Articles

Arresten van het hof op prejudiciële vragen betreffende richtlijn 2005/29/eg

Arresten van het hof op prejudiciële vragen betreffende richtlijn 200

Arresten van het hof op prejudiciële vragen betreffende richtlijn 2005/29/eg

30.07.2019 BE law

Hieronder vindt u een overzicht van het hof op prejudiciële vragen.

Arrest van het Hof van 4 juli 2019 in zaak C-393/17 Kirschstein (EU:C:2019:563)

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/29 („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die voorziet in de oplegging van strafrechtelijke sancties aan personen die zonder voorafgaande erkenning van de bevoegde autoriteit een „master”-diploma verlenen.

Het Hof verklaart voor recht:

Richtlijn 2005/29/EG moet aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding die voorziet in de oplegging van strafrechtelijke sancties aan personen die een „master”-diploma uitreiken zonder daartoe vooraf te zijn erkend door de bevoegde autoriteit.

Arrest van het Hof van 12 juni 2019 in zaak C-628/17 Orange Polska (EU:C:2019:480)

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2(j), en de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) aldus dienen te worden uitgelegd dat het gebruik door een handelaar van een methode voor het sluiten of wijzigen van overeenkomsten betreffende het verrichten van telecommunicatiediensten, als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij een consument het definitieve commerciële besluit over de transactie moet nemen in aanwezigheid van de koerier die de modelovereenkomsten overhandigt zonder tijdens de aanwezigheid van de koerier vrij te hebben kunnen kennisnemen van de inhoud is een agressieve handelspraktijk .

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 2(j), en de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG dienen aldus te worden uitgelegd dat het gebruik door een handelaar van een methode voor het sluiten of wijzigen van overeenkomsten betreffende het verrichten van telecommunicatiediensten, als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij een consument het definitieve commerciële besluit over de transactie moet nemen in aanwezigheid van de koerier die de modelovereenkomst overhandigt zonder tijdens de aanwezigheid van de koerier vrij te hebben kunnen kennisnemen van de inhoud ervan,

  • niet onder alle omstandigheden als een agressieve handelspraktijk moet worden aangemerkt;
  • niet als een agressieve handelspraktijk door ongepaste beïnvloeding moet worden aangemerkt louter op grond dat de consument niet vooraf en individueel, bijvoorbeeld per e‑mail of op zijn woonadres, alle modelovereenkomsten heeft ontvangen, wanneer hij vóór het bezoek van de koerier zelf kennis heeft kunnen nemen van de inhoud ervan, en
  • als een agressieve handelspraktijk door ongepaste beïnvloeding moet worden aangemerkt met name wanneer de handelaar of zijn koerier zich oneerlijk gedraagt waardoor dusdanige pressie op de consument wordt uitgeoefend dat zijn keuzevrijheid aanzienlijk wordt beperkt, zoals gedragingen die van dien aard zijn dat die consument zich ongemakkelijk voelt of dat zijn overwegingen over het te nemen commerciële besluit worden verstoord.

Beschikking van het Hof van 14 mei 2019 in de gevoegde zaken C‑406/17 à C‑408/17 et C‑417/17 -  Hera Comm (EU:C:2019:404)

De verwijzende rechter verzoekt het Hof in het kader van de collisieregel die is vastgesteld bij artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 en artikel 3, lid 2, van richtlijn 2011/83, over in het bijzonder, de bevoegdheid van de sectorale autoriteit in de zin van de Richtlijnen 2009/72 en 2009/73, om gedragingen te bestraffen zoals het sluiten van leveringsovereenkomsten die niet door consumenten zijn aangevraagd of het sluiten van overeenkomsten op afstand en overeenkomsten buiten verkoopruimten in strijd met de consumentenrechten.

Het Hof verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 en artikel 3, lid 2, van richtlijn 2011/83 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale regels van welke gedragingen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, het sluiten van leveringsovereenkomsten die niet door consumenten zijn gevraagd of het sluiten van overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten die de consumentenrechten schenden, moeten worden beoordeeld overeenkomstig de respectieve bepalingen van de Richtlijnen 2005/29 en 2011/83, met als gevolg dat, volgens deze nationale regels, de sectorale autoriteit in de zin van de Richtlijnen 2009/72 en 2009/73 niet bevoegd is om dergelijk gedrag te sanctioneren.

Team

Related news

26.04.2021 BE law
L’appropriation frauduleuse de listes de clients à des fins de détournement de clientèle constitue une pratique commerciale déloyale et une violation du secret d’affaires

Articles - La Cour d’appel de Gand a jugé que l’appropriation frauduleuse de listes de clients ainsi que l’utilisation de celle-ci constituent un détournement illicite de clients ainsi qu’une violation de l’article XI. 332/4 CDE (secret d’affaires).[1]

Read more

26.04.2021 BE law
L'utilisation illégale de secrets d'affaires obtenus de façon illicite conduit à une injonction temporaire de cesser une activité économique spécifique

Articles - Le président du tribunal d’entreprise de Gand a jugé que l'utilisation de secrets d’affaires obtenus de façon illicite, tels que des informations techniques sur les produits, lorsqu’une personne morale ou physique savait ou aurait dû savoir que ces derniers avaient été obtenus de façon illicite, viole l'article XI.332/4 du Code de droit économique (CDE) et est contraire à la concurrence loyale (article VI.104 CDE).

Read more

26.04.2021 BE law
Openbaarmaking en bedrijfsgeheimen, waar ligt de grens?

Articles - De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Brussel, zetelend zoals in kortgeding, heeft geoordeeld dat de openbaarmaking van een geheim productieproces door een ex-werknemer aan een concurrerende onderneming een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt (schending van artikel XI.332 van het Wetboek Economisch Recht).[1] 

Read more

26.04.2021 BE law
Violation d’obligation contractuelle et tierce complicité – le juge des cessations peut établir l’existence d’une rupture de contrat

Articles - La Cour de Cassation a confirmé que même si les infractions liées aux pratiques de marché loyales relèvent de la responsabilité extracontractuelle, le juge des cessations, afin d’établir une éventuelle tierce complicité de la violation contractuelle, est compétent pour se prononcer sur l’existence d’une rupture de contrat à laquelle la société tierce a participé.

Read more