Articles

Grondwettelijk Hof spreekt zich uit over de bestaanbaarheid van de schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State met het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel

Grondwettelijk Hof spreekt zich uit over de bestaanbaarheid van de sc

Grondwettelijk Hof spreekt zich uit over de bestaanbaarheid van de schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State met het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel

27.05.2019 BE law

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat artikel 11bis RvS-wet de artikelen 10-11 Gw. niet schendt en dat het dus niet onredelijk is dat de verwerende partij bepaalde gevolgen moet dragen van de keuze van de verzoekende partij, om zich tot de Raad van State dan wel de burgerlijke rechter te wenden voor het verkrijgen van een schadevergoeding.

1. Prejudiciële vraag

Bij arrest van 23 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over een prejudiciële vraag gesteld door de Raad van State over de schadevergoeding tot herstel (artikel 11bis RvS-wet). De prejudiciële vraag luidde als volgt:

“Schendt artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het enkel aan de verzoeker de keuze laat om bij de Raad van State een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tot herstel, of om, voor de rechtbanken van de rechterlijke orde, de burgerlijke aansprakelijkheid van de administratieve overheid die de handeling heeft gesteld die door de Raad van State onwettig is bevonden, in het geding te brengen, waardoor aan die administratieve overheid de keuzemogelijkheid wordt ontzegd om het voordeel te genieten, in het kader van de procedure voor de rechtbanken van de rechterlijke orde:

- van een dubbele aanleg;

- van de mogelijkheid om te betwisten dat elke onwettigheid een fout vormt die de verplichting met zich meebrengt om de daaruit voortvloeiende schade te herstellen;

- en van de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen?”

2. Toets aan het gelijkheidsbeginsel

Voldoende vergelijkbare categorieën en pertinent onderscheid

Ten gronde is het Hof van oordeel dat de categorieën die hier aan de orde zijn, nl. een partij die een schadevergoeding tot herstel vordert en de tegenpartij in het kader van die vordering, voldoende vergelijkbaar zijn.

Het Hof erkent de verschillen in de twee onderscheiden procedures en komt tot het besluit dat de schadevergoeding tot herstel (Raad van State) anders geconcipieerd is dan de gemeenrechtelijke schadevergoeding. Zo is de schadevergoeding tot herstel geen zelfstandige vordering, maar een accessorium van een beroep tot nietigverklaring en betreft het ook een objectieve overheidsaansprakelijkheid op grond van autonome concepten. Omdat de verschillen voortvloeien uit de keuze van de procedure, gaat het volgens het Hof om een objectief criterium.

Uit de proceseconomische doelstelling die de wetgever met de schadevergoeding tot herstel nastreefde, leidt het Hof af dat het onderscheid ook pertinent is.

Proportionaliteit

Het Hof is van mening dat de verschillen in behandeling in principe verantwoord zijn, zolang zij overeenstemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt en geen onevenredige beperking van de rechten van de tegenpartij met zich meebrengt.

De verschillen in behandeling die in deze prejudiciële vraag aan de orde zijn en die volgen uit het feit dat het de verzoekende partij is die kiest of hij zich tot de Raad van State dan wel tot de burgerlijke rechter wendt voor het verkrijgen van een vergoeding, betreffen het al dan niet beschikken:

  • over een dubbele aanleg en over de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen;
  • over de mogelijkheid om te betwisten dat elke onwettigheid een fout vormt die de verplichting met zich meebrengt om de daaruit voortvloeiende schade te herstellen.

Vooreerst wijst het Hof erop dat op grond van het electa una via-principe de keuze van de verzoekende partij onherroepelijk is, maar dat dat dit past in de logica van het systeem. Het Hof meent dat hierbij ook rekening gehouden moet worden met de objectieve verschillen tussen particuliere procespartijen en overheden die bij dezelfde procedure betrokken zijn. Hierbij zou in het algemeen aangenomen kunnen worden dat de overheid die de aangevochten beslissing heeft genomen, ook beschikt over de menselijke en financiële middelen om zich te verdedigen.

  • Wat betreft het recht op dubbele aanleg of op een cassatieberoep, wijst het Hof er vooreerst op dat artikel 6 EVRM deze rechten niet waarborgt en dat er ook, behoudens in strafzaken, geen algemeen rechtsbeginsel in die zin bestaat.

Het Hof overweegt vervolgens  dat wanneer de wetgever wel voorziet in de mogelijkheid om hoger beroep of cassatieberoep in te stellen, hij dit niet zonder redelijke verantwoording mag ontzeggen aan rechtzoekenden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Aangezien zowel de verwerende partij als de verzoekende partij binnen een procedure voor de Raad van State niet over een beroeps- of cassatiemogelijkheid beschikken, is  er zich geen verschil in behandeling. In dat verband verklaart het Hof de afwezigheid van een hoger beroep en cassatieberoep (behoudens voor wat betreft attributieconflicten) door de positie van de Raad van State als hoogste administratief rechtscollege, waarbij partijen ook van een dubbel onderzoek door het auditoraat en door de kamer genieten.

  • Ook het feit dat de verwerende partij in het kader van de schadevergoeding tot herstel niet op nuttige wijze kan aanvoeren dat de vastgestelde onwettigheid geen fout uitmaakt, vindt het Hof verantwoord in het licht van de logica van het systeem. De wetgever heeft immers geopteerd voor een systeem van objectieve aansprakelijkheid, waarbij niet de fout, maar wel de onwettigheid als oorzaak van de vergoedbare schade in aanmerking te nemen is.

Het Hof wijst er op dat dit nadeel daarenboven gecompenseerd wordt door het feit dat de Raad van State bij de begroting van de schadevergoeding tot herstel rekening dient te houden met “alle omstandigheden van openbaar en particulier belang”, wat tot een lagere schadevergoeding dan een integrale vergoeding kan leiden. De parlementaire voorbereiding bepaalt op dit vlak overigens dat de Raad bij de begroting van de schadevergoeding tot herstel rekening kan houden met de omstandigheid dat de tegenpartij “niet over de mogelijkheid beschikt om de volgens haar meest voordelige procedurele weg te kiezen, aangezien ze gebonden is door de keuze van de partij die de vergoeding vraagt.” (Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2233/1, p; 7).

3. Besluit

Op grond van dit alles besluit het Grondwettelijk Hof dat de door de verwijzende rechter voorgelegde verschillen in behandeling geen onevenredige beperkingen van de rechten van de tegenpartij met zich meebrengen. Het Hof verklaart artikel 11bis dan ook bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en bevestigt zodoende de grondwettigheid van deze bepaling op dit punt. Over andere punten, zoals bv. het niet in vrijwaring kunnen roepen van een derde partij, spreekt het Hof zich niet uit, zodat de vraag naar de bestaanbaarheid met het gelijkheidsbeginsel op die punten blijft bestaan.

Team

Related news

20.10.2021 NL law
FAQ: What will change with the entry into force of the Woo compared to the Wob? An update

Short Reads - The Open Government Act (“Woo”) is to replace the Government Information (Public Access) Act (“Wob”). The Woo initiative proposal was passed in the Dutch House of Representatives in 2016; see our earlier Stibbeblog. However, the impact analysis that followed showed that the Woo as proposed was potentially impracticable for local governments. This led to amendments to the bill, which was passed by the House of Representatives on 26 January 2021. 

Read more

13.10.2021 NL law
FAQ: Hoe een begrip uit te leggen als een definitie of andere uitleg ervan in de wettelijke regeling ontbreekt?

Short Reads - Hoe een begrip uit te leggen als een definitie of andere uitleg ervan in de wettelijke regeling ontbreekt? Deze vraag komt meer dan eens aan de orde in geschillen en procedures. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoordt deze vraag onder meer in een uitspraak over pleziervaartuigen en woonschepen in de jachthaven te Kaag (25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897).

Read more

20.10.2021 NL law
FAQ: Wat verandert er met de inwerkingtreding van de Woo ten opzichte van de Wob? Een update

Short Reads - De wet open overheid (“Woo”) moet de Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”) vervangen. Al in 2016 is het initiatiefvoorstel van de Woo aangenomen in de Tweede Kamer. Hierover kon u eerder een Stibbeblog lezen. De impactanalyse die volgde toonde echter aan dat de Woo zoals voorgesteld mogelijk onuitvoerbaar was voor decentrale overheden. Dit heeft geleid tot wijzigingen in het wetsvoorstel dat op 26 januari 2021 door de Tweede Kamer is aangenomen. 

Read more

13.10.2021 NL law
De hardheidsclausule en ander maatwerk in het licht van de NOW

Short Reads - Uitzonderingen op de NOW zijn volgens de bestuursrechter niet mogelijk door het bewust ontbreken van een hardheidsclausule, maar worden door de minister in bepaalde gevallen wel toegestaan. In dit artikel bespreekt Sandra Putting welke mogelijkheden bestuursorganen en de bestuursrechter hebben om maatwerk te bieden en wordt aan de hand van drie geschilpunten over de NOW beoordeeld hoe die mogelijkheden zijn ingezet of beter hadden kunnen worden ingezet.

Read more

14.10.2021 NL law
Termijn voor het indienen vaststellingsaanvraag NOW-1 loopt af op 31 oktober 2021: strategische handreikingen en juridische aanbevelingen

Short Reads - Op 31 oktober 2021 is het de laatste dag waarop de vaststellingsaanvragen van de NOW-1 subsidie kunnen worden ingediend. Veel werkgevers hebben deze aanvraag al ingediend (en al een vaststellingsbesluit ontvangen) maar ook een aanzienlijk deel van de vaststellingsaanvragen moet nog door het UWV worden ontvangen (zie de Kamerbrief van 20 september 2021). 

Read more

07.10.2021 NL law
Intrekking van natuurvergunningen en de praktijk: de stand van zaken en de rol van significantie van eventuele effecten

Short Reads - Onherroepelijke natuurvergunningen lijken anno 2021 geen rustig bezit meer te zijn. Bij provincies liggen op dit moment verzoeken voor om tot intrekking van (onherroepelijke) natuurvergunningen over te gaan. Intrekking zou een noodzakelijke passende maatregel zijn ter uitvoering van artikel 6, lid 2 Habitatrichtlijn. Jurisprudentie geeft inmiddels enige duidelijkheid. Maar de praktijk blijkt weerbarstig en laat zien dat de nodige vragen onbeantwoord blijven. In dit blog bespreken wij de stand van zaken.

Read more