen dan verbruikers aangesloten op een gasnet. Bijgevolg is de maximumprijs met inwerkingtreding van de Warmtewet formeel gekoppeld aan de gassituatie: de in het Warmtebesluit vastgelegde formule voor het bepalen van de maximumprijs is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten van gaslevering. Aldus zijn de integrale kosten die een kleinverbruiker moet maken voor het verkrijgen van warmte via een warmtenet, in beginsel niet méér dan via een cv-ketel op gas (het “Niet Meer Dan Anders-principe”, hierna “NMDA“). Daarbij geldt dat slechts de totaalprijs van warmtelevering gebonden is: de verschillende (gebruiksafhankelijke en –onafhankelijke) componenten kunnen wel degelijk afwijken van de vergeleken gassituatie. Referentiekader is de gemiddelde gasverbruiker. Overigens werd het NMDA-principe in de markt reeds geadviseerd, zodat grote prijswijzigingen onwaarschijnlijk zijn.

Met betrekking tot de gebruiksafhankelijk kosten bepaalt de Warmtewet dat deze, in tegenstelling tot de voorheen veelal gebruikte marktwaardemethode, berekend worden aan hand van de rendementsmethode. Dat wil zeggen dat de warmteprijs per GJ warmte afhangt van de prijs voor de hoeveelheid gas die nodig is om met een gasketel eenzelfde hoeveelheid warmte te produceren.

Andere kosten

De huur- of koopkosten van een warmtewisselaar en –meter vallen niet binnen de maximumprijs. De kosten van de warmtewisselaar moeten redelijk zijn. Ook het meettarief voor warmteverbruik en de eenmalige aansluitingskosten op een bestaand warmtenet vallen buiten de maximumprijs: beide zijn gemaximeerd op een aan de gassituatie ontleend tarief. Klik hier voor meer informatie.

Mogelijk rendementsbeperking

De ACM houdt thans toezicht op de rendementen in de warmteleveringsmarkt. Indien na de eerste periode van toezicht van twee jaar blijkt dat leveranciers onredelijke rendementen behalen, zal de ACM mogelijk de bevoegdheid krijgen prijsverlaging van individuele leveranciers af te dwingen. De bepalingen waarin voornoemde bevoegdheid van de ACM zijn neergelegd zijn (nog) niet in werking getreden. Onbekend is nog hoe de ACM “redelijke rendementen” zal gaan definiëren en hoe deze rendementen berekend zullen worden. In een eerdere Memorie van Toelichting is wel bepaald dat bij de rendementsbepaling rekening gehouden zal worden met de gehele levensduur van een warmteproject en het gehele portfolio van de leverancier.

Noodvoorziening

Omwille van leveringszekerheid introduceert de Warmtewet een noodprocedure voor het geval een leverancier niet aan zijn wettelijke verplichtingen kan voldoen. De Minister van Economische Zaken (“Minister“) kan de volgende maatregelen treffen: (i) de leverancier opdragen voorzieningen te treffen teneinde de warmtelevering zeker te stellen, (ii) een stille curator aanwijzen wiens aanwijzingen opgevolgd dienen te worden, (iii) een noodleverancier aanwijzen, (iv) een warmteproducent opdragen warmte te produceren en ter beschikking te stellen aan de betreffende noodleverancier en (v) Gasunie transport services (GTS), onder voorwaarden, opdragen een gastransportnet aan te leggen ter vervanging van het warmtenet.

Vergunning

Ook omvat de Warmtewet een vergunningsplicht voor leveranciers. Slechts enkele kleine leveranciers, waaronder woningcorporaties, zijn hiervan uitgezonderd. De vereisten voor de vergunningsaanvraag en -verkrijging komen grotendeels overeen met de reeds bekende vereisten voor gas- en elektriciteitsleveranciers. Zotoetst de ACM de leverancier onder meer op haar organisatorische, financiële en technische kwaliteiten, welk vereiste uitgewerkt wordt in het Warmtebesluit.

Leveranciers die reeds vóór 1 januari 2014 warmte leverden aan kleinverbruikers dienen uiterlijk per 1 januari 2016 een vergunning aangevraagd te hebben. Let wel, dergelijke leveranciers zijn wel aanstonds aan de Warmtewet gebonden: (i) paragraaf 2.2 t.a.v. vergunninghouders is expliciet van toepassing verklaard en (ii) de overige verplichtingen uit de Warmtewet, waaronder de gemaximeerde warmteleveringsprijs, gelden voor leveranciers en niet slechts voor vergunningsplichtigen.

Woningcorporaties

Het zij opgemerkt dat een woningcorporatie, ondanks kritiek hieromtrent, eveneens onder de term “leverancier” in de zin van de Warmtewet kan vallen. Bijvoorbeeld wanneer zij voor haar complex een aansluiting op een warmtenet of een blokverwarmingssysteem heeft en deze warmte vervolgens (door)levert aan haar huurders (waarbij de aansluiting van betreffende huurders maximaal 100 kW bedraagt). Dergelijke woningcorporaties zullen zodoende aan de verplichtingen van de Warmtewet, m.u.v. de verplichtingen voor vergunninghouders, moeten voldoen.

Overig

Tot slot introduceert de Warmtewet (i) de verplichting voor leveranciers om een leveringsovereenkomst te sluiten welke aan de vereisten van art. 3 Warmtewet voldoet, (ii) een onderhandelingsplicht voor warmteproducenten en leveranciers met betrekking tot het beschikbaar stellen van warmte tegen redelijke prijzen en voorwaarden, (iii) de ACM als onafhankelijk toezichthouder van de warmteleveringsmarkt met de bevoegdheden neergelegd in artikel 15 e.v. Warmtewet, (iv) de plicht voor alle leveranciers om zich zo spoedig mogelijk na 1 januari 2014 te melden bij de ACM en (v) de bevoegdheid van de Minister om, in overeenstemming met de Minister van Infrastuctuur en Milieu, aan een warmteproducent eisen te stellen met betrekking tot het nuttig gebruik van restwarmte.

Meer informatie over de Warmtewet is te vinden op de website van de ACM. Alle kamerstukken van de Warmtewet zijn hier te vinden. Voor meer informatie omtrent de maximumprijs voor warmtelevering zie de nota van toelichting van het Warmtebesluit.

Related news

11.07.2019 NL law
Monitor Wind op Land 2018: Doelstelling voor 2020 naar verwachting niet gehaald, optimistisch over opgesteld vermogen in 2023

Short Reads - De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) stuurde op 28 juni 2019 de Monitor Wind op Land 2018 ("Monitor") naar de Tweede Kamer vergezeld van een kamerbrief. In de Monitor concludeert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) dat de doelstelling uit het Energieakkoord van 6.000 Megawatt (MW) aan opgesteld vermogen windenergie op land in 2020 naar verwachting niet zal worden gehaald. In dit blog zetten wij de aandachtspunten uit de Monitor op een rij.

Read more

18.07.2019 NL law
Geen concessieovereenkomst, geen inhouse-gunning OV-diensten aan interne exploitant op grond van de PSO-verordening

Short Reads - Het Hof van Justitie ("Hof") oordeelde onlangs in twee arresten ("Arrest I" en "Arrest II") dat artikel 5 lid 2 PSO-Verordening ("PSO") niet van toepassing is op de onderhandse gunning van opdrachten voor busdiensten die niet de vorm aannemen van een concessieovereenkomst. Artikel 5 lid 2 PSO bevat de voorwaarden voor onderhandse gunning van openbaredienstcontracten aan interne exploitanten.

Read more

11.07.2019 NL law
Niet nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit kan leiden tot een kennelijk gegrond beroep en een 'kale vernietiging'

Short Reads - Een hard gelag voor de gemeenteraad van Rotterdam en de ontwikkelaar: bij uitspraak van 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2298, verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep tegen het bestemmingsplan "De Nieuwe Wielewaal" zonder zitting kennelijk gegrond wegens het ontbreken van een m.e.r.-beoordelingsbesluit en vanwege een gebrekkige vormvrije m.e.r.-beoordeling. De sloop van 545 woningen en de nieuwbouw van 675 woningen lopen hierdoor grote vertraging op, omdat het bestemmingsplan eerst weer in ontwerp ter inzage moet worden gelegd.

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring