Articles

Sperperioderegeling onwettig? Cassatie verbreekt Inno-arrest

Sperperioderegeling onwettig? Cassatie verbreekt Inno-arrest

Sperperioderegeling onwettig? Cassatie verbreekt Inno-arrest

21.11.2012 BE law

Over de vraag of de regeling inzake sperperiodes in de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (“WMPC”) conform het Europees recht is of niet, is reeds zeer veel inkt gevloeid. Een arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 2012 in de zaak Inno/Unizo hakt de knoop door en lijkt het einde van de huidige sperperiode regeling in te luiden.  

Also available in French.

1. Achtergrond

Het Brusselse hof van beroep oordeelde op 12 mei 2009 in de zaak Inno/Unizo dat het verbod op aankondigingen van prijsvermindering in de sperperiode perfect verenigbaar was met het Europees recht, meer bepaald met de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken1. Inno werd dan ook veroordeeld voor aankondiging van prijsvermindering in de sperperiode. Een aantal rechters in eerste aanleg oordeelden echter dat deze sperperioderegeling in strijd was met de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken2. Zij spraken ZEB vrij van inbreuken op de WMPC toen ZEB de sperperioderegeling overtrad. Nog een andere rechter in eerste aanleg en ook nog eens het Hof van Cassatie vroegen het Hof van Justitie om hierover uitspraak te doen via een prejudiciële vraag. De antwoorden van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen van de Belgische rechters brachten niet het verhoopte soelaas3. Het Hof van Justitie oordeelde immers dat indien de sperperioderegeling (mede) beoogt de consumenten te beschermen, de regeling dan een duidelijke inbreuk is op de richtlijn oneerlijke marktpraktijken. Indien echter de sperperioderegeling niet (of niet mede) beoogt de consument te beschermen, valt deze regeling niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn oneerlijke marktpraktijken. Het Hof van Justitie liet het aan de nationale rechter om te oordelen of de sperperioderegeling nu mede de consument beschermde of niet.

Het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 mei 2009 in de zaak INNO had geoordeeld dat de sperperioderegeling beoogde zowel de consument als de detailhandel te beschermen. Het hof meende echter dat de doelstelling van consumentenbescherming niet evenredig was omdat de WHPC andere bepalingen ter bescherming van de consument bevat. Voor het hof was het gevolg dat de sperperiode in de praktijk enkel de bescherming van de concurrentiële relaties tussen handelaars zou beogen en dat de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken dus niet toepasselijk was. 

2. Cassatie 

In een arrest van 2 november 2012 heeft het Hof van Cassatie de knoop doorgehakt. Het Hof meent dat uit de vaststelling van het hof van beroep in de zaak INNO dat “de wetgever met de invoering van artikel 53, § 1, eerstelid  WHPC, mede beoogde de consument te beschermen”, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak ZEB, volgt dat de sperperioderegeling wel binnen het toepassingsgebied valt van de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken. Het arrest van het hof van beroep wordt vernietigd. 

3. Gevolgen 

Op zichzelf zegt het arrest van het Hof van Cassatie niet dat de sperperioderegeling in de WHPC (en dus bij uitbreiding in de WMPC) onwettig is. Dat lijkt echter wel de enige mogelijke consequentie te zijn. Het Hof van Cassatie vernietigt immers niet de vaststelling van het hof van beroep dat de sperperioderegeling, naast een duidelijke doelstelling van bescherming van de detailhandel, ook beoogde de consument te beschermen. Het hof van beroep te Antwerpen, waarnaar de zaak verwezen wordt zal nog moeilijk om die vaststelling heen kunnen. Een andere reden hiervoor is dat het Grondwettelijk Hof reeds bij arrest van 2 maart 1995 oordeelde dat de sperperioderegeling o.m. ook consumentenbescherming beoogt. Uit de arresten van het Hof van Justitie in de prejudiciële zaak INNO en ZEB (Wamo), volgt dat de sperperioderegeling onwettig is indien ze onder de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken valt. Indien men alles bij elkaar legt, lijkt de conclusie onontkoombaar: de sperperioderegeling is onwettig. Aankondigingen van prijsvermindering in de sperperiode zijn dus wettig (behoudens in de gevallen waarin ze misleidend of oneerlijk zouden zijn). Het arrest van het Hof van Cassatie beslecht aldus een discussie die veel handelaren aanbelangt en al jaren de gemoederen beroert. Veel belangrijker echter is dat uit dit arrest en uit verschillende arresten van het Hof van Justitie en nationale rechters overduidelijk volgt dat nog vele andere bepalingen in de WMPC (zoals aankondigingen van prijsvermindering, uitverkopen, enz.) geheel of deels in strijd zijn met de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken. Een nieuwe herziening van de wet marktpraktijken is dan ook op korte termijn noodzakelijk. 

Voetnoten
  1. Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. L 149, 11 juni 2005, 22. 
  2. Zie bijvoorbeeld Vz. Kh. Brussel, 28 juni 2010, N.J.W., 29 september 2010, 594 
  3. HvJ, arrest van 30 juni 2011, zaak C-288/10; HvJ, Arrest van 15 december 2011, zaak C-126/11, Inno/Unizo

 

 

 

 

 

 

 

Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze e-bulletin werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie die deze e-bulletin bevat. De in deze publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen actie ondernemen op basis van de informatie in deze e-bulletin zonder voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen van deze e-bulletin doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze e-bulletin dient enkel voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden.

 

 

 

 

 

Team

Related news

04.07.2019 NL law
Audit firms and accountant's duty of care towards third parties

Short Reads - The Dutch Supreme Court recently decided (ECLI:NL:HR:2019:744) that the standard for audit firms' and accountants' duty of care towards third parties is in essence no different than the general duty of care under Dutch tort law, and ultimately depends on the circumstances of the case. However, the role of accountants in society, their responsibility to serve the general interest, and rules of professional conduct and practice play an important role.

Read more

27.06.2019 NL law
Stibbe launches website about Digital Economy

Inside Stibbe - Stibbe's Digital Economy group published a new website this week: Stibbedigital.com With this new website we aim to view technological developments including artificial intelligence (AI), blockchain, the Internet of Things, smart mobility and the rise of digital platforms from a legal perspective.

Read more

01.07.2019 BE law
HvJ: nationale rechter dient toe te zien op de naleving van de verplichtingen inzake luchtkwaliteit

Articles - Bij arrest van 25 juni 2019 (C-723/17) deed het Hof van Justitie uitspraak over enkele prejudiciële vragen, voorgelegd door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, over de toepassing van de Europese Luchtkwaliteitsrichtlijn (2008/50/EG). Het Hof kent in zijn arrest de nationale rechter een belangrijke taak toe bij de correcte implementatie en afdwinging van de Luchtkwaliteitsrichtlijn. 

Read more

20.06.2019 NL law
Stibbe advises Westermeerwind

Inside Stibbe - The District Court Midden-Nederland ruled in favour of Westermeerwind B.V. on 19 June, in a case brought by organisations acting for the 'Westermeerwind Group'. The group had claimed that the 32 members of that group had the right to participate in the Windpark Westermeerwind at a much lower price than other participants, and with a different corporate structure.

Read more

04.06.2019 NL law
Dutch Supreme Court clarifies evidentiary rules concerning signatures and signed documents

Short Reads - In two recent decisions, the Dutch Supreme Court has clarified the evidentiary power of signed documents. If the signatory unambiguously denies that the signature on the document is his or hers or claims that another party has tampered with the signature (for instance, through forgery or copying a signature from one document and pasting it in another), it is up to the party invoking the signed document to prove the signature's authenticity (ECLI:NL:HR:2019:572).

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring