De verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfondsen: wel of geen voorrangsregel in de betekenis van artikel 9 Rome I?

Article
NL Law
In deze bijdrage staat een actueel en belangrijk pensioenvraagstuk centraal. Dit vraagstuk ligt op het snijvlak tussen pensioen en internationaal privaatrecht. Het gaat om een nadere verkenning van de vraag of de verplichtstelling van de Wet Bpf kwalificeert als een regel van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 van Rome I.

Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is de verplichtstelling op – ook tijdelijk – in Nederland werkzame werknemers ongeacht het (overigens) toepasselijke recht. Tot nu toe is er in Nederland nog weinig rechtspraak die expliciet ingaat op deze vraag; de gedachtevorming in de literatuur is nog relatief pril en verdeeld. Het is te verwachten dat in de komende jaren in de rechtspraak nog vaak over dit vraagstuk zal worden gestreden.

Astrid Helstone concludeert dat er voldoende argumenten zijn die de conclusie rechtvaardigen dat de Wet Bpf en verplichtstellingsbesluiten in beginsel niet kwalificeren als bijzonder dwingend recht. Aanknopingspunten die in beginsel wel in die richting wijzen zijn hoofdzakelijk gebaseerd op de sociale doelstellingen waarop de verplichte deelneming is gebaseerd. Het is nog te prematuur om definitieve conclusies op basis van de verkennende analyse in deze bijdrage te trekken. Vaststaat immers dat er, afgezien van de AFMB-uitspraak, nog geen nadere rechtspraak is die expliciet ingaat op de vraagstelling en dat het inhoudelijk debat in de literatuur zich verder moet uitkristalliseren. Duidelijk is dat we in de komende jaren nog veel interessante ontwikkelingen over dit onderwerp tegemoet kunnen zien.

  • A.M. Helstone, β€˜De verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfondsen: wel of geen voorrangsregel in de betekenis van artikel 9 Rome I?’, TPV 2018/48