WWet Markt en Overheid. Parkeren als economische activiteit. Doorberekening kosten.

Article
NL Law

Noot onder de Uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2020 op het hoger beroep van burgemeester en wethouders van Veenendaalinzake Mededingingswet (ECLI:NL:CBB:2020:923).

Naar aanleiding van een verzoek om handhaving van Q-Park heeft ACM bij besluit van 26 september 2017, met toepassing van artikel 70c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mededingingswet (Mw) verklaard dat zij heeft vastgesteld dat appellant vanaf 14 november 2014 tot en met in ieder geval 31 december 2016 artikel 25i, eerste lid, van de Mw heeft overtreden bij de exploitatie van de gemeentelijke parkeergarages en parkeerterreinen.

Appellant stelt zich primair op het standpunt dat slagboomparkeren net als straatparkeren valt onder de uitoefening van openbaar gezag en daarom niet als economische activiteit moet worden beschouwd, althans dat tussen slagboomparkeren en straatparkeren een zodanige samenhang bestaat dat deze niet los van elkaar kunnen worden gezien zodat ook slagboomparkeren niet als economische activiteit moet worden beschouwd.

Het College stelt voorop dat het, anders dan appellant lijkt te veronderstellen, bij straatparkeren niet gaat om een dienst en daarmee ook niet om het aanbieden daarvan door een onderneming in (potentiële) concurrentie met andere ondernemingen. Straatparkeren is exclusief publiekrechtelijk geregeld. Omdat de hiervoor bedoelde bevoegdheden tot regulering uitsluitend kunnen worden uitgeoefend door overheidsinstanties, is het reguleren van straatparkeren het uitoefenen van openbaar gezag en daarmee geen economische activiteit.

Het College is vervolgens van oordeel dat het aanbieden door een gemeente van slagboomparkeren, anders dan het reguleren van straatparkeren, wel een economische activiteit is. Aldus moet het College de vraag beantwoorden of het aanbieden van slagboomparkeren naar zijn aard, zijn doel en de daarop toepasselijke regels niet los kan worden gezien van het reguleren van straatparkeren, hetzij omdat het reguleren van straatparkeren zonder het aanbieden van slagboomparkeren grotendeels nutteloos zou zijn, hetzij omdat deze activiteiten nauw met elkaar zijn verbonden. Die vraag beantwoordt het College ontkennend.

De conclusie is dat de rechtbank het beroep van appellant terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

Auteur: Annalies Outhuijse en Jaap Waverijn

Bron: AB Rechtspraak Bestuursrecht, aflevering 20 - 2021

Publicatiedatum: 23 mei 2021

Klik hier voor de volledige noot.