Short Reads

Legalisatie van cannabisproducten in het ene EU land zet de deur op een kier voor legalisatie in ander land, aldus Franse rechter

Legalisatie van cannabisproducten in het ene EU land zet de deur op ee

Legalisatie van cannabisproducten in het ene EU land zet de deur op een kier voor legalisatie in ander land, aldus Franse rechter

10.08.2021 EU law

De hoogste Franse rechter gaat mee in een recente uitspraak van het Hof van Justitie EU, waarmee zij de deur op een kier zet voor legalisatie van cannabisproducten, en laat zien dat EU landen niet zomaar cannabisproducten kunnen blijven weren.

1. Inleiding

Op 23 juni 2021 heeft de hoogste Franse rechter een streep gezet door een uitspraak van een lagere rechter over de Franse strafrechtelijke ban op van een cannabisplant afkomstige producten. Deze uitspraak volgt ruim een half jaar nadat het Hof van Justitie EU (“HvJ”) oordeelde dat een lidstaat de handel in CBD (Cannabidiol) die in andere lidstaten rechtmatig zijn geproduceerd en in de handel gebracht niet zomaar mag verbieden. De Franse rechter gaat hier nu in mee. In dit blog zullen we beide uitspraken bespreken en de belangrijkste lessen daaruit noemen. De belangrijkste les is dat het HvJ – en in zijn kielzog de Franse rechter – enerzijds weliswaar vasthoudt aan vaste jurisprudentie inhoudende dat “verdovende middelen” niet onder het vrije verkeer van goederen vallen, maar het anderzijds niet bereid is om alles onder het predicaat verdovende middelen te scharen. Hierdoor kunnen bepaalde cannabisproducten die legaal zijn geproduceerd in het ene land naar alle waarschijnlijkheid ook legaal in een ander land verkocht worden.

2. Feiten zaak HvJ

In de zaak voor het HvJ ging het om twee voormalige bestuurders van een vennootschap die onder meer handelde in Kanavape, een elektronische sigaret waarvan de vloeistof CBD bevat. Deze CBD werd in Tsjechië geproduceerd, waarbij de volledige cannabisplant werd gebruikt. In Frankrijk is echter enkel het gebruik voor commerciële doeleinden van de vezels en het zaad van de plant toegestaan. De twee bestuurders in kwestie zijn vervolgens in Frankrijk strafrechtelijk veroordeeld tot respectievelijk 18 en 15 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van €10.000. Tegen deze uitspraak zijn de bestuurders in hoger beroep gegaan waarbij zij in het bijzonder aanvoerden dat het verbod op handel in CBD afkomstig van de volledige cannabisplant in strijd zou zijn met het Unierecht. De Franse rechter besloot om prejudiciële vragen te stellen het HvJ.

3. Uitspraak HvJ

Naar aanleiding van deze prejudiciële vragen door de Franse rechter oordeelde het HvJ in november 2020 dat de nationale regeling omtrent het verbod niet verenigbaar is met het Unierecht. Een belangrijke overweging hierin is dat het HvJ CBD niet als ‘verdovend middel’ kwalificeert. CBD zo concludeert het HvJ bevat volgens de huidige stand van wetenschappelijke kennis geen psychoactieve stof. Dit alles is van belang omdat de schadelijkheid van verdovende middelen algemeen erkend is en de verhandeling hiervan in beginsel in alle lidstaten verboden is. Hiermee valt dit niet onder het vrije verkeer van goederen. Nu CBD volgens het HvJ niet als dergelijk middel kwalificeert, zijn de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen binnen de EU wel van toepassing op CBD producten. Een maatregel inhoudende een verbod op de handel in CBD (afkomstig van de volledige cannabisplant) heeft dezelfde werking als een kwantitatieve invoerbeperking wat verboden is ingevolge artikel 34 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”). In beginsel is een dergelijke maatregel tussen de lidstaten dus niet toegestaan. Een uitzondering geldt indien de maatregel rechtvaardiging vindt in een van gronden van algemeen belang genoemd in artikel 36 VWEU. Daarbij is wel van belang dat de nationale maatregel geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan daarvoor noodzakelijk is; de evenredigheidstoets.

Onder meer kan een dergelijke maatregel gerechtvaardigd zijn ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid. De beoordeling of de maatregel gerechtvaardigd en evenredig is, is uiteindelijk aan de nationale rechter. Wel gaat het HvJ in het arrest in op enkele overwegingen die bij die beoordeling door de lidstaat moet worden betrokken. Allereerst overweegt het HvJ dat er onzekerheid kan heersen in wetenschappelijke kringen over de risico’s voor de volksgezondheid. Het is aanvaardbaar dat een lidstaat op grond van het voorzorgsbeginsel beschermende maatregelen neemt zonder dat ten volle blijkt dat de risico’s bestaan en de mate daarvan. Echter mag bij de evaluatie van de risico’s niet worden uitgegaan van zuiver hypothetische overwegingen. Daarnaast wijst het HvJ als het gaat om de geschiktheid van het middel erop dat het Franse verbod niet geldt voor de verhandeling van synthetische CBD die dezelfde eigenschappen bezit als CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat de Franse regeling niet geschikt is om het doel – de bescherming van de volksgezondheid – op samenhangende en stelselmatige wijze te verwezenlijken.

4. Franse Cour de Cassation

In navolging op de uitspraak van het HvJ heeft nu de hoogste Franse rechter – de Cour de Cassation – zich over deze kwestie uitgelaten. Op 23 juni 2021 oordeelde de Franse Hoge Raad, in een andere zaak dan hiervoor genoemd, dat de strafrechtelijke veroordeling van een eigenaar van een CBD winkel in strijd was met het Unierecht. In de uitspraak wordt daartoe overwogen dat de lagere Franse rechter zijn oordeel heeft geveld zonder in overweging te nemen of de betreffende producten legaal waren vervaardigd in een andere EU lidstaat. De rechter had daarmee geen grond voor de uiteindelijk genomen beslissing. Met de vernietiging van de uitspraak heeft de Franse Hoge Raad nog geen einduitspraak gedaan. De uitspraak is terugverwezen naar het Hof van Beroep van Parijs die uiteindelijk opnieuw inhoudelijk op de zaak moet beslissen.

5. Tot slot

Het vrije verkeer van goederen binnen de EU geldt niet voor verdovende middelen. Het HvJ benadrukt echter in de uitspraak van november 2020 dat de definitie van verdovende middelen niet vastomlijnd is. CBD valt hier volgens het HvJ niet onder. Op CBD (-producten) is daarom het vrij verkeer van goederen wel van toepassing. Dit betekent dat een verbod op deze producten enkel is toegestaan indien overheden hiervoor een legitieme reden hebben en dit verbod geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Het HvJ kijkt daarmee ook naar de consistentie van het verbod: als soortgelijke producten niet verboden worden, is dat op zichzelf reden om te twijfelen aan de geschiktheid en noodzakelijkheid van het verbod.  Nu ook de Franse Hoge Raad de uitspraak van het HvJ heeft geïncorporeerd, is het afwachten of de legalisatie van CBD in andere EU landen ertoe zal leiden dat het huidige Franse verbod niet in stand kan blijven. Deze uitspraak laat daarmee zien dat landen niet zomaar cannabisproducten kunnen blijven weren.

Team

Related news

09.08.2022 NL law
Bouwen en stikstofdepositie anno 2022: een (on)mogelijke opgave?

Articles - De stikstofproblematiek houdt de gemoederen sinds de PAS-uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) al geruime tijd bezig. In onze eerdere artikelen in voorgaande jaren schetsten wij de stand van zaken op dat moment. Omdat de ontwikkelingen sindsdien niet zijn uitgebleven – integendeel – bestaat alle aanleiding voor een update.

Read more

12.08.2022 NL law
Reactie op ‘De lucht geklaard … Aan de slag met resultaatgerichte grenswaarden voor industriële emissies om 50% reductie te bereiken in 2030’

Articles - Met veel belangstelling hebben Anna Collignon en Jelmer Ypinga  de bijdrage van Borgers en Molendijk in dit nummer van TO gelezen. Hierin borduren zij voort op het eerder verschenen advies dat zij als adviseurs van KokxDeVoogd schreven in opdracht van Rijkswaterstaat. Het advies bevat een mooi overzicht van de huidige en toekomstige juridische instrumenten die van belang (zullen) zijn bij het stellen van emissiegrenswaarden.

Read more

04.08.2022 NL law
Meer maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

Short Reads - Na een blog uit 2020 heb ik de afgelopen periode enkele uitspraken gesignaleerd die lijken te wijzen op een soepelere omgang van de bestuursrechter met termijnoverschrijdingen. Zo besteedde ik aandacht aan een uitspraak van de rechtbank Limburg, waarin persoonlijke (privé) omstandigheden een doorslaggevende rol speelden. Recent is er een tweetal verzetuitspraken van de Afdeling verschenen waarin persoonlijke omstandigheden ook beslissend waren. Waait er sinds de reflectierapporten inderdaad een nieuwe wind door de ontvankelijkheidsrechtspraak?

Read more

09.08.2022 NL law
Het initiatiefvoorstel Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen in internationale context

Articles - Internationaal maatschappelijk ondernemen, in het bijzonder door corporate sustainability due diligence, staat hoog op de (internationale) agenda. In het voetspoor van enkele andere landen in Europa is in Nederland een voorstel gedaan voor een wettelijk raamwerk dat niet op specifieke hoogrisicosectoren van toepassing is, maar op een veel grotere groep ondernemingen.

Read more

03.08.2022 EU law
Gotta catch ‘em all? Upward referral of ‘killer acquisitions’ upheld

Short Reads - Companies involved in intended or completed M&A transactions falling below EU and national merger notification thresholds should beware that their deals may still catch the European Commission’s eye. The General Court has upheld the Commission’s decision to accept a national referral request regarding Illumina’s acquisition of Grail: a transaction not triggering any of the notification thresholds within the EEA.

Read more