Short Reads

Wet DBA: handhaving opgeschort tot 1 januari 2020, maar verruiming handhaving bij kwaadwillenden

Wet DBA: handhaving opgeschort tot 1 januari 2020, maar verruiming ha

Wet DBA: handhaving opgeschort tot 1 januari 2020, maar verruiming handhaving bij kwaadwillenden

14.02.2018 NL law

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Snel van Financiën stuurden vrijdag 9 februari jl. de aangekondigde brief aan de Tweede Kamer met daarin een schets hoe het kabinet denkt te komen tot wetgeving die de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) zal vervangen.

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Snel van Financiën stuurden vrijdag 9 februari jl. de aangekondigde brief aan de Tweede Kamer met daarin een schets hoe het kabinet denkt te komen tot wetgeving die de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) zal vervangen. Aangezien de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving pas is voorzien voor 1 januari 2020 zal de opschorting van de handhaving van de Wet DBA – die per 1 juli 2018 zou aflopen – worden verlengd tot 1 januari 2020. Wel gaat het kabinet de mogelijkheden voor de handhaving van de Wet DBA bij kwaadwillenden vanaf 1 juli 2018 verruimen.

Nieuwe wetgeving
De in het regeerakkoord voorziene maatregelen (zie hierover ook mijn eerdere bericht: "De Wet DBA is dood, lang leve de webmodule?!") vergen aanpassingen in het arbeidsrecht, fiscale recht en sociale zekerheidsrecht. Gezien de complexiteit wil het kabinet maximale zorgvuldigheid betrachten bij de uitwerking van de maatregelen en zullen werkgevers-, werknemers- en brancheorganisaties worden betrokken. Vóór het zomerreces zal een hoofdlijnenbrief aan de Tweede Kamer worden gestuurd met een nadere uiteenzetting hoe het kabinet de verschillende maatregelen wil gaan uitwerken. Het streven is dat nog dit jaar een wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State wordt voorgelegd, zodat de parlementaire behandeling in de eerste helft van 2019 kan worden gestart en inwerkingtreding per 1 januari 2020 haalbaar lijkt.

Gezag verduidelijken
In de praktijk zal het criterium "gezagsverhouding" aanleiding tot discussie met de Belastingdienst geven. De Tweede Kamer heeft het kabinet verzocht om de gezagsverhouding – binnen de huidige wettelijke kaders – al vóór 1 januari 2019 te verduidelijken. Het kabinet heeft toegezegd dat het vóór het zomerreces in de hoofdlijnenbrief de Tweede Kamer nader zal informeren op welke wijze de gezagsverhouding wordt verduidelijkt.

Verlenging opschorting handhaving Wet DBA
De repressieve handhaving van de Wet DBA was opgeschort tot 1 juli 2018, met uitzondering van kwaadwillenden.1 Het kabinet verlengt deze opschorting nu tot 1 januari 2020. Dit betekent dat opdrachtgevers tot in ieder geval 1 januari 2020, in beginsel, geen correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen loonheffingen of boetes opgelegd kunnen krijgen als de Belastingdienst achteraf constateert dat sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking, behalve bij kwaadwillenden.

Verruiming handhavingsmogelijkheden Belastingdienst
De handhaving van de Wet DBA is in eerste instantie gericht geweest op de ernstigste gevallen van kwaadwillenden. Hierbij gaat het volgens de definitie in het Handboek Loonheffingen (versie 1 oktober 2017, blz. 15; Handboek) om "gevallen waarin opdrachtgevers opereren in een context van opzet, fraude en zwendel" waarbij "kan worden gedacht aan situaties waarin sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning en situaties die leiden tot ernstige concurrentievervalsing, economische en maatschappelijke ontwrichting of waarin het risico aanwezig is van uitbuiting".

Het kabinet acht het wenselijk vanaf 1 juli 2018 de handhaving van de Wet DBA niet langer alleen te richten op de ernstigste gevallen, maar ook op "andere kwaadwillenden". Andere kwaadwillenden, zijn kwaadwillenden die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laten ontstaan of voortbestaan. Met ingang van 1 juli 2018 kan de Belastingdienst de Wet DBA derhalve repressief handhaven als de Belastingdienst de volgende drie cumulatieve criteria kan bewijzen:

  1. er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking; en

  2. er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid; en

  3. er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

Eindelijk rust op de arbeidsmarkt?
Hoewel de opschorting van de handhaving van de Wet DBA tot 1 januari 2020 (met uitzondering van kwaadwillenden) op zichzelf positief nieuws is, wordt de handhaving door de Belastingdienst met ingang van 1 juli 2018 aanmerkelijk verruimd. Hierdoor kan de Belastingdienst de Wet DBA bij alle kwaadwillenden repressief handhaven het komende 1,5 jaar, terwijl het onderscheid tussen goed- en kwaadwillenden niet helder is. Hierdoor wordt de onduidelijkheid en onzekerheid ten aanzien van de kwalificatie van contractuele relaties helaas niet weggenomen.

  1. Wanneer is volgens het kabinet sprake van "evidente" schijnzelfstandigheid?
     
    1. Betekent dit dat zolang een opdrachtgever kan beargumenteren dat aan ten minste één van de drie cumulatieve vereisten voor een echte dienstbetrekking (loon, gezag of persoonlijke arbeid) niet is voldaan, geen sprake kan zijn van evidente schijnzelfstandigheid?
    2. Als dit de bedoeling van het kabinet is geweest, hoe moet dan worden omgegaan met situaties waarin zowel één of meerdere argumenten vóór als tegen een (fictieve) dienstbetrekking te bedenken zijn? "Evident" is geen juridische term zoals geheel of nagenoeg geheel (90% of meer), hoofdzakelijk (ten minste 70%), etc.
    3. Hoe om te gaan met de uitlating van de ambtsvoorganger van de huidige staatssecretaris van Financiën dat handhaving niet aan de orde is bij "een zelfstandige professional bij wie er ruis over de gezagsrelatie is" (zie ook de definitie van "kwaadwillend" in het Handboek)? Blijft dit ook vanaf 1 juli 2018 de aanpak?
  1. Er is volgens het kabinet sprake van "andere kwaadwillenden" indien "kwaadwillenden een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laten ontstaan of voortbestaan". Dit komt woordelijk overeen met de definitie van "kwaadwillenden" in het Handboek met dien verstande dat aldaar nog was toegevoegd "omdat u weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (…) ". Geldt die toevoeging ook ten aanzien van "andere kwaadwillenden", ook al is dit niet expliciet in de Kamerbrief van vrijdag 9 februari jl. genoemd? Zo ja, dan zou dat betekenen dat met "had kunnen weten" mogelijk toch een lagere ondergrens voor de aan de opdrachtgever toerekenbare kennis wordt ingevoerd.

Vóór het zomerreces (d.w.z. vóór vrijdag 6 juli 2018) zal in ieder geval de gezagsverhouding door het kabinet worden verduidelijkt. Dit zal naar verwachting meer duidelijkheid en zekerheid over de kwalificatie van contractuele relaties bieden.

Laten we in de tussentijd maar hoop putten uit het spreekwoord een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg…

1 Uit de 20e Halfjaarsrapportage van de Belastingdienst bleek dat sinds 1 januari 2017 slechts bij elf van de onderzochte gevallen geoordeeld is dat deze verder moeten worden onderzocht omdat dit kwaadwillenden kunnen zijn.

 

Related news

07.01.2019 NL law
De redelijke grond: rechtsfeit of rechtsgrond?

Articles - Op 16 februari 2018 wees de Hoge Raad twee beschikkingen (ECLI:NL:HR:2018:182 en ECLI:NL:HR:2018:220), waarin de toepasselijkheid van de wettelijke bewijsregels bij ontbindingszaken aan bod kwam. In beide beschikkingen heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de wijze waarop dient te worden vastgesteld of sprake is van een redelijke grond zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder c t/m h BW (de ‘redelijke gronden’).

Read more

15.01.2019 NL law
De verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfondsen: wel of geen voorrangsregel in de betekenis van artikel 9 Rome I?

Articles - In deze bijdrage staat een actueel en belangrijk pensioenvraagstuk centraal. Dit vraagstuk ligt op het snijvlak tussen pensioen en internationaal privaatrecht. Het gaat om een nadere verkenning van de vraag of de verplichtstelling van de Wet Bpf kwalificeert als een regel van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 van Rome I.

Read more

07.12.2018 BE law
Virtual Currency Regulation Law Review

Articles - The first edition of the Virtual Currency Regulation Law Review is intended to provide a practical, business-focused analysis of recent legal and regulatory changes and developments, and of their effects, and to look forward at expected trends in the area of virtual currencies on a country-by-country basis.

Read more

08.01.2019 NL law
Algoritmische discriminatie

Articles - 'Slimme algoritmes' nemen steeds meer arbeidsrechtelijk relevante beslissingen. Zo kunnen zelflerende systemen onder meer worden ingezet om te bepalen wie promotie krijgt of welk cv wordt geselecteerd in een sollicitatieprocedure. Ook in de opkomende platformeconomie worden veel arbeidsrechtelijk relevante beslissingen genomen door geautomatiseerde systemen: wie doet welke klus en tegen welke beloning?

Read more

04.12.2018 NL law
Stibbe appoints two new partners and three counsel

Inside Stibbe - Stibbe has promoted Floris ten Have (EU law, competition and regulation, Amsterdam) and Julien Bogaerts (corporate and finance, Brussels) to partner. In addition, Johan Zwemmer (employment law, Amsterdam), Li Wee Toh (energy and industry, Amsterdam) and Giovanni Smet (tax, Brussels) have been promoted to counsel. The new appointments will take effect on 1 January 2019.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring