Short Reads

Maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

Maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

Maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

27.07.2020 NL law

Kent u een termijn die de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep bepaalt en niet in de wet is te vinden?

Je zou hopen dat zo’n termijn niet bestaat. Ontvankelijkheid bepaalt immers de toegang tot de rechter en die toegang moet niet belemmerd worden door onbekende of slecht kenbare fatale termijnen. Toch kent ons recht zo’n termijn en die termijn is bovendien zeer kort. Ik doel op de twee weken die een belanghebbende wordt gegund om alsnog bezwaar te maken, nadat hij op de hoogte is geraakt van het bestaan van een besluit waarvan de bezwaartermijn al is verstreken.

Artikel 6:11 Awb schrijft deze korte termijn in elk geval niet voor. Het artikel bepaalt slechts dat een niet-ontvankelijkheid achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De woorden ‘redelijkerwijs’ en ‘verzuim’ suggereren maatwerk. Vanwaar en waarom dan die buitenwettelijke, korte en harde tweewekentermijn? In rechtspraak en literatuur heb ik geen verklaring kunnen vinden. De parlementaire geschiedenis van artikel 6:11 Awb bevat wel een aanwijzing. De minister schrijft dat van verzuim sprake is als de indiener te lang talmt met het alsnog maken van bezwaar of beroep, nadat de verhindering om tijdig bezwaar te maken is weggevallen. Hoeveel tijd de indiener dan heeft, is niet in het algemeen aan te geven. Twee à drie weken zullen hem tenminste moeten worden gegund, maar onder omstandigheden zal hij redelijkerwijs meer tijd nodig hebben, aldus de minister. Ik wil hier niet de staf breken over het feit dat de bestuursrechters tegenwoordig strenger zijn dan de minister destijds redelijk vond. Mij gaat het om het uitgangspunt. Of de termijn voor het alsnog maken van bezwaar nu twee of drie weken is, hij is heel erg kort. En daarvoor bestaat geen goede rechtvaardiging.

In het gros van de gevallen is de termijnoverschrijding verschoonbaar omdat het bestuursorgaan een fout heeft gemaakt in de sfeer van de bekendmaking, mededeling of publicatie van het besluit. In tweepartijenverhoudingen valt dan niet in te zien waarom de burger als gevolg van die fout wordt opgezadeld met een effectieve bezwaartermijn die kórter is dan de wettelijke termijn. Mijns inziens zou de burger in zo’n geval ten minste zes weken moeten hebben. Bovendien zou dit geen harde termijn moeten zijn, alleen al omdat deze termijn niet goed kenbaar is.

In meerpartijenverhoudingen kan een soepel ontvankelijkheidsbeleid afbreuk doen aan de rechts­zekerheid van derden, bijvoorbeeld een vergunninghouder. De tweewekenregel draagt echter nauwelijks bij aan het vergroten van diens rechtszekerheid. Het is bijvoorbeeld niet zo dat de vergunninghouder dankzij die regel acht (zes + twee) weken na aanvang van de bezwaartermijn de zekerheid heeft dat geen ontvankelijk bezwaar meer wordt ingediend. Publicatiegebreken komen regelmatig pas veel (soms jaren) later aan het licht. Als de vergunninghouder op dat moment al is gestart met de vergunde activiteit, bijvoorbeeld de exploitatie van een café, dan maakt het voor hem niet veel meer uit of de bezwaarmaker nu twee, zes of twaalf weken krijgt om alsnog bezwaar te maken. Vaak zal de vergunninghouder zich pas van het probleem bewust worden als het bezwaarschrift wordt ingediend. Het is voor hem dan natuurlijk wel fijn als zijn advocaat de bezwaarmaker kan afserveren met een beroep op de tweewekenregel, maar met rechtszekerheid heeft dat weinig te maken. Gaat het om een aflopende activiteit, zoals een festival, dan heeft de vergunninghouder er zelfs baat bij als de bezwaarmaker niet terstond, maar pas na afloop van het festival bezwaar maakt.

Nu de positie van de bezwaarmaker. De onderbuik zegt wellicht dat het logisch is dat deze, zodra hij kennis krijgt van het besluit en van de verstreken bezwaartermijn, zo snel mogelijk alsnog bezwaar maakt, zo nodig pro forma. Soms is dat inderdaad logisch, maar meestal is de onderbuik geen goede raadgever. Een voorbeeld. Opa’s nieuwe buren verbouwen hun huis voordat ze erin trekken. Een van de werklui vertelt opa dat over enkele weken in de achtertuin het zwembad en de buitenbarbecue worden geïnstalleerd. Opa maakt zich zorgen en vraagt zich af of daarvoor een vergunning is verleend. Gelukkig is hij geen digibeet. De publicatie van de al maanden eerder verleende omgevingsvergunning vermeldt “renovatie woonhuis en tuin”. Geen barbecue en zwembad. Hij denkt er nog eens even over na, praat er met oma over – procederen tegen je buren is ook zowat – en besluit om eerst maar eens de vergunning op te vragen bij de gemeente. Die ontvangt hij twee weken later. Inderdaad zijn het zwembad en de buitenbarbecue vergund. Opa vraagt de aannemer het telefoon­nummer van de buren, belt hen, zet zijn bezwaren uiteen en vraagt of zij bereid zijn tot overleg. Dat zijn ze niet. Dan dient hij een bezwaarschrift bij de gemeente in. Naar de huidige stand van de rechtspraak is dat zinloos. Waarom? Is de tweewekentermijn hier niet een straf op opa’s zorg­vuldige voorbereiding van zijn besluit tot het starten van een juridische procedure tegen zijn buurman?

Er zijn voorbeelden waarin van de bezwaarmaker inderdaad verwacht mag worden dat hij snel handelt, met name als hij door (of vlak voor) de start van de vergunde activiteit van de vergunning op de hoogte raakt. In het geval van opa: als hij bij de buren de graafmachine ziet binnenrijden.

Hij kan de vergunninghouder dan behoeden voor geldverspilling, waarbij overigens nog de vraag gesteld kan worden waar dat snelle handelen uit moet bestaan en wat een proportionele sanctie is op het nemen van wat meer tijd. Maar in het merendeel van de gevallen valt niet in te zien waarom de bezwaarmaker voor een publicatiefout van het bestuursorgaan gestraft wordt met een zeer korte, fatale bezwaartermijn. Het zou uit het oogpunt van rechtszekerheid al een verbetering zijn als de wetgever de tweewekenregel zou converteren tot een zeswekenregel en deze zou neerleggen in artikel 6:11 Awb. Maar het is niet voldoende. Niet alleen leest de gemiddelde burger artikel 6:11 niet, een vaste termijn doet ook geen recht aan de veelvormige praktijk, waarvan ik zojuist een voorbeeld gaf. Daarom is de rechter aan zet. Hij moet de tweewekenregel naar de prullenbak verwijzen en maatwerk gaan bieden.

Related news

20.01.2022 NL law
E-book: belangrijkste ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht 2021 in blogs en podcasts

Articles - De bestuursrechtadvocaten van Stibbe in Amsterdam bloggen regelmatig over actuele onderwerpen op het gebied van het bestuursrecht en het omgevingsrecht. In dit e-book zijn voor u de belangrijkste bestuursrechtelijke blogs en podcasts over 2021 gebundeld. Deze blogs geven een goed beeld van de ontwikkelingen uit het afgelopen jaar. Veel van deze ontwikkelingen zetten zich voort in 2022. Onderwerpen waarover we het komende jaar waarschijnlijk nog veel gaan horen zijn:

Read more

06.01.2022 NL law
De Belgische Raad van State draait de sluiting van culturele instellingen vanwege de coronacrisis terug: een relevante uitspraak voor het Nederlandse coronabeleid

Short Reads - Vanwege de coronacrisis neemt de overheid in België maatregelen, die deels vergelijkbaar zijn met de coronamaatregelen in Nederland. Een van deze maatregelen is de sluiting van binnenruimtes van culturele instellingen. De hoogste bestuursrechter in België – de Raad van State –  heeft deze maatregel tijdelijk geschorst. In dit blogbericht beantwoord ik de vraag welke relevantie deze uitspraak voor de Nederlandse praktijk heeft.

Read more

11.01.2022 NL law
Webinar "Trends en ontwikkelingen in het bestuurs- en omgevingsrecht"

Seminar - Tijdens een webinar op donderdag 20 januari, 15.00 – 17.00 uur, gaan de bestuursrechtadvocaten van Stibbe in op relevante trends en ontwikkelingen in het Bestuurs- en omgevingsrecht. Er wordt teruggekeken op de belangrijkste ontwikkelingen van afgelopen jaar en u wordt geïnformeerd over wat u in 2022 kunt verwachten.

Read more

03.01.2022 NL law
Supreme Court clarifies rent reductions for catering and retail businesses during corona period

Short Reads - On 24 December 2021, the Supreme Court ruled on the preliminary questions of the District Court of Limburg. In these preliminary ruling proceedings, the key question was – in brief – whether tenants of business premises as referred to in Section 7:290 of the Dutch Civil Code (such as hotels, restaurants, cafes and shops) are entitled to a rent reduction as a result of government measures in connection with the corona pandemic and, if so, how that rent reduction should be calculated.  

Read more

06.01.2022 NL law
Evenredige vertegenwoordiging van generaties

Short Reads - Wie aan het einde van het jaar de verkiezing van de muziek Top 2000 een beetje volgt, weet waar de schoen wringt als het gaat om evenredige vertegenwoordiging van de diverse generaties in onze maatschappij. In de bovenste regionen van deze Top 2000 zijn bands uit de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw steevast oververtegenwoordigd. Wel veel rock, maar weinig rap. 

Read more

03.01.2022 NL law
Hoge Raad schept duidelijkheid over huurkortingen in coronatijd voor horeca en winkeliers

Short Reads - Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de rechtbank Limburg. In deze prejudiciële procedure stond – kort gezegd – de vraag centraal of huurders van 290-bedrijfsruimten (zoals bijvoorbeeld hotels, restaurants, cafés en winkels) als gevolg van overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie aanspraak kunnen maken op vermindering van de huurprijs, en zo ja hoe die vermindering moet worden berekend. 

Read more