Ontbinding is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen werkgever: hoogte billijke vergoeding WNT-topfunctionaris (annotatie)
In deze annotatie bespreken Astrid Helstone en Lili Szuhai een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin een billijke vergoeding wordt toegekend aan een topfunctionaris die onder de Wet normering topinkomens (WNT) valt. De topfunctionaris vorderde deze billijke vergoeding vanwege misgelopen loon, pensioenopbouw en reputatieschade, veroorzaakt door het handelen van overheidswerkgever GR Sociaal en een onzorgvuldig tot stand gekomen onderzoeksrapport.
Bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding weegt de kantonrechter mee dat de WNT van toepassing is op deze topfunctionaris. Hoewel de rechter erkent dat de billijke vergoeding formeel niet wordt genormeerd door de WNT, zouden het doel en de strekking van de WNT toch relevante gezichtspunten zijn bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding. Daarom sluit de kantonrechter voor de hoogte van de billijke vergoeding aan bij het WNT-maximum voor ontslagvergoedingen van 75.000 euro. Daarin weegt mee dat het gaat om publiek geld dat primair moet worden besteed aan de publieke taak, het ‘publieke middelen’-argument.
In deze annotatie beargumenteren Astrid en Lili dat hiervoor geen grondslag bestaat. De wetgever heeft schadevergoedingen bewust uitgezonderd van de WNT-normering en expliciet overwogen dat de wettelijke beperking van ontslagvergoedingen niet afdoet aan het recht op schadevergoeding. Ook betalingen die voortvloeien uit een rechterlijke uitspraak zijn niet gemaximeerd door de WNT. De wetgever heeft bovendien nadrukkelijk geen maximum voorgeschreven voor de billijke vergoeding, gezien de aard van deze vergoeding. De compenserende en preventieve werking van de billijke vergoeding verhoudt zich niet goed tot de opvatting dat de rechter rekening zou moeten houden met een publiekrechtelijke normering. Maximering doet geen recht aan de doelstellingen van de billijke vergoeding en leidt tot ongelijkheid tussen WNT- en niet-WNT-werkgevers. Ook in het overheidsaansprakelijkheidsrecht wordt de overheid niet ontzien bij de vergoeding van schade en speelt het ‘publieke-middelen-argument’ geen verzachtende rol. De overheid moet zich juist houden aan normen, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die voor andere deelnemers aan het maatschappelijk verkeer niet gelden. De hoogte van de billijke vergoeding moet ook (en juist) een prikkel vormen voor de overheidswerkgever om zich in het vervolg te onthouden van ernstig verwijtbaar handelen. Dat de schadevergoeding wordt bekostigd uit publieke middelen moet leiden tot meer rekenschap en verantwoordelijkheid in plaats van een escape van de consequenties van ernstig verwijtbaar handelen.
Lees de volledige bijdrage hier
- Rb. Rotterdam 24 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11373, JAR 2026/5