Articles

Wijziging van de Rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013

Wijziging van de Rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013

Wijziging van de Rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013

16.02.2017 BE law

Na de nieuwe Overheidsopdrachtenwet en Concessieovereenkomstenwet, beiden van 17 juni 2016, is nu ook de Wet van 16 februari 2017 tot wijziging van de Wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (hierna ‘Rechtsbeschermingswet’ genoemd) verschenen in het Belgische Staatsblad.

Deze wet vormt het derde en laatste luik in het kader van de omzetting van de Europese Richtlijnen nr. 2014/23/EU (Concessieovereenkomsten), nr. 2014/24/EU (Plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren) en nr. 2014/25/EU (Plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren) in het nationaal recht. De wetgever heeft er in deze faze van het omzettingsproces voor gekozen om de bestaande rechtsbeschermingsregeling te behouden en de implementatie door te voeren via een wetswijziging.

De Wet van 16 februari 2017 heeft de Rechtsbeschermingswet op verschillende punten gewijzigd. Naast de zuiver vormelijke en terminologische aanpassingen die noodzakelijk zijn om de huidige regeling in overeenstemming te brengen met de nieuwe Overheidsopdrachtenwet en de Concessieovereenkomstenwet ingevolge de omzetting van de Europese richtlijnen, bevat de wijzigingswet ook een aantal nieuwigheden. De belangrijkste hiervan worden hierna overlopen.

Toepassingsgebied

Het toepassingsgebied van de Rechtsbeschermingswet wordt voortaan uitgebreid tot de concessies voor diensten. De Rechtsbeschermingswet was in het verleden enkel van toepassing op de concessies voor openbare werken.

De wet behoudt zoals voordien een onderscheiden regime voor opdrachten met een geraamde waarde boven de Europese drempelbedragen en opdrachten waarvan de waarde beneden dit drempelbedrag valt. Nieuw is wel dat de meeste verplichtingen voor Europese opdrachten ook zullen gelden voor opdrachten waarvan de raming initieel lager was dan de Europese drempel maar waarvan het uiteindelijk goed te keuren bedrag 20 % boven de Europese drempels uitkomt.

Informatieplicht

De Wet van 16 februari 2017 heeft met het oog op de omzetting van de Europese richtlijnen een bepaling ingevoerd  die nieuwe verplichtingen inzake informatieverstrekking oplegt aan aanbestedende instanties die opteren voor het gebruik van een plaatsingsprocedure met onderhandelingen of een dialoog. Krachtens deze bepaling moeten de aanbestedende instanties,  op verzoek van de inschrijvers die een regelmatige offerte hebben ingediend of van de deelnemers die een oplossing hebben voorgesteld in het kader van een concurrentiedialoog, informatie verstrekken over het verloop en de voortgang van de onderhandelingen of de dialoog met de andere inschrijvers of deelnemers.

De nieuwe informatieplicht is zowel van toepassing op opdrachten geplaatst in de klassieke sectoren als in de speciale sectoren. Zij geldt daarentegen niet voor concessies waarvoor niet in een dergelijke verplichting is voorzien.

De invoering van deze nieuwe verplichting moet zorgen voor meer transparantie bij een plaatsingsprocedure met onderhandelingen of dialoog, temeer daar het gebruik van deze procedures wordt aangemoedigd door de nieuwe richtlijnen.

Mededelingsregels voor gemotiveerde beslissingen

De modaliteiten voor de mededeling van gemotiveerde beslissingen worden door de Wet van 16 februari 2017 geüniformiseerd voor Europese en niet-Europese opdrachten. De mededelingen moeten  gebeuren via  fax, een e-mail of een elektronisch platform (bv. e-procurement). Bovendien moet dezelfde dag een aangetekende zending plaatsvinden om de verzendingsdatum met zekerheid te kunnen bepalen.

De  mededeling  moet ook de rechtsmiddelen tegen de gemotiveerde beslissingen vermelden, alsook de termijnen ervan en de bevoegde instanties. Deze verplichting geldt voor alle aanbestedende instanties, ongeacht of zij al dan niet administratieve overheden zijn, terwijl voordien alleen de administratieve overheden aan een dergelijke verplichting onderworpen waren.

Als de mededeling deze gegevens niet bevat, wordt de termijn om een vordering tot nietigverklaring in te stellen verlengd met 4 maanden. Deze sanctie geldt echter enkel voor de vordering tot nietigverklaring en niet voor de vorderingen tot schorsing, schadevergoeding, onverbindendverklaring, ….

Wachttermijn en verhaaltermijnen

De berekening van de wachttermijn en de verhaaltermijnen worden verduidelijkt. De wachttermijn en de verhaaltermijnen zijn beiden vastgesteld op 15 dagen. Onder de huidige wet begint de  wachttermijn te lopen ‘de dag nadat de gemotiveerde beslissing (…) is verzonden’ of op ‘de dag na de laatste verzending’. Verordening nr. 1182/71, die toepasselijk is op de berekening van de in de Rechtsbeschermingswet bepaalde termijnen, bepaalt dat de termijn van 15 dagen ingaat de dag na de aanvangsdatum  van de termijn of de dag na de rechtshandeling. Het verschil in formulering van de aanvangsdatum van de wachttermijn kan echter aanleiding geven tot verwarring en de indruk wekken dat krachtens Verordening nr. 1182/71 de wachttermijn zou ingaan twee dagen na de mededeling. Omwille van de rechtszekerheid geldt voor de aanvangsdatum van de wachttermijn en voor die van de verhaaltermijnen voortaan een identieke formulering door te verwijzen naar de (laatste) mededeling van de gemotiveerde beslissing.

Toekenning van een schadevergoeding

Tot slot zijn er in de Wet van 16 februari 2017 ook nog in een aantal aanpassingen opgenomen die betrekking hebben op de regels inzake de toekenning van een schadevergoeding.

Sinds de hervorming van de Raad van State in 2014 kan elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte vordert aan de Raad van State vragen haar een schadevergoeding tot herstel toe te kennen. Deze schadevergoeding wordt toegekend indien de verzoekende of tussenkomende partij een nadeel heeft geleden wegens de onwettigheid van de akte. Aangezien de benadeelde inschrijvers ingevolge deze eerdere hervorming voortaan de keuze hebben om een schadevergoeding voor de gewone rechter of een schadevergoeding tot herstel voor de Raad van State te vorderen wordt deze mogelijkheid nu ook voorzien in de  Rechtsbeschermingswet, wanneer de aanbestedende instantie een administratieve overheid is als bedoeld in de gecoördineerde wetten  op de Raad van State.  Deze beide verhaalprocedures zijn echter niet cumuleerbaar.

De Rechtsbeschermingswet voorziet voortaan ook in de mogelijkheid om aan de inschrijver die tijdens de aanbestedingsprocedure de laagste regelmatige offerte heeft ingediend een forfaitaire schadevergoeding toe te kennen van 10 procent van het bedrag van zijn offerte indien de opdracht niet aan hem werd gegund. Deze verplichting bestond vroeger reeds in de Wet van15 juni 2006 maar de wetgever heeft er bij de opmaak van de nieuwe Overheidsopdrachtenwet van  17 juni 2016 voor gekozen om dit vraagstuk te regelen in de Rechtsbeschermingswet. Deze bepaling heeft enkel betrekking op overheidsopdrachten waar de prijs het enige gunningscriterium is en is niet van toepassing op concessies.

Inwerkingtreding

De datum van inwerkingtreding van deze wet zal bij koninklijk besluit worden vastgelegd. Het is nu wachten op de definitieve koninklijke besluiten die uitvoering geven aan de nieuwe Overheidsopdrachtenwet, alvorens de nieuwe regelgeving in werking kan treden. De definitieve datum van inwerkingtreding is op dit ogenblik nog niet gekend. Wel wordt verwacht dat dit midden 2017 zal zijn.

Link: Wet van 16 februari 2017 tot wijziging van de Wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten

Team

Related news

20.06.2018 NL law
Op weg naar één Europese spoorwegruimte: de aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan het Europese recht

Articles - Het zogenaamde 'Vierde Spoorwegpakket' zal belangrijke gevolgen hebben voor de Europese spoorwegruimte. De Nederlandse regering maakt goede vaart met de aanpassing van het nationale recht aan de eisen die uit het Vierde Spoorwegpakket voortvloeien. Inmiddels is een daartoe strekkend wetsvoorstel aanhangig bij de Tweede Kamer. De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft eind vorige maand het verslag van haar bevindingen ten aanzien van het wetsvoorstel uitgebracht.

Read more

20.06.2018 BE law
Boskaart en betonstop: wat brengt de zomer?

Articles - Op een zucht van het zomerreces heeft de Vlaamse Minister van Omgeving toch nog een aantal stevige dossiers op haar bureau. Behalve de felbesproken boskaart en het aan de betonstop gelinkte instrumentendecreet, is het ook uitkijken naar een reactie op een aantal uitspraken van het Hof van Justitie over de milieueffectenbeoordeling van plannen en programma's. Een stand van zaken.

Read more

20.06.2018 NL law
Naar een volwaardig recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces onder het EVRM?

Articles - Het recht op een toegang tot de rechter en een eerlijk proces van artikel 6 EVRM is één van de hoekstenen van dit verdrag. Naast strafzaken en zaken over bestuurlijke boetes vallen de meeste andere geschillen onder het toepassingsbereik van deze bepaling. Dit omdat er volgens de autonome Straatsburgse uitleg al snel sprake is van een geschil over de vaststelling van ‘civil rights and obligations’ als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Read more

13.06.2018 NL law
B&W zijn niet bevoegd om een ontwerp verklaring van geen bedenkingen op te stellen in het kader van een projectomgevingsvergunning

Articles - De gemeenteraad is bevoegd tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) in het kader van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 aanhef sub a en onder 3 Wabo (de projectomgevingsvergunning). Hoewel de bevoegdheid tot verlening van een dergelijke vergunning berust bij het college van burgemeester en wethouders, is het college niet bevoegd een ontwerpbesluit voor de vvgb voor te bereiden en ter inzage te leggen. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 mei 2018.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring