Articles

Environment & Permits: belangrijke wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het Grond- en Pandendecreet

Environment & Permits: belangrijke wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het Grond- en Pandendecreet

Environment & Permits: belangrijke wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het Grond- en Pandendecreet

25.04.2014 BE law

Op 15 april 2014 verscheen in het Belgisch Staatsblad het decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond en pandenbeleid (hierna: het “Wijzigingsdecreet”, voor de tekst, klik hier). Tenzij hierna anders vermeld, treedt het Wijzigingsdecreet in werking op de tiende dag na de bekendmaking, nl. vrijdag 25 april 2014.

Het Wijzigingsdecreet voorziet hoofdzakelijk wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO). Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen. Achtereenvolgens worden de wijzigingen inzake de planologie, de vergunningverlening en enkele overige wijzigingen besproken.

1. Naar een snellere en flexibelere planningsprocedure

Wijziging van bekendmaking van het openbaar onderzoek

Een ontwerp van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet voortaan worden onderworpen aan een openbaar onderzoek dat binnen de dertig dagen na de voorlopige vaststelling ervan, minstens wordt aangekondigd in het Belgisch Staatsblad. De aankondiging via o.m. aanplakking bij de gemeente(s) en publicatie in dagbladen en op de website van de planinitiërende overheid, wordt dus vervangen door (minstens) één aankondiging in het Belgisch Staatsblad.

Bovendien stelt het Wijzigingsdecreet uitdrukkelijk dat deze termijn van dertig dagen een termijn van orde betreft. Op die manier kan een openbaar onderzoek zo nodig worden hernomen (bijvoorbeeld omwille van procedurefouten in een eerste openbaar onderzoek).

Mogelijkheid tot intrekking en herneming van een ruimtelijk uitvoeringsplan

 

Met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, kan de planinitiërende overheid het besluit houdende de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan voortaan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, teneinde een wettigheidsgebrek recht te zetten.

Op grond van de klassieke intrekkingsleer kon de overheid reeds haar besluit houdende de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan intrekken, maar kon zij de beslissing tot definitieve vaststelling niet hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn van 180 dagen was verstreken.

Voortaan zal de overheid het besluit tot definitieve vaststelling kunnen hernemen indien zij beslist om de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan in te trekken om een bepaalde onregelmatigheid te verhelpen. Er is uitdrukkelijk voorzien dat dit buiten de vervaltermijn van 180 dagen kan.

Deze wijziging is belangrijk omdat het bestuur hierdoor ook na het verstrijken van de vervaltermijn het onwettig geachte ruimtelijk uitvoeringsplan kan intrekken en tot rechtsherstel kan overgaan, zonder te moeten wachten op de vernietiging van het ruimtelijk uitvoeringsplan door de Raad van State.

Het blijft echter nog steeds zo dat bij de definitieve vaststelling van het plan slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan, indien deze voortvloeien uit adviezen, opmerkingen of bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden geformuleerd.

Vereenvoudiging van het goedkeuringstoezicht op een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan

Op dit ogenblik dienen gemeentelijke en provinciale ruimtelijk uitvoeringsplannen na hun definitieve vaststelling nog te worden goedgekeurd door de hogere overheid. Bij de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is dit momenteel nog de deputatie; bij de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan is dit de Vlaamse Regering.

De verplichting voor de hogere overheid om goed te keuren, is vervangen door een schorsingsmogelijkheid. De bevoegde hogere overheden beschikken voortaan over een termijn van dertig dagen om de uitvoering van het besluit tot definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen.

Het besluit van de gemeente- of provincieraad tot definitieve vaststelling kan enkel worden geschorst omwille van de volgende limitatief opgesomde redenen:

 

  1. kennelijke onverenigbaarheid met een structuurplan1;
  2. strijdigheid met een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan2;
  3. strijdigheid met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan ruimtelijke ordening; en
  4. niet-naleving van een substantiële vormvereiste3.

De schorsingsbevoegdheid is met andere woorden beperkt tot de toetsing van het plan aan de legaliteit, niet de opportuniteit.

Indien het ruimtelijk uitvoeringsplan tijdig wordt geschorst, beschikt de gemeente- of provincieraad over een termijn van zestig dagen om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Doet zij dit niet, dan vervalt het ruimtelijk uitvoeringsplan. Bovendien kunnen enkel wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op het schorsingsbesluit.

Wanneer het besluit tot definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig wordt geschorst, dan wordt het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het ruimtelijk uitvoeringsplan treedt dan in werking veertien dagen na deze bekendmaking.

Deze wijzigingen zullen de goedkeuringsprocedure inkorten en de tussenkomst van de hogere overheid beperken tot een a posteriori legaliteitstoetsing. Daarnaast komt de planningsbevoegdheid meer dan nu het geval is, bij de lokale besturen te liggen. Zij worden aangemoedigd om een eigen beleid te voeren.

Deze regeling geldt slechts voor de voorontwerpen van provinciale en gemeentelijke ruimtelijk uitvoeringsplannen waarvan de uitnodiging voor de plenaire vergadering wordt verstuurd na de inwerkingtreding van het Wijzigingsdecreet.

Nieuwe delegatieregeling en planhiërarchie

Planologische bevoegdheden kunnen momenteel, mits toestemming van het initieel bevoegde bestuursniveau, deels of geheel worden gedelegeerd aan een ander bestuursniveau. Deze planologische delegatie is echter beperkt tot de gevallen waar meerdere planningsniveaus bevoegd zijn in een bepaald gebied en de ene planologische overheid aan de andere vraagt om bepaalde planonderwerpen waarvoor zij principieel niet bevoegd is, toch mee te nemen in het kader van het planinitiatief waarvoor zij wel bevoegd is. De hiërarchie van de plannen impliceert daarna dat een lager ruimtelijk uitvoeringsplan niet kan afwijken van een hoger ruimtelijk uitvoeringsplan.

Zowel de delegatie als de plannenhiërarchie worden grondig gewijzigd.

Om een verruimde toepassing van de delegatiebevoegdheid mogelijk te maken, voorziet het Wijzigingsdecreet voortaan in een algemene delegatie. Artikel 2.2.1, § 2 van de VCRO bepaalt dan ook voortaan dat “een planningsniveau (…) een planningsbevoegdheid (kan) delegeren aan een ander planningsniveau”. De delegatie is schriftelijk en omvat een omschrijving van het te plannen onderwerp, alsook van het gebied waarop het plan(-onderdeel) betrekking heeft.

De nieuwe delegatieregeling kan gecombineerd worden met de mogelijkheid voor een lager plan om af te wijken van een hoger plan, mits instemming van de hiërarchisch hogere overheid. Zodoende kunnen de voorschriften van het lager plan voortaan deze van het hoger plan vervangen. Een gedeeltelijke wijziging van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zal dus niet langer een herziening van dat ruimtelijk uitvoeringsplan op gewestelijk niveau vereisen.

2. Ook naar een flexibelere vergunningsverlening?

Wijziging van de bestaande afwijkingsmogelijkheden

Het Wijzigingsdecreet voorziet in nieuwe c.q. aangepaste mogelijkheden om af te wijken van een gewestplanbestemming. Het is bekend dat de decreetgever de gewestplannen als star en verouderd ervaart en er flexibele mechanismen voor wenst te voorzien. Eerder voerde de VCRO daarom al de zgn. “clichering” in. Die laat toe om af te wijken van de voorschriften van het gewestplan indien het aangevraagde project vergunbaar is overeenkomstig de gewestelijke vergelijkbare typebepalingen voor ruimtelijk uitvoeringsplannen. De clicheringsregel werd bekritiseerd omdat ze te ruim werd geacht.

De wijzigingen situeren zich op twee vlakken: (i) een verruimde afwijkingsmogelijkheid in bepaalde industriegebieden en (ii) een verstrenging van de clicheringsregels.

  • Verruimde afwijkingsmogelijkheid in bepaalde industriegebieden

 

Bepaalde gewestplannen bevatten zones die als gebieden voor milieubelastende activiteiten zijn aangeduid. In deze zones zijn volgens een strikte lezing van de gewestplanvoorschriften enkel milieubelastende bedrijven toegestaan. Indien de gemeente deze gebieden wenst open te stellen voor lokale bedrijvigheid of KMO’s, is de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan noodzakelijk. De planlast die daarmee gepaard gaat, werd te hoog bevonden. Het Wijzigingsdecreet komt aan deze problematiek tegemoet. Voortaan zijn in gebieden met de gewestplanbestemming “gebieden voor milieubelastende industrieën” of “gebieden voor vervuilende industrieën” ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen toelaatbaar mits de oppervlakte van die gebieden niet groter is dan 3 ha.

Voor gebieden die groter zijn dan 3 hectare of waarvoor de bestemming “gebieden voor milieubelastende industrieën” of “gebieden voor vervuilende industrieën” al in een ruimtelijk uitvoeringsplan werd hernomen, zal nog steeds een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan moeten worden opgemaakt. Bovendien ontslaat deze versoepeling het vergunningverlenend bestuur niet van haar verplichting om een gebeurlijke vergunningsaanvraag te toetsen aan de goede ruimtelijke ordening.

  • Beperking van de clichering

 

Artikel 4.4.9 VCRO voorziet thans in een zgn. “clichering” van stedenbouwkundige voorschriften. De vergunningverlenende overheid die een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag zou moeten afwijzen op grond van de onverenigbaarheid van het project met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, kan toch een vergunning kan verlenen als het project vergunbaar is op basis van de standaardtypebepalingen voor de overeenstemmende categorie van gebiedsaanduiding die geldt voor gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het gaat daarbij om standaardtypebepalingen vermeld in de bijlagen van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen.

De zgn. “clichering” is voornamelijk ingegeven vanuit de wens van de Vlaamse overheid om de inplanting van windturbines mogelijk te maken in agrarische gebieden. De clichering heeft volgens de decreetgever evenwel een te ruimte toepassing gekregen. In de praktijk diende de clichering voor het vergunnen van winkels in woonparken, van lawaaisporten in zones voor verblijfsrecreatie etc.

Het Wijzigingsdecreet beperkt de toepassing van artikel 4.4.9 VCRO daarom ook aanzienlijk: voortaan zal de clichering enkel kunnen worden toegepast voor stedenbouwkundige vergunningen “voor windturbines en windturbineparken, alsook voor andere installaties voor de productie van energie of energierecuperatie”. De clichering kan dus niet langer worden toegepast voor andere projecten, of ze nu onderworpen zijn aan een verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning.

Aanpassingen aan stedenbouwkundige vergunningsaanvragen hangende de procedure

Artikel 4.3.1, §1 VCRO bepaalt thans nog dat de deputatie in graad van beroep beperkte aanpassingen aan de bouwplannen kan eisen om de aanvraag in overeenstemming te brengen met het recht of met de goede ruimtelijke ordening. De aanpassingen zijn evenwel beperkt: zij mogen niet dienen om leemten in het aanvraagdossier op te vangen en hebben enkel betrekking op kennelijk bijkomstige zaken. 

Het Wijzigingsdecreet voorziet voortaan dat een aanpassing van de plannen mogelijk is indien de wijzigingen (i) geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens, het milieu of de goede ruimtelijke ordening, (ii) tegemoet komen aan adviezen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend of betrekking hebben op kennelijk bijkomstige zaken en (iii) geen schending van de rechten van derden met zich meebrengen.4 

De vergunningverlenende overheid krijgt ter zake dan ook meer mogelijkheden, zonder dat evenwel wordt geraakt aan de rechten van derden.

Gezamenlijke aanleg van nutsvoorzieningen in verkavelingen

De verkavelaar zal er voortaan moeten voor zorgen dat de in de verkaveling opgenomen loten kunnen worden aangesloten op alle voorzieningen van openbaar nut die worden vereist door de vergunningverlenende overheid. De verkavelingsvergunning kan bepalen op welke wijze de nodige infrastructuur voor de nutsvoorzieningen dient te worden voorzien.

Daarnaast zullen ook de nutsmaatschappijen die actief zijn op het grondgebied van de vergunningverlenende overheid, om advies moeten worden verzocht vooraleer de vergunningverlenende overheid in het kader van een verkavelingsdossier een last oplegt met betrekking tot de nutsvoorzieningen. De Vlaamse decreetgever hoopt op die manier de gelijktijdige aanleg van nutsvoorzieningen te bevorderen en de hinder ten gevolge van deze aanleg maximaal te beperken.5

De zaak van de wegen

In artikel 4.2.17 van de VCRO is reeds voorzien dat de gemeenteraad in het kader van een verkavelingsvergunning een beslissing dient te nemen over de zaak van de wegen. De gemeenteraad is immers bevoegd over de “zaak der wegen” op grond van het Gemeentedecreet. Een stedenbouwkundige vergunning kan echter ook wegeniswerken omvatten en wordt daarom nu ook uitdrukkelijk vermeld.

Indien een vergunningsaanvraag wegeniswerken omvat waarvoor de gemeenteraad bevoegd is, dan dient de gemeenteraad een beslissing te nemen over de zaak van de wegen, alvorens de vergunningverlenende overheid een beslissing neemt over de aanvraag. Het Wijzigingsdecreet voorziet dat bij het uitblijven van een beslissing van de gemeenteraad, de provinciegouverneur de gemeenteraad kan samenroepen om een beslissing te nemen over de zaak van de wegen. Deze nieuwe regeling is een goede zaak. In de praktijk bleven tal van dossiers geblokkeerd doordat de gemeenteraad niet werd samengeroepen om over de zaak der wegen een beslissing te nemen. Het is wel onduidelijk of deze bevoegdheid al in eerste aanleg kan worden uitgevoerd.

Tot slot wordt de beslissingstermijn voortaan verlengd tot 150 dagen indien de gemeenteraad een beslissing moet nemen over de zaak van de wegen. Dit geldt eveneens in beroepsprocedures waar de provinciegouverneur gebruik maakt van de mogelijkheid om de gemeenteraad samen te roepen. Daarnaast wordt de vervaltermijn voor aanvragen ingediend na 25 april 2014 binnen de bijzondere procedure verlengd van 60 dagen tot 105 dagen indien de aanvraag wegeniswerken omvat waarover de gemeenteraad dient te beslissen.

Verlenging van de beslissingstermijn in beroep

In voorkomend geval, dient in graad van beroep alsnog een openbaar onderzoek over de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag te worden georganiseerd. Omdat dat praktisch gezien nagenoeg onhaalbaar is binnen de beslissingstermijn van 75 dagen, bepaalt het Wijzigingsdecreet dat in dat geval de beslissingstermijn wordt verlengd tot 105 dagen.6

Schorsing van de vervaltermijn verkavelingsvergunning

Artikel 4.6.2 van de VCRO voorziet reeds in een schorsing van de vervaltermijn van een stedenbouwkundige vergunning, indien deze het voorwerp uitmaakt van een procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het Wijzigingsdecreet voorziet een zelfde schorsing nu ook principieel7 voor verkavelingsvergunningen.

3. Overige relevante wijzigingen

Wijzigingen ten gevolge van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof

 

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 145/2013 van 7 november 2013 de regeling inzake de sociale lasten van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid (hierna: het “Grond- en Pandendecreet”) vernietigd en bij corrigerende beschikking van 18 december 2013 de vernietiging uitgebreid tot een aantal andere bepalingen van het Grond- en Pandendecreet en de VCRO die onlosmakelijk verbonden zijn met de sociale-lastenregeling.

Voormeld arrest vernietigde onder meer de artikelen 4.1.12 – 4.1.13 van het Grond- en Pandendecreet. Deze bepalingen maakten het mogelijk om door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat een bestemmingswijziging naar woongebied doorvoert, procentuele objectieven vast te stellen voor de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod voor verkavelingen, groepswoningbouw en appartementen. 

Om aan de gevolgen van deze vernietiging tegemoet te komen, is een nieuw artikel 7.4.2/2 in de VCRO ingevoerd. De procentuele objectieven en voorschriften die in ruimtelijk uitvoeringsplannen werden opgenomen die zijn vastgesteld na 1 september 2009, moeten ingevolge artikel 7.4.2/2 van de VCRO voor onbestaande worden gehouden. Een vergunningverlenende overheid moet deze stedenbouwkundige voorschriften in het kader van de vergunningverlening dus voortaan buiten toepassing laten. 

Daarnaast voorziet het Wijzigingsdecreet een aantal technische aanpassingen als gevolg van het arrest nr. 145/2013 van het Grondwettelijk Hof.

Er is op te wijzen dat ministers Van Den Bossche en Muyters van oordeel zijn dat, zelfs op basis van de huidige wetgeving inzake ruimtelijke ordening, in ruimtelijk uitvoeringsplannen nog steeds gebiedsspecifieke voorschriften inzake sociaal woonaanbod kunnen worden opgenomen, voor zover deze voorschriften gebiedsspecifiek, evenredig en rechtszeker zijn.8

 

Verruiming van het toepassingsgebied van stedenbouwkundige verordeningen

Voortaan kunnen stedenbouwkundige verordeningen ook regels bevatten over de “leefbaarheid en aantrekkingskracht van steden en dorpskernen” en “de oppervlakte van functies en afmetingen van gebouwen en constructies”.

Op deze manier zou de planologische overheid haar beleidsvisie omtrent (detail)handel of horeca in een verordenend instrument moeten kunnen opnemen. Zo kan zij bepaalde kleinhandelszones of kernwinkelgebieden aanduiden, maar evenzeer andere diensten en voorzieningen zoals onderwijs, cultuur en sport.9

Het college van burgemeester en schepenen als beroepsinsteller bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen

Het college van burgemeester en schepenen is geen bij het dossier betrokken vergunningverlenend bestuursorgaan in de zin van artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 6° VCRO. Dat beperkt de mogelijkheid van het college van burgemeester en schepenen om beroep aan te tekenen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen vergunningsbeslissingen die in het kader van de bijzondere procedure werden genomen.10

Om hieraan tegemoet te komen, voegt het Wijzigingsdecreet een 7° toe aan artikel 4.8.11, §1, eerste lid van de VCRO, waardoor “het college van burgemeester en schepenen voor vergunningen, afgegeven binnen de bijzondere procedure, op voorwaarde dat het tijdig advies heeft verstrekt krachtens artikel 4.7.26, §4, eerste lid, 2°, of ten onrechte niet om advies werd verzocht”, voortaan als adviserende instantie een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan instellen. 

Meer subsidiemogelijkheden voor strategische projecten?

Teneinde de Vlaamse Regering meer mogelijkheden te geven inzake strategische projecten, wordt de bestaande subsidiëringsregeling vervangen door een regeling. 

De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de begroting subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en private rechtspersonen die betrokken zijn bij een samenwerkingsverband voor het opzetten, coördineren en realiseren van een strategisch project.

De subsidiëringsmogelijkheid wordt niet langer beperkt tot de “kosten van coördinatie van het betreffende project”. Bovendien valt de voorwaarde dat de strategische projecten uitdrukkelijk vermeld zijn in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen weg, wel moeten zij nog steeds uitvoering geven aan de doelstellingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.

Planbatenheffing

Overeenkomstig artikel 2.6.14, §1 VCRO is een planbatenheffing enkel verschuldigd bij de verkoop van een terrein of het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor werken die de medewerking van een architect vereisen. Dit laatste brengt met zich mee dat de facto geen planbatenheffing verschuldigd is bij een bestemmingswijziging naar recreatie of ontginningsgebied. 

Het Wijzigingsdecreet maakt een einde aan deze impliciete vrijstelling. Vanaf heden zal een planbatenheffing verschuldigd zijn bij de verkoop van een terrein of het verkrijgen van een vergunning die de nieuwe bestemming van een terrein realiseert, ook al is er geen tussenkomst van een architect vereist.

Voetnoten

  1. De toevoeging van het woord “kennelijk” wijst erop dat het moet gaan om een fundamentele onverenigbaarheid met een structuurplan, inclusief een inbreuk op het subsidiariteitsbeginsel (Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2013-14, nr. 2371/1, blz. 21).
  2. Behoudens de gevallen waar de Vlaamse Regering, respectievelijk de provincieraad daarvoor haar instemming heeft verleend met toepassing van artikel 2.2.13, §3 VCRO (delegatie).
  3. Hierbij valt te denken aan onder meer procedurefouten inzake openbaar onderzoek, het niet-inwinnen van bepaalde verplichte adviezen, essentiële wijzigingen aan een ruimtelijk uitvoeringsplan die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek of een schending van de motiveringsplicht (Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2013-14, nr. 2371/1, blz. 21-22).
  4. Artikel 28 van het goedgekeurde voorontwerp van het decreet betreffende de omgevingsvergunning voorziet in nagenoeg dezelfde bepaling (te raadplegen op: http://www.lne.be/themas/vergunningen/Omgevingsvergunningsdecreet.pdf).
  5. Memorie van Toelichting, blz. 30.
  6. Voormelde verlenging van de beslissingstermijn is van toepassing op aanvragen die zijn ingediend na de datum van inwerkingtreding van het Wijzigingsdecreet (i.e. na 25 april 2014).
  7. Behoudens het geval waar de verkavelingsvergunning in strijd is met een van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan dat dateert van vóór de datum van de definitieve uitspraak van de Raad. In dat geval blijft het eventuele recht op planschade wel behouden. Deze bepaling is van toepassing op alle verkavelingsvergunningen die in laatste administratieve aanleg zijn verleend sedert 1 september 2009.
  8. Zie de omzendbrief betreffende de mogelijkheden om sociaal wonen in ruimtelijke uitvoeringsplannen te verankeren van Ministers Freya Van Den Bossche en Philippe Muyters (Omzendbrief RWO/2014/1, te raadplegen op: http://www2.vlaanderen.be/ruimtelijk/wetgeving/omzendbrieven/docs/20140404_Verankeren_sociaal_wonen_in_RUP.pdf).
  9. Memorie van Toelichting, blz. 27.
  10. Dit kwam reeds aan bod in een recent behandelde prejudiciële vraag. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 32/2014 van 27 februari 2014 geoordeeld dat het verschil in behandeling dat bestaat tussen de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties die tot een Vlaams departement of Vlaams agentschap behoren enerzijds en het college van burgemeester en schepenen anderzijds, geen onevenredige gevolgen heeft ten opzichte van het nagestreefde doel. Het college van burgemeester en schepenen kan immers nog steeds op grond van 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO beroep instellen wanneer zij (on)rechtstreeks nadelen of hinder kan ondervinden ten gevolge van een volgens de bijzondere procedure genomen vergunningsbeslissing (klik hier om het te raadplegen). 

Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze e-bulletin werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie die deze e-bulletin bevat. De in deze publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen actie ondernemen op basis van de informatie in deze e-bulletin zonder voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen van deze e-bulletin doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze e-bulletin dient enkel voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden.

Team

Related news

17.08.2018 BE law
Overstromingen en vergunningen: hoe zit het nu juist?

Articles - Met de vaststelling van de zogenaamde watergevoelige openruimtegebieden (ook wel de "WORG") hoopt de Vlaamse regering een nieuwe stap te zetten richting in haar overstromingsbeleid. En hoe beter een grond tegen overstromingen beschermen dan er een (relatief) bouwverbod op te voorzien. Maar is het vooropgestelde bouwverbod in deze WORG wel een aardverschuiving? In deze post vergelijken we drie watergerelateerde instrumenten waarmee het vergunningverlenend bestuur rekening moet houden.   

Read more

08.08.2018 BE law
Modification du contenu de la notice d'évaluation et de l’étude d’incidences en Région wallonne

Articles - Un décret du 24 mai 2018 modifie sur plusieurs points le régime de l'évaluation des incidences des projets sur l'environnement en droit wallon. Ce décret allège, d’une part, le contenu de la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement et renforce, d’autre part, le contenu de l'étude d'incidences. Il est applicable aux demandes de permis introduites depuis le 16 juin 2018.

Read more

23.07.2018 NL law
De gewijzigde Klimaatwet; wat staat er in?

Short Reads - Op 27 juni 2018 is een gewijzigd voorstel voor de Klimaatwet gepresenteerd aan de Tweede Kamer (zie hier). In eerdere blogberichten bespraken wij de verhouding tussen de Klimaatwet en het Klimaatakkoord (zie hier) en het oorspronkelijke initiatiefwetsvoorstel van Klaver en Samsom in 2016 (zie hier).

Read more

27.07.2018 NL law
Conclusie AG programma aanpak stikstof: het PAS als instrument is veelbelovend, maar twijfel of het voldoet aan de Habitatrichtlijn. De ADC-toets als creatieve oplossing om het PAS in stand te kunnen houden?

Articles - Advocaat-Generaal ("AG") Kokott heeft op 25 juli 2018 een conclusie genomen over de vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak over het programma aanpak stikstof. Een dergelijk programma kan op zichzelf voldoen aan de Habitatrichtlijn. Knelpunt ziet de AG in het vooruitlopen op de positieve effecten van te treffen reductiemaatregelen. Verder geeft de AG als handreiking mee gebruik te maken van de zogeheten ADC-toets.

Read more

19.07.2018 BE law
Ontsporing van één van de wagons van de Codextrein dreigt: Grondwettelijk Hof schorst nieuwe afwijkingsmogelijkheid voor ontginningsgebieden

Articles - De Codextrein voorziet o.a. in een reeks aan nieuwe afwijkingsmogelijkheden in het kader van de vergunningverlening. Eén van de meest ophefmakende was de nieuwe afwijkingsmogelijkheid voor ontginningsgebieden. Tijdens het debat in de parlementaire commissie werd geopperd dat deze nieuwe afwijking op maat was geschreven van één private onderneming. Het Grondwettelijk Hof schorst nu in zijn arrest van 19 juli 2018 deze afwijkingsmogelijkheid op basis van de schending van het gelijkheidsbeginsel.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring