Short Reads

Vereiste evidentie voor onverbindendheid bestemmingsplanregel na exceptieve toetsing ontbreekt als provinciale verordening onduidelijk is

Vereiste evidentie voor onverbindendheid bestemmingsplanregel na exce

Vereiste evidentie voor onverbindendheid bestemmingsplanregel na exceptieve toetsing ontbreekt als provinciale verordening onduidelijk is

19.08.2016 NL law

Een bestemmingsplanregel kan getoetst worden aan hogere regelgeving in een procedure gericht tegen de verlening van een omgevingsvergunning. De bestemmingsplanregel mag daarbij na exceptieve toetsing echter alleen onverbindend worden verklaard of buiten toepassing worden gelaten indien evident sprake is van strijd met een hogere regeling. In een uitspraak van 17 augustus 2016 oordeelde de Afdeling dat een dergelijke evidentie zich niet voordoet indien de hogere regeling onduidelijk is.

Achtergrond

Het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk heeft bij besluit van 14 februari 2014 een omgevingsvergunning verleend aan Lidl Nederland GmbH voor het bouwen van een supermarkt aan de Ampèrestraat 5 te Nijkerk (het perceel). Het bezwaar dat een concurrerende vastgoedeigenaar en supermarkt hadden ingesteld heeft het college ongegrond verklaard. De bouw van de supermarkt zou niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, waardoor een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10 lid 1 Wabo ontbreekt.

In hoger beroep stellen appellanten dat niet aan het geldende bestemmingsplan mocht worden getoetst, omdat het bestemmingsplan voor zover het een supermarkt op het perceel toestaat, onverbindend is wegens strijd met de Ruimtelijke Verordening Gelderland (“RVG”). Op grond van de RVG is op een perifere detailhandelslocatie, zoals het gebied waar het perceel ligt, geen supermarkt toegestaan. Appellanten achten hierbij van belang dat zij erop mochten vertrouwen dat de planwetgever niet afwijkt van regels van dwingend recht die door een hogere wetgever zijn vastgesteld.

Toetsing aan de provinciale verordening

Vaste jurisprudentie van de Afdeling is dat de toets van een  bestemmingsplanregeling in een procedure om een omgevingsvergunning, niet zover gaat dat dezelfde toetsingsmaatstaf geldt als de maatstaf die gehanteerd wordt in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan. Indien in de eerstbedoelde procedure wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling (zoals bijv. een provinciale verordening), dan dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor een dergelijke evidentie is blijkens de uitspraak van 25 maart 2015, onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.

Geldende regelgeving

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerreinen I” rust op het perceel de bestemming “Gemengd 2”. Het perceel is daarmee onder meer bestemd voor detailhandel.

In de RVG is bepaald dat in een bestemmingsplan vestiging van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen op perifere locaties niet wordt toegestaan. Een perifere locatie wordt daarbij gedefinieerd als een detailhandelslocatie buiten de bestaande dan wel bestemde winkelgebieden.

Oordeel Afdeling

De Afdeling stelt vast dat het verbod op vestiging van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen op perifere locaties uit de RVG voldoende concreet is om de bestemmingsregeling daaraan exceptief te toetsen. Of het perceel op grond van de RVG gelegen is op een perifere locatie, acht de Afdeling echter niet duidelijk. De Afdeling merkt op dat uit de stukken in het dossier en de ter zitting overgelegde stukken blijkt dat ten tijde van de inwerkingtreding van de betreffende RVG in het gebied waar het perceel ligt diverse winkels waren gevestigd, waaronder winkels waar serviesgoed en kleding werden verkocht. Appellanten hebben in dit kader aangevoerd dat hoewel deze winkels er zijn, het perceel niet in bestaand of bestemd winkelgebied ligt omdat dit vooral winkels betreft in volumineuze goederen of illegaal aanwezige winkels.

De Afdeling overweegt echter : “In de RVG 2011 noch in de toelichting daarop is nader omschreven wat onder een bestaand winkelgebied moet worden begrepen. Hierdoor biedt de verordening niet zonder meer duidelijkheid over de vraag welk type winkels in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of een perceel in een bestaand winkelgebied ligt. Hierdoor is evenmin evident dat de planregeling, voor zover deze aan het perceel de bestemming “Gemengd-2″ toekent, in strijd is met de RVG 2011.” Het college heeft volgens de Afdeling dan ook terecht de gevraagde omgevingsvergunning verleend, aangezien geen sprake is van weigeringsgronden in de zin van artikel 2.10 lid 1 Wabo.

Observaties

Onduidelijkheid over de uitleg van een bepaling in een hogere regeling (zoals een provinciale verordening) kan een vergunninghouder dus baten in geval van exceptieve toetsing van het bestemmingsplan in een procedure met betrekking tot een omgevingsvergunning. Dit ligt ook voor de hand omdat de indringendheid van de exceptieve toets beperkter is dan de toets die wordt uitgevoerd in het geval het (besluit tot vaststelling van het) bestemmingsplan zelf onderwerp van geschil is. In dit laatste geval zal de Afdeling in de regel zelf invulling geven aan de bepaling in de hogere regeling (zie bijv. een uitspraak van de Afdeling van 11 november 2015). In procedures ter zake van besluiten die verband houden met een reeds onaantastbaar vaststellingsbesluit is dit blijkens deze uitspraak een gepasseerd station.

Gegevens uitspraak

ABRvS 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2235
Zaaknummer 201507141/1/A1

Team

Related news

10.08.2020 NL law
Geelgroen huis in Den Helder in ernstige mate in strijd met de redelijke eisen van welstand

Short Reads - In de gemeentelijke welstandsnota staan criteria waaraan het uiterlijk van bestaande en nieuw te bouwen woningen dienen te voldoen: de redelijke eisen van welstand. Voor bestaande woningen geldt dat zij niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met deze eisen. Welstandsexcessen zijn met andere woorden uitgesloten. In de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 was de vraag aan de orde of een geelgroen geverfde woning in Den Helder terecht als een dergelijk welstandsexces is aangemerkt.

Read more

10.08.2020 NL law
Het NOW register: openbaarmaking van gegevens van ontvangers van de NOW-subsidie

Short Reads - Het UWV heeft op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een register gepubliceerd met informatie over werkgevers die de NOW-1 subsidie hebben ontvangen. De publicatie van dit register komt niet geheel als een verrassing. De NOW-1 bevat immers een bijzondere bepaling over openbaarmaking van de desbetreffende gegevens.

Read more

05.08.2020 NL law
ACM is verplicht om het besluit waarin zij afziet tot oplegging van een boete te publiceren

Short Reads - De Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Instellingswet ACM) verplicht de ACM om een besluit waarbij een ernstige overtreding (zoals overtreding van het kartelverbod) is geconstateerd, maar waarbij is afgezien van het opleggen van een boete toch openbaar te maken. Een dergelijk besluit beschouwt het CBb als een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie in de zin van artikel 12v van de Instellingswet ACM. Dat oordeelt het CBb in haar uitspraak van 18 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:92).

Read more

27.07.2020 NL law
Maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

Short Reads - Kent u een termijn die de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep bepaalt en niet in de wet is te vinden? Je zou hopen dat zo’n termijn niet bestaat. Ontvankelijkheid bepaalt immers de toegang tot de rechter en die toegang moet niet belemmerd worden door onbekende of slecht kenbare fatale termijnen. Toch kent ons recht zo’n termijn en die termijn is bovendien zeer kort. Ik doel op de twee weken die een belanghebbende wordt gegund om alsnog bezwaar te maken, nadat hij op de hoogte is geraakt van het bestaan van een besluit waarvan de bezwaartermijn al is verstreken.

Read more