Articles

Nieuwsflash Marktpraktijken en consumentenrecht - oktober 2012

Nieuwsflash Marktpraktijken en consumentenrecht - oktober 2012

Nieuwsflash Marktpraktijken en consumentenrecht - oktober 2012

31.10.2012 BE law

In onze nieuwsbrief van juli 2011 maakten we melding van een vonnis van 13 april 2011 van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel i.v.m. het verbod op gezamenlijke aanbiedingen die een financiële dienst omvatten. Het betrof een zaak ingeleid tegen Citroën die tijdens een reclamecampagne gelanceerd in december 2010 ter gelegenheid van het autosalon, aan consumenten zes maanden gratis omniumautoverzekering had aangeboden bij aankoop van een wagen.

Also available in French.

1. Gezamenlijke aanbiedingen die een financiële dienst omvatten – prejudiciële vraag

In het vonnis overwoog de rechter dat uit geen enkel element van artikel 3, 9° van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (dat lidstaten toelaat een striktere regeling voor financiële diensten te handhaven) blijkt dat deze bepaling beperkt zou zijn tot de gezamenlijke aanbieding van verschillende financiële diensten, d.w.z. tot de situatie waarin enkel financiële diensten gezamenlijk zouden zijn aangeboden – of minstens hoofdzakelijk financiële. Hieruit blijkt, volgens de rechter, dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken aan de nationale wetgever toelaat om het gezamenlijk aanbod te verbieden van zodra één van de elementen die gezamenlijk worden aangeboden een financiële dienst uitmaakt. 

 

Bovendien oordeelde de voorzitter dat de uitzondering in artikel 72 §2, 1° (‘het geheel’) Wet Marktpraktijken (“WMPC”) niet toepasselijk is omdat dit vereist dat het gaat om een geheel van financiële diensten. Tegen deze beslissing werd beroep ingesteld. Bij arrest van 22 mei 2012 bevestigde het Hof van beroep te Brussel vooreerst dat het aanbod in zijn geheel beschouwd wel degelijk een gezamenlijk aanbod was. Volgens het Hof wordt er immers “bij de gemiddelde consument de indruk gewekt dat de verzekeringsdienst (6 maanden gratis omnium) gekoppeld is aan de aankoop van een nieuwe Citroën wagen en enkel maar kan worden onderschreven indien er een nieuwe Citroën wagen wordt aangekocht (hetzij op het Autosalon, hetzij bij een officiële Citroën verdeler)”
M.b.t. de vragen over de verenigbaarheid van het Belgische verbod in artikel 72 WMPC beslist het Hof van beroep om volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen: “1. Moet artikel 3.9 van Richtlijn 2005/29 zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 WMPC, die – onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen – op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt? 2. Moet artikel 56 VWEU, betreffende de vrijheid van dienstverlening, zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 WMPC, die – onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen – op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?” 

Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen in dit dossier in onze volgende nieuwsbrieven. 

2. Citibank vrijgesproken van misleidende informatie bij verkoop beleggingsproducten

Citibank had aan haar klanten financiële producten verkocht van Lehman Brothers. Klanten die na het faillissement van Lehman Brothers een deel of hun gehele belegging in rook hadden zien opgaan, hadden strafklacht neergelegd. Waar in eerste aanleg, bij vonnis van 1 december 2010 de gedupeerden gelijk kregen, werd in beroep de uitspraak hervormd. Het Hof van beroep te Brussel stelde wel vast dat de dienstverlening bij de verkoop van de financiële producten onder het toepassingsgebied viel van de WMPC. 

Vervolgens echter bracht het Hof in herinnering dat een misleidende reclame strafrechtelijk beteugeld wordt in de WMPC (art. 103) voor zover sprake is van kwade trouw. Voor het Hof van beroep volstond niet dat agenten van de bank inbreuken op de WMPC zouden gepleegd hebben opdat ook automatisch Citibank zelf een strafrechtelijke inbreuk zou gepleegd hebben: “Il doit constater également la faute dans le chef de la personne morale. La responsabilité pénales ne sera établie que si l’infraction résulte soit d’une décision prise sciemment et volontairement par la personne morale, soit d’une omission commise dans le chef de cette personne morale; Pour constater cet élément moral, le juge peut se baser sur les comportements des organes de direction de la personne morale ou de ses dirigeants, lesquels peuvent notamment être des personnes physiques. Il ne s’agit en effet pas d’incriminer, dans le chef de la personne morale, tout comportement délictueux commis en son sein, par un organe ou un préposé, mais à l’insu de l’être juridique.” 

Het Hof stelde vast dat geen enkele agent van de bank strafrechtelijk vervolgd werd. Dat was ook niet nodig maar het Hof stelde wel: “Il appartient cependant à l’accusation de rapporter la preuve d’un dol propre, dans le chef de la personne morale elle-même, par exemple dans le chef de ses instances dirigeantes.”
Het Hof stelde een aantal merkwaardige zaken vast in hoofde van de agenten van de bank, maar “en revanche, aucun élément porté à la connaissance de la cour ne lui permet de considérer qu’il s’est agi là d’une politique organisée au sein de l’entreprise, sciemment et volontairement, voire simplement connue et acceptée.”
Op die gronden werd Citibank vrijgesproken van inbreuk wegens misleidende reclame bij de verkoop van financiële producten. 

3. Regeling uitverkoop in de WMPC in strijd met EU-recht? 

In eerdere publicaties werd er reeds op gewezen dat verschillende bepalingen van de WMPC m.b.t. uitverkopen in strijd lijken met de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken (Richtlijn 2005/29).2 Een Oostenrijkse zaak over uitverkopen zal het Hof van Justitie binnenkort de kans geven zich over de toepassing van de Richtlijn op uitverkopen uit te spreken. In de conclusie van 6 september 2012 in die zaak oordeelt de Advocaat-generaal bij het Hof dat het niet strijdig is met het EU-recht dat dergelijke uitverkoop aan een toelating van het bestuur zou onderworpen zijn,tenminste indien de betrokken onderneming de mogelijkheid heeft om in een gerechtelijke of bestuurlijke procedure per geval te laten nagaan of de betrokken handelspraktijken (in casu uitverkoop) eerlijk is.3 Als dat standpunt juist is, zou de verplichting in artikel 25 van de WMPC om een uitverkoop vooraf te melden (wat dus minder verregaand is dan de Oostenrijkse verplichting van voorafgaande goedkeuring) aan de Minister, verenigbaar zijn met het EU recht. Daarentegen oordeelde de Advocaat-generaal dat de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken zich er wel tegen verzet dat een Lidstaat “de aankondiging van een uitverkoop in beginsel verbiedt en slechts in bepaalde uitzonderingsgevallen toestaat, zonder te voorzien in de mogelijkheid om alle omstandigheden van elk concreet geval voldoende in aanmerking te nemen.” Als ook deze visie zou gevolgd worden, is artikel 24 WMPC dat de uitverkoop slechts toelaat in 9 limitatief opgesomde gevallen ook strijdig met de Richtlijn. 

4. “Licht verteerbaar” is een gezondheidsclaim onder Verordening 1924/2006 

Bij Verordening 1924/2006 werden voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen in de EU gereglementeerd.4  In een geschil rond een Duitse wijn coöperatie moest het Hof zich uitspreken over de vraag of de vermelding “licht verteerbaar” in combinatie met de vermelding van een lichte zuurtegraad, een voor alcoholhoudende dranken verboden “gezondheidsclaim” is onder deze Verordening. Het antwoord van het Hof is positief.5 De claim wekt volgens het Hof de indruk dat “de wijn goed wordt opgenomen en verteerd, met name dat het spijsverteringsstelsel (…) er niet of weinig onder lijdt en dat de toestand van dit stelsel betrekkelijk gezond en intact blijft”. Het gevolg is, volgens het Hof, dat “de betrokken claim de indruk (kan) wekken dat sprake is van een duurzaam heilzaam fysiologisch effect dat erin bestaat het spijsverteringsstelsel in goede staat te houden, in tegenstelling tot andere wijnen die geacht worden na gecumuleerde consumptie ervan, duurzame negatieve effecten te hebben op het spijsverteringsstelsel en bijgevolg op de gezondheid”. Aangezien gezondheidsclaims voor alcoholische dranken met een alcoholvolumegehalte van meer dan 1.2 volumeprocent niet zijn toegelaten, zal deze claim in casu niet kunnen gehandhaafd blijven voor het betrokken product. 

5. Verkoop op afstand: niet iedere website is een “duurzame drager” 

In een arrest van 5 juli 2012 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een website niet noodzakelijk een duurzame drager is in de zin van artikel 5, lid 1 van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten.6
Op grond van artikel 5 van richtlijn 97/7/EG moet bepaalde informatie, waaronder informatie over het herroepingsrecht meegedeeld worden aan de consument bij de uitvoering van de overeenkomst en uiterlijk bij de levering, tenzij deze informatie hem reeds werd meegedeeld voor de sluiting van de overeenkomst en schriftelijk of op een andere te zijner beschikking staande en voor hem toegankelijke duurzame drager werd verstrekt (cfr. artikel 60 WMPC). De nationale (Oostenrijkse) rechter vroeg het Hof van Justitie of aan bovenvermelde verplichting voldaan was wanneer een website de informatie over het herroepingsrecht alleen meedeelde via een hyperlink op de website van de ondernemer. Deze link was te vinden in een tekst die de consument door het plaatsen van een vinkje moest markeren als gelezen, alvorens een contractuele relatie tot stand kon komen. Hoewel het Hof niet betwist dat een andere drager dan een papieren drager ook duurzaam kan zijn, moet een website, om als duurzame drager in de zin van artikel 5, lid 1 richtlijn 97/7/EC beschouwd te worden, echter wel (i) de consument in staat stellen de bedoelde aan hem persoonlijke gerichte informatie op te slaan, (ii) waarborgen dat de inhoud ervan niet wordt gewijzigd, (iii) de informatie gedurende passende termijn toegankelijk maken en (iv) de consument de mogelijkheid bieden om deze informatie ongewijzigd weer te geven. Een gewone website, zoals die in het geschil bij de Oostenrijkse rechter, bood die waarborgen echter niet. Het Hof sluit echter niet uit dat geavanceerde websites, zijnde websites waarop bepaalde informatie is opgeslagen die toegankelijk is voor de consument en door hem gedurende een passende tijd kan worden weergegeven, wel als duurzame drager kunnen bestempeld worden. 

6. De mogelijkheid voor een consument om een buitenlandse handelaar voor de rechtelijke instanties van zijn woonplaats te dagvaarden, vereist niet dat de overeenkomst tussen de consument en de handelaar op afstand is gesloten 

Op 6 september 2012 deed het Hof van Justitie uitspraak7 in het kader van een prejudiciële vraag over artikel 15 van de Brussel I verordening.8
De Brussel I verordening regelt o.a. de rechtelijke bevoegdheid in handelszaken bij grensoverschrijdende geschillen. Artikel 15 bepaalt dat wanneer een consument overgaat tot het sluiten van een overeenkomst voor een gebruik dat niet als bedrijfs- of beroepsmatig kan worden aangemerkt, hij een rechtsvordering kan instellen tegen zijn wederpartij bij de gerechten van de lidstaten waar hij zijn woonplaats heeft, indien de overeenkomst gesloten is met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.9 

In het geschil dat aanleiding gaf tot de prejudiciële vraag, was Mevrouw Mühlleitner, die in Oostenrijk woont, op zoek naar een personenwagen van een Duits merk die zij wou aankopen voor privégebruik. Via een Duitse website kwam zij op een aanbieding terecht van Autohaus Ysufi, een in Duitsland gevestigde burgerlijke vennootschap. Mevrouw Mühlleitnercontacteerde hem en werd verzekerd dat haar Oostenrijkse nationaliteit niet in de weg stond aan de aankoop van een personenwagen bij AutohausYsufi. Hierop ging Mevrouw Mühlleitner naar Duitsland waar ze de overeenkomst tot aankoop van een voertuig ondertekende. Ze voldeed het verschuldigde bedrag ter plaatste en nam de auto onmiddellijk mee. Terug in Oostenrijk, vertoonde de auto echter ernstige gebreken.

Mevrouw Mühlleitner verzocht Autohaus Ysufi om de wagen te herstellen, maar die weigerde. Hierop daagde ze die laatste partij voor de Oostenrijkse rechter. Nadat haar vordering in 1ste aanleg alsook in beroep werd afgewezen10, stelde zij een voorziening in bij het Hoogste Gerechtshof. De rechter startte van de premisse dat de commerciële activiteiten van de verweerders wel degelijk op Oostenrijk gericht waren. Echter, het stelde desalnietteminvolgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie: “Veronderstelt de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van de Brussel I verordening […] dat de overeenkomst tussen consument en ondernemer op afstand is gesloten?” 

Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof is deze mening toegedaan omdat artikel 15 lid 1 sub C Brussel I verordening in de eerste plaats niet expliciet vereist dat de betrokken overeenkomsten op afstand worden gesloten. Ten tweede, volgens de teleologische interpretatie van artikel 15 Brussel I verordening, zou de toevoeging van de bijkomende voorwaarde van het op afstand sluiten van de overeenkomst in strijd zijn met het doel van deze bepaling, met name het beschermen van de consument als zwakke partij bij de overeenkomst.

7. Regels inzake reclame voor voedingsmiddelen herzien

Bij Koninklijk Besluit van 29 maart 2012 werd het Koninklijk Besluit van 17 april 1980 inzake reclame voor voedingsmiddelen in overeenstemming gebracht met de Europese bepalingen uit Verordening 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen.11 

Als gevolg van de wijzigingen vervangt het KB van 17 april 1980 de definitie van het begrip ‘voedingsmiddel’: “alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd”. Deze ruime definitie omvat stoffen die niet onder de oude definitie als voedingsmiddel bestempeld werden, zoals technische hulpstoffen en aroma’s.12 Wel sluit de Europese definitie een aantal nieuwe productgroepen uit waaronder levende dieren en nog niet-geoogste planten. Het KB van 29 maart 2012 introduceert daarnaast ook een aantal nieuwe verbodsbepalingen van toepassing bij de reclame voor voedingsmiddelen. Zo is het gebruik van de woorden ‘ziek’ of ‘ziekte’, alsook de naam van ziekten of de naam of de voorstelling van ziektesymptomen of van zieke personen, uitdrukkelijk verboden tenzij in de gevallen voorzien in artikel 17 van Verordening 1924/2006. In eenzelfde zin worden ook verwijzingen naar medische aanbevelingen, attesten, goedkeuringen die claims bevatten die niet werden goedgekeurd volgens Verordening 1924/2006, alsmedeverwijzingen naar de Minister of naar overheden bevoegd voor volksgezondheid, verboden. Op grond van de nieuwe regels komt het nog wel aan de Minister van Volksgezondheid toe om de voorwaarden te bepalen waaronder de vermeldingen ‘natuurlijk’, ‘zuiver’ en ‘vers’ kunnen gebruikt worden in reclame. Tot slot voert het KB van 29 maart 2012 een gewijzigd sanctiemechanisme in bij overtreding van de bepalingen van het KB van 17 april 1980. De opsporing en vaststelling van inbreuken gebeurt nu door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Overtredingen worden nog wel steeds gestraft overeenkomstig de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op stuk van voedingsmiddelen en andere producten. De nieuwe regels zijn in werking getreden op 27 april 2012. 

8. Selectie nieuwe wetgeving betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming sinds juli 2012

  • Wet van 10 juli 2012 houdende diverse bepalingen inzakeelektronische communicatie (B.S. 25.07.2012, p. 40969).
  • Koninklijk Besluit van 10 juli 2012 tot bepaling van de algemene deelnemingsvoorschriften aan de openbare instantloterijen georganiseerd door de Nationale Loterij met behulp van de instrumenten van de informatiemaatschappij (B.S. 16.07.2012, p. 38854)
  • Vlaams Decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging en opheffing van het decreet van 2 maart 2007 houdende het statuut van de reisbureaus (B.S. 14.08.2012, p. 48121)
  • Koninklijk Besluit van 20 juli 2012 betreffende de voorwaarden voor het organiseren van weddenschappen door de Nationale Loterij (B.S. 9.08.2012, p.46493)
  • Wet van 3 augustus 2012 tot wijziging van artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (B.S. 19.09.2012, p. 57987)


Voetnoten:


 
  1. Nieuwsbrief marktpraktijken en consumentenrecht nr. 9 
  2. Zie o.m. P. Wytinck,  “Anderhalf jaar nieuwe wet marktpraktijken: overzicht en vooruitblik op het (gedeeltelijke) einde?”, in De onderneming en haar klanten …To B and to C”, Instituut voor bedrijfsjuristen, Larcier, 2011, p 107-108. 
  3. Conclusie van 6 september 2012 van Advocaat-Generaal V. Trstenjak, zaak C-206/11, Georg Köck/ Schutzverband gegen unlauteren Wettbewerb.
  4. Verordening 1924/2006 van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaim voor levensmiddelen, PB.  2006, L 404/9. 
  5. Arrest van 6 september 2012, zaak C-544/10, Deutsches Weintor. 
  6. Arrest van 5 juli 2012, zaak C-49/11, Content Services Ltd t.Bundesarbeitskammer 
  7. Arrest van 6 september 2012, zaak C-190/11, Daniela Mühlleitner t. AhmadYusufi en Wadat Yusufi 
  8. Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB 2001, L 307/1. 
  9. Artikel 15 sub C juncto artikel 16 Brussel I verordening. 
  10. Beide rechters waren van oordeel dat zij onbevoegd waren omdat de Duitse onderneming haar commerciële activiteiten niet op Oostenrijk had gericht. Het feit dat hun internetsite toegankelijk was voor Duitse consumenten was niet voldoende. 
  11. Verordening 1924/2006 van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaim voor levensmiddelen, PB.  2006, L 404/9. 
  12. Volgens de oude definitie was een voedingsmiddel enkel ‘ieder product of zelfstandigheid bestemd voor de menselijke voeding, daarin begrepen genotsmiddelen, zout, toekruiden, (…)’. Toevoegingen, aroma’s en technische hulpstoffen vielen daar niet onder.

All rights reserved. Care has been taken to ensure that the content of this e-bulletin is as accurate as possible. However the accuracy and completeness of the information in this e-bulletin, largely based upon third party sources, cannot be guaranteed. The materials contained in this e-bulletin have been prepared and provided by Stibbe for information purposes only. They do not constitute legal or other professional advice and readers should not act upon the information contained in this e-bulletin without consulting legal counsel. Consultation of this e-bulletin will not create an attorney-client relationship between Stibbe and the reader. The e-bulletin may be used only for personal use and all other uses are prohibited.

Team

Related news

26.09.2018 BE law
Une publicité licite peut devenir illicite sous le nez d’un concurrent

Articles - Le 7 mai 2018, la Cour d’appel de Gand[1] a de nouveau précisé un certain nombre de circonstances pouvant amener à considérer l’exercice de la liberté du commerce et de la concurrence comme une pratique commerciale illicite. La liberté de concurrence implique en principe la liberté de faire de la publicité et de débaucher une clientèle. Ces pratiques commerciales sont seulement susceptibles de devenir illicites à partir du moment où elles s’accompagnent de circonstances spécifiques et aggravantes.    

Read more

26.09.2018 BE law
Rechtmatige reclame onder de neus van een concurrent kan onrechtmatig worden

Articles - Op 7 mei 2018 verduidelijkte het Hof van Beroep te Gent[1] opnieuw enkele omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat een uitoefening van de principiële vrijheid van handel en concurrentie toch een onrechtmatige handelspraktijk kan uitmaken. De vrijheid van mededinging impliceert dat men in principe vrij is om o.m. reclame te maken en cliënteel af te werven. Alleen wanneer deze handelspraktijken gepaard gaan met specifieke begeleidende bezwarende omstandigheden, kunnen zij een onrechtmatig karakter krijgen.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring