Short Reads

Tandartsen mogen –beperkt – reclame maken

Tandartsen mogen –beperkt – reclame maken

07.09.2017 BE law

In het kader van een prejudiciële vraag sprak het Hof van Justitie zich uit over de verenigbaarheid van het absoluut reclameverbod in België voor tand- en mondverzorging met het recht van de Europese Unie. [1]

De richtlijn oneerlijke handelspraktijken[1] werd geacht zich niet te verzetten tegen het verbod omdat die richtlijn bepaalt dat het geen afbreuk doet aan nationale voorschriften inzake gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten of specifieke voorschriften van gereglementeerde beroepen.

De richtlijn inzake elektronische handel[2] vormde wel een probleem voor het Belgisch verbod. Overeenkomstig deze richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat het gebruik van commerciële communicatie die deel uitmaakt van een door een lid van een gereglementeerd beroep verleende dienst van de informatiemaatschappij wordt toegestaan. Dit omvat elke vorm van communicatie bestemd voor het direct of indirect promoten van diensten van een persoon, m.i.v. reclame voor mond- en tandverzorging op een website van een tandarts. Hoewel het volgens de richtlijn toegestaan is beperkingen op te leggen aan commerciële communicatie ter bescherming van het betrokken gereglementeerd beroep, kan een lidstaat dus geen absoluut verbod op online commerciële communicatie opleggen.

Het Hof boog zich vervolgens over de vraag of de vrijheid van dienstverrichting[3] zich verzet tegen dergelijk absoluut verbod buiten de context van online commerciële communicatie (waar dergelijk verbod dus niet kon op basis van de richtlijn). In huidige zaak was het vereiste grensoverschrijdend element voldoende aanwezig doordat een aantal patiënten van de tandarts in kwestie uit een andere lidstaat kwamen. De vraag was dus ontvankelijk. Het Hof oordeelde dat de dienstverrichting in overige lidstaten ongunstig werd beïnvloed gezien men beperkt werd in zijn mogelijkheden om bekendheid te verwerven bij potentiële buitenlandse klanten. Hoewel de volksgezondheid en de waardigheid van het beroep van tandarts behoren tot de dwingende eisen van algemeen belang, en een reclameverbod konden helpen die doelstellingen te verwezenlijken werd een absoluut verbod geacht verder te gaan dan wat noodzakelijk is. M.a.w. een absoluut verbod voldeed niet aan de proportionaliteitstest.

Uit het voorgaande volgt dat het absoluut verbod op reclame van mond- en tandverzorging onverenigbaar is met het Europees recht. De Belgische wetgever zal bijgevolg via minder beperkende maatregelen moeten afbakenen welke vormen van communicatie tandartsen op welke wijze mogen gebruiken.

Voetnoten:

  1. Arrest van 4 mei 2017, Luc Vanderborght C-339/15, EU:C:2017:335.
  1. Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, OJ 2005 L 149/22.
  1. Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, OJ 2000 L 178/1.
  2. Artikel 56 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

Related news

05.01.2018 BE law
Tandartsen mogen reclame maken, plastische chirurgen niet ?

Short Reads - Een Belgische rechter vroeg bij prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie of de Belgische wet van 23 mei 2013 die een verbod in het leven roept om reclame te verspreiden voor ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde, wel verenigbaar was met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (hierna de “Richtlijn”)[1].

Read more

05.01.2018 BE law
L’imitation n’est contraire aux pratiques honnêtes du marché qu’à titre exceptionnel

Short Reads - Le 5 septembre 2017, la Cour d’appel de Bruxelles a à nouveau considéré qu’en l’absence de violation d’un droit de propriété intellectuelle, un argument faisant valoir qu’une imitation est contraire aux pratiques honnêtes du marché au sens de l’article VI.104 du Code de droit économique (« CDE ») n’aboutirait pas rapidement. [1] 

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy and Cookie Policy