Short Reads

Nog steeds geen effectief rechtsmiddel tegen overschrijding redelijke termijn: wetgeving noodzakelijk

Nog steeds geen effectief rechtsmiddel tegen overschrijding redelijke

Nog steeds geen effectief rechtsmiddel tegen overschrijding redelijke termijn: wetgeving noodzakelijk

03.01.2014 NL law

Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat partijen een effectief rechtsmiddel moeten hebben om op te komen tegen overschrijdingen van de redelijke termijn van gerechtelijke procedures. 

In Nederland is dit in het bestuursrecht door de rechters zelf opgepakt en is er een slag in uniformiteit gemaakt door een conclusie van bestuursrechtelijke Advocaat-Generaal. In het civiele recht is dit echter anders. Uit een recente beslissing van het EHRM (13143/08, Van Galen e.a.) blijkt wederom dat Nederland niet voldoet aan zijn verdragsrechtelijke verplichting. In tegenstelling tot eerdere toezeggingen heeft de regering nog geen wetgeving voorgesteld om dit probleem aan te pakken. Ik bespreek hieronder deze problematiek, waarbij ik ook toelicht dat er in het bestuursrecht nog een stap te maken is.

Waar moet Nederland aan voldoen: redelijke termijn

Ingevolge artikel 6 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen onder meer recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Wat een redelijke termijn is, is niet eenduidig te zeggen. Het EHRM hanteert een casuïstische lijn. Daarbij kijkt het EHRM onder meer naar de complexiteit van de zaak, het gedrag van partijen en het materiële belang van de zaak. Compensatie van de duur tussen afzonderlijke procesonderdelen is voorts mogelijk. In de hiervoor genoemde conclusie van de bestuursrechtelijke AG wordt voorzichtig uit de rechtspraak van het EHRM afgeleid dat vier jaar voor twee instanties en zes jaar in het geval van drie rechterlijke instanties als regel door de beugel kunnen, en meer dan vijf jaar voor twee instanties als regel te lang is. Maar ook de AG merkt op dat de omstandigheden van het geval een belangrijke rol spelen.

Waar moet Nederland aan voldoen: effectief rechtsmiddel

Artikel 13 EVRM bepaalt dat bij een schending van een recht, een effectief nationaal rechtsmiddel voorhanden moet zijn. Bij de schending van de redelijke termijn kan een nationaal middel bestaan uit een versnellingsmiddel en/of een schadevergoeding. Als alleen wordt voorzien in het verkrijgen van schadevergoeding, wordt dat door het EHRM ook als voldoende effectief beschouwd.

Voor de liefhebber: klik hier voor een artikel met een uitgebreide toelichting op de jurisprudentie van het EHRM, de nationale rechter en (het ontbreken van) de procedures.

De Nederlandse praktijk bij bestuursrechtelijke geschillen

In het bestuursrecht proberen de rechters zelf zo goed mogelijk te voorzien in een effectief rechtsmiddel. De bestuursrechters doen dit door flexibel om te gaan met hun mogelijkheden om schadevergoeding toe te kennen. De bestuursrechter acht zich via verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 Awb (welk artikel is vervallen bij de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten per 1 juli 2013, daarover hierna meer) bevoegd om te oordelen over een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM door de bestuursrechter. Vervolgens wordt de Staat (vertegenwoordigd door de Minister van Justitie als verantwoordelijke voor de rechtspleging) als partij in de procedure opgeroepen om zich uit te laten over de hoogte van de vergoeding. Ook op gebieden waar artikel 6 EVRM niet rechtstreeks van toepassing is past de bestuursrechter dezelfde constructie toe, in het kader van de rechtszekerheid.

De bestuursrechters hebben hiermee de wetgever werk uit handen genomen. Zo goed, dat de wetgever ondanks een eerdere toezegging dat er wetgeving zou komen (waarvoor reeds een openbare consultatieversie van  de ‘Wet schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn’ was gepubliceerd), heeft aangekondigd niet meer met een formeel wetsvoorstel te komen. Op deze handelswijze is overigens wel kritiek. Ik meen ook dat het niet voorzien in een wettelijke regeling ongewenst is. Het is ten eerste aan de wetgever om de eenheid tussen rechters te waarborgen. Met de conclusie van de AG is een stap in de goede richting gezet, maar alleen als alle bestuursrechters deze conclusie vrijwillig zullen volgen. Ten tweede komt de vraag op of de bestuursrechters de praktijk van verdragsconforme toepassing van het voormalige artikel 8:73 Awb kunnen voortzetten onder de per 1 juli 2013 in werking getreden titel 8.4 Awb. Onder meer omdat daarin wordt voorzien in een aparte verzoekschriftprocedure voor een verzoek om schadevergoeding, maar ook omdat in het nieuwe artikel 8:88 Awb expliciet wordt gesproken over een vergoeding van schade als gevolg van een besluit van een bestuursorgaan. Dit zal weer leiden tot gekunstelde constructies. De Afdeling heeft reeds geoordeeld dat titel 8.4 Awb, bij het ontbreken van een wettelijke regeling voor verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, naar analogie zal worden toegepast.

Nederland voldoet niet aan EVRM bij civiele geschillen

Voor te lang durende civielrechtelijke geschillen is er echter nog geen volledige oplossing. De rechtszoekende staat bij overschrijding van de redelijke termijn geen formele versnellingsmogelijkheden ter beschikking.

De civiele rechter is ook van terughoudend bij het beoordelen van een ingediende schadeclaim voor ‘onrechtmatige rechtspraak’, de noemer waar een te lange procedure onder valt. Sinds een arrest van de HR uit 1971 is de lijn dat een schending van de redelijke termijn in beginsel niet tot een schadevergoeding kan leiden. Ik merk op dat er sinds 2009 wel een verschil in de rechtspraak is tussen civiele procedures waarbij de Staat één van de partijen is, en overige procedures. De civiele rechter heeft in procedures waarbij de Staat één van de partijen was – omdat de Staat werd gedaagd voor een schadevergoeding naar aanleiding van een onrechtmatig besluit – wel erkend dat schending van de redelijke termijn een vorm van onrechtmatige rechtspraak is die kan leiden tot de betaling van een schadevergoeding. In een procedure met louter particuliere partijen lijkt het hoogst haalbare dat de civiele rechter voor recht verklaart dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn, waarna een separate (langdurige) schadevergoedingsprocedure zou moeten worden gestart. De regering erkent dan ook al lange tijd dat er sprake is van een schending van de artikelen 6 en 13 EVRM.

Dit komt ook naar voren in de hiervoor genoemde recente beslissing van het EHRM inzake Van Galen e.a. In die zaak was er een klacht bij het EHRM ingediend op grond van de artikelen 6 en 13 EVRM na een procedure die vijftien jaar duurde over twee instanties (rechtbank en gerechtshof). De Nederlandse regering heeft vaker met dit soort procedures te maken. Zoals ook in de andere gevallen wordt door de Nederlandse vertegenwoordiger bij het EHRM bekeken of tot een schikking kan worden gekomen. In dit geval lukte dat niet. Dat betekent echter niet dat de mogelijkheden van de regering om de zaak van de rol te krijgen zijn uitgespeeld. De regering heeft namelijk vervolgens een eenzijdige verklaring afgelegd waarin wordt erkend dat er sprake is van een schending van de vereisten van het EVRM. Bij die verklaring wordt de klagers dan direct een bedrag aangeboden ter vergoeding van (materiële en immateriële) schade. Een dergelijke verklaring met schadevergoeding wordt dan door het EHRM gezien als reden om de zaak van de rol te schrappen, omdat een uitspraak kort gezegd niets meer toevoegt aan de reeds lang bestaande reeks van EHRM-jurisprudentie over dit onderwerp.

Met deze werkwijze verandert er voor de rechtzoekende helaas weinig. In een eerdere zaak voor het EHRM (inzake Voorhuis) heeft de Nederlandse regering in 2008 nog expliciet aangegeven dat er wetgeving wordt voorbereid om een effectief rechtsmiddel tegen te lange civiele procedures te creëren. Deze toezegging heeft het EHRM in die zaak uitdrukkelijk genoemd als reden om – ook die zaak – van de rol te schrappen. In de aangehaalde recente beslissing van het EHRM inzake Van Galen e.a. komt deze toezegging niet meer terug. Dat is een gemis. Juist de zaak Van Galen laat daarmee zien dat er nog steeds geen effectief rechtsmiddel voorhanden is tegen een te lang durende civiele procedure. De civiele rechter heeft zelf ook nog geen stap gemaakt, of wellicht kunnen maken, om buiten de wetgever om tot een effectief rechtsmiddel te komen. Er rest dan ook slechts één oplossing: de regering moet haar toezegging nakomen en met wetgeving komen. Bijkomend voordeel is dat met een integrale wetsregeling de hiervoor gesignaleerde tekortkomingen in de bestuursrechtelijke procedure ook kunnen worden opgelost. Ook kan dan in eenheid in de toepassing door alle rechters worden bereikt, én wordt voorzien in een betere kenbaarheid richting het publiek dat dan kan afgaan op een wettelijke regeling in plaats van diverse jurisprudentie.

Tot slot: het valt me altijd op dat de instantie die zich moet uitlaten over de lengte van gerechtelijke procedures, er zelf ook erg lang over doet. Daar zijn uiteraard redenen voor zoals een stortvloed aan zaken uit heel Europa, maar toch. In de aangehaalde procedure bij het EHRM was de klacht vijfenhalf jaar vóór de schrapping van de rol ingediend. Als de Nederlandse regering haar taak oppakt en zorgt voor een effectief rechtsmiddel tegen te lange procedures, dan hoeft een klager ook niet meer de lange rit naar en bij het EHRM te maken.

Related news

07.11.2019 NL law
Symposium 'From Stint to Fipronil: a compensation fund for victims of energetic government intervention in crisis situations

Seminar - Stibbe is organising a symposium in Amsterdam on Thursday 7 November entitled 'From Stint to Fipronil: a compensation fund for victims of energetic government intervention in crisis situations'. During this symposium, Stibbe lawyer Tijn Kortmann and Prof. Pieter van Vollenhoven, alongside other experts,  will speak about the compensation fund which, according to van Vollenhoven, injured parties should be able to call upon if a decision by the government turns out to be too drastic.

Read more

21.10.2019 EU law
Elektronische identificatie en ondertekening conform eIDAS

Articles - De eIDAS-verordening heeft een juridisch kader geïntroduceerd dat de betrouwbaarheid en acceptatie van elektronische transacties binnen de EU moet vergroten. Hiervoor wordt een gelijk speelveld beoogd waarin burgers en bedrijven binnen de EU met hun eigen nationale elektronische ID zich ook digitaal kunnen identificeren bij openbare instanties uit andere lidstaten. Daartoe worden uniforme eisen gesteld aan de betrouwbaarheidsniveaus van deze elektronische ID’s.

Read more

15.10.2019 NL law
Een nieuwe uittredingsregeling voor gemeenschappelijke regelingen

Short Reads - Op 26 augustus 2019 is de internetconsultatie gestart van een wetsvoorstel dat de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wijzigt. Het wetsvoorstel heeft als doel de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen te versterken. In een eerder bericht gingen wij al in op eerdere initiatieven om de Wgr te wijzigen en op de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregelen, waarbij zeggenschap over de begroting werd uitgelicht

Read more

21.10.2019 NL law
Omgevingsvergunning – beslistermijn, inwerkingtreding en onherroepelijkheid (FAQ)

Short Reads - Voor veel activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving is een omgevingsvergunning nodig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Bedrijven die dergelijke activiteiten willen ondernemen moeten dus een vergunning aanvragen. Het is niet altijd duidelijk welke procedure moet worden gevolgd, hoelang de procedure zal gaan duren en wanneer de vergunning gebruikt kan worden of onherroepelijk is.

Read more

15.10.2019 BE law
Avis du Maître architecte et organisation d’une réunion de projet. De nouvelles étapes préalables à la demande de permis d’urbanisme.

Articles - Une des nouveautés de la réforme du CoBAT adoptée le 30 novembre 2017, publiée au Moniteur belge le 20 avril 2018 et entrée en vigueur le 1er septembre 2019 (pour ce qui concerne les demandes de permis d’urbanisme) porte sur la création de deux nouvelles étapes préalables à l’introduction d’une demande de permis d’urbanisme : l’obtention de l’avis du Maître architecte, d’une part, et l’organisation d’une réunion de projet, d’autre part. 

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring