Short Reads

De Omgevingswet: de gemeente beslist, maar provincie en rijk sturen

De Omgevingswet: de gemeente beslist, maar provincie en rijk sturen

De Omgevingswet: de gemeente beslist, maar provincie en rijk sturen

10.11.2014 NL law

De Omgevingswet gaat, zoals nu al gebruikelijk is in het omgevingsrecht, uit van het principe ‘decentraal, tenzij’. Dat betekent dat bevoegdheden zo veel mogelijk bij gemeenten worden neergelegd. Zo zullen burgemeester en wethouders (in beginsel) bevoegd zijn om een omgevingsvergunning te verlenen. Een belangrijk uitgangspunt van de wetgever bij het ontwerpen van de Omgevingswet is vertrouwen: vertrouwen in initiatiefnemers, in de overheid, maar ook tussen overheden. Dat betekent dat bevoegdheden zo veel mogelijk bij gemeenten worden neergelegd. 

Het principe ‘decentraal, tenzij’.

Zo zullen burgemeester en wethouders (in beginsel) bevoegd zijn om een omgevingsvergunning te verlenen. Een belangrijk uitgangspunt van de wetgever bij het ontwerpen van de Omgevingswet is vertrouwen: vertrouwen in initiatiefnemers, in de overheid, maar ook tussen overheden. De Omgevingswet bevat om deze reden de algemene bepaling dat een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening moet houden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen (artikel 2.2). Toch bevat de Omgevingswet een aantal sturingsinstrumenten voor het Rijk en de provincie. Op deze instrumenten zal hierna worden ingegaan.

De bestuursovereenkomst als ‘meta-instrument’

In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet wordt gewezen op de rol van bestuursovereenkomsten (vaak convenanten genoemd) als alternatief instrument voor beleidsdoorwerking Dergelijke overeenkomsten zijn, volgens de wetgever, voor bestuursorganen en bestuurders een nuttig instrument om, voorafgaand aan de vaststelling of de toepassing van de instrumenten uit het wetsvoorstel, het te voeren beleid, de inhoud of toepassing van de wettelijke instrumenten of de uitoefening van taken onderling af te stemmen. De bestuursovereenkomst zou kunnen worden gebruikt als afstemmingsinstrument, maar zelfs als alternatief voor een instructieregel, waarop hierna nog zal worden ingegaan, omdat een bestuursovereenkomst uitgaat van wederzijdse instemming en vormvrij en daardoor flexibel is.

Advies en instemming

In sommige gevallen is het wenselijk dat bij besluitvorming andere bestuursorganen worden betrokken. Dat is het geval als bestuursorganen een specifieke taak of deskundigheid hebben. In dat geval is de hoofdregel dat dit bestuursorgaan een adviesbevoegdheid krijgt (artikel 16.14), maar in sommige gevallen kan instemming van het betrokken orgaan zijn vereist (artikel 16.15).

Een advies van een ander bestuursorgaan zal wegens zijn specifieke verantwoordelijkheid en deskundigheid zwaarwegend zijn voor de besluitvorming van het bevoegd gezag, maar gemotiveerde afwijking is mogelijk. Het bevoegd gezag is immers (eind)verantwoordelijk voor de inhoud van één integrale vergunning en de consistentie van de voorschriften die daaraan verbonden worden.

Het advies met instemming is voorzien voor de situaties waar een zwaardere betrokkenheid van andere bestuursorganen wenselijk is. Het advies met instemming komt in de plaats van de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de huidige Wabo. Wanneer een advies met instemming vereist is, zal bij AMvB worden bepaald. Als voorbeelden worden in de memorie van toelichting genoemd: een aanvraag om een Natura 2000-activiteit of een rijksmonumentenactiviteit voor archeologische rijkmonumenten. De vvgb-bevoegdheid van de gemeenteraad bij de omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit uit de Wabo wordt niet omgezet in een instemmingsbevoegdheid voor de gemeenteraad, maar slechts in een adviesbevoegdheid. Op de instemming is de goedkeuringsregeling van afdeling 10.2.1 Awb van toepassing. Van een advies met instemming kan niet worden afgeweken. Dat betekent dat een geweigerde instemming er toe leidt dat de desbetreffende omgevingsvergunning moet worden geweigerd. In tegenstelling tot de reguliere adviesbevoegdheid, biedt de Omgevingswet de mogelijkheid om bestuursorganen die moeten instemmen met een vergunning ook toezichthoudende en handhavende bevoegdheden toe te delen voor de onderdelen waarmee zij hebben ingestemd.

Instructieregels en instructies

Instructieregels en instructies zijn instrumenten waarmee een bestuursorgaan een lager bestuursorgaan kan instrueren hoe het zijn taken of bevoegdheden moet uitvoeren.

Instructieregels kunnen bij provinciale omgevingsverordening en bij AMvB worden vastgesteld en zijn bindend zijn voor andere (lagere) bestuursorganen. De figuur van de instructieregel lijkt op de regels die nu zijn opgenomen in de provinciale verordening ruimte en in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Een instructie is vergelijkbaar met de figuur van de proactieve aanwijzing zoals we die nu kennen in de wet ruimtelijke ordening (Wro).

Het verschil tussen een instructieregel en een instructie is dat een instructie voor een concrete situatie is, terwijl de instructieregel voor herhaalde uitvoering door meerdere bestuursorganen is bedoeld.

Meer over deze instrumenten is hier te lezen.

Interventiebevoegdheid provincie: de nieuwe reactieve aanwijzing

Op grond van de Wro kunnen gedeputeerde staten nu een reactieve aanwijzing geven. De wetgever acht het wenselijk dat deze bevoegdheid blijft bestaan bij de totstandkoming van een omgevingsplan (artikel 16.20). Zo wordt de provincies bij de uitoefening van deze zelfstandige taak voldoende doorzettingsmacht en slagkracht geboden. De interventiemogelijkheid houdt in dat gedeputeerde staten na de bekendmaking van het omgevingsplan kunnen bepalen dat een onderdeel van het omgevingsplan geen deel uit blijft maken van het omgevingsplan. Voor de inzet van de interventiebevoegdheid is als voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van strijd met een provinciaal belang en dat gedeputeerde staten een zienswijze hebben ingediend over het ontwerp van het omgevingsplan.

Naast deze specifieke provinciale interventiebevoegdheid, blijft de bevoegdheid voor gedeputeerde staten bestaan om beroep in te stellen tegen het omgevingsplan.

Interbestuurlijk toezicht

Het generieke interbestuurlijke toezichtsinstrumentarium is te vinden in de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet of de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (Wet NErpe). Voor het toezicht door de provincies op de taakuitoefening in medebewind door de gemeenten voorziet de Gemeentewet in twee bevoegdheden:

(1)               indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, en

(2)               schorsing en vernietiging.

In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet wordt ingegaan op de vraag wanneer een provincie gebruik moet maken van zijn bevoegdheden op grond van de Omgevingswet en wanneer op grond van de Gemeentewet.

De instructie is het geschikte instrument voor proactieve beïnvloeding van besluitvorming of het handelen van een ander bestuursorgaan. De instructie is niet bedoeld als instrument voor interbestuurlijk toezicht. De wetgever is duidelijk: als gebruik kan worden gemaakt van het generieke interbestuurlijke toezichtinstrumentarium, is het gebruik van de instructiebevoegdheid niet aan de orde.

Voor een vastgesteld omgevingsplan geldt dat als er sprake is van strijd met regels die niet door het provinciebestuur zijn gesteld (bijvoorbeeld in een AMvB), gedeputeerde staten de betrokken Minister moeten mededelen dat het omgevingsplan naar hun oordeel voor (gedeeltelijke) vernietiging in aanmerking komt. Als sprake is van strijd met een provinciaal belang dan is vernietiging alleen mogelijk als de provincie redelijkerwijze niet van haar specifieke interventiebevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, bijvoorbeeld omdat het voor een voldongen feit is geplaatst.

Voor omgevingsvergunningen voor afwijkactiviteiten geldt dat, als gedeputeerde staten geen instemming hebben verleend, de vergunning niet verleend kan worden en vernietiging niet aan de orde is. Het is denkbaar dat er geen strijd is met een provinciaal belang , waardoor de instemming niet kon worden geweigerd, maar dat er wel op een andere manier sprake is van strijd met het recht of een nationaal belang. In dat geval kunnen gedeputeerde staten vanuit hun interbestuurlijke toezichtstaak de Minister mededelen dat het besluit in aanmerking komt voor vernietiging.

Tot slot

Uit het voorgaande volgt dat in de Omgevingswet belangrijke sturingsinstrumenten voor het Rijk en provincie zoals deze nu reeds bestaan, zoals de proactieve en reactieve aanwijzing en de verklaring van geen bedenkingen, grotendeels gehandhaafd worden, maar onder een andere naam. Daarnaast wordt de rol van het IBT-instrumentarium (indeplaatsstelling en schorsing en vernietiging) vergroot. Hoewel er dus weinig fundamenteels verandert, worden de regelingen op een aantal punten licht gewijzigd. Het verdient dan ook aanbeveling – met name voor ambtenaren werkzaam bij provincies –om te zijner tijd, voor de inwerkingtreding van de wet in 2018, goed kennis te nemen van de gewijzigde regeling.

Dit is een blog in een serie over de Omgevingswet. Tot het einde van het jaar kunt u meer blogs over de Omgevingswet lezen op www.stibbeblog.nl. Een overzicht van alle blogberichten kunt u ook vinden op www.pgomgevingswet.nl (onder documenten).

Het bericht ‘De Omgevingswet: de gemeente beslist, maar provincie en rijk sturen‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.

 

Related news

08.07.2020 NL law
COVID-19 update and Guidelines published on the Dutch implementation of DAC6

Short Reads - The EU Mandatory Disclosure Directive (“DAC6”), introducing a reporting requirement for intermediaries and/or taxpayers of certain cross-border arrangements that are perceived to be aggressive, is effective as of 1 July in the Netherlands. By his letter of 26 June 2020, the Dutch State Secretary of Finance granted deferral of the Dutch reporting deadlines until 1 January 2021.

Read more

08.07.2020 NL law
Dutch State breached duty of care in providing information to victims and surviving relatives of plane crash

Short Reads - Earlier this year, the District Court in The Hague ruled that the Dutch State is liable vis-à-vis the victims and surviving relatives of a 1992 plane crash in Faro, Portugal. The State was found liable because it is responsible for the information provided by the Dutch Aviation Safety Board (a government agency) to the victims and surviving relatives. This information, on the causes of the crash was deemed by the court to be incorrect and incomplete.

Read more

07.07.2020 NL law
Wetsvoorstel Wet Homologatie onderhands akkoord aangenomen door de Tweede Kamer

Short Reads - Het Wetsvoorstel Wet Homologatie onderhands akkoord (“WHOA”) is op 26 mei 2020 door de Tweede Kamer aangenomen en is momenteel in behandeling bij de Eerste Kamer. De WHOA combineert aspecten van de Engelse Scheme of Arrangement en de Amerikaanse Chapter 11 procedure. Ondernemingen die in zwaar weer verkeren krijgen de mogelijkheid om hun schulden buiten formele insolventieprocedures te herstructureren door een akkoord op te leggen aan (een deel van) de schuldeisers. De verwachting is dat de wet dit najaar in werking zal treden.

Read more

08.07.2020 NL law
Verwijzing naar parkeerbeleid mag niet zien op vergunningvrije gebruikswijzigingen

Short Reads - Parkeerregelingen in bestemmingsplannen kunnen een verwijzing naar beleidsregels bevatten. De toets of sprake is van voldoende parkeergelegenheid vindt dan plaats aan de hand van die beleidsregels. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de "Afdeling") van 10 juni 2020 maakt duidelijk dat de verwijzing naar beleidsregels geen betrekking mag hebben op vergunningvrije gebruikswijzigingen.

Read more

07.07.2020 NL law
UBO-register gaat van start op 27 september 2020

Short Reads - Vandaag (7 juli 2020) is bekend geworden dat het UBO-register live gaat op 27 september 2020. De Wet tot implementatie van het UBO-register (“Implementatiewet”) en het bijbehorende inwerkingtredingsbesluit zijn vandaag in het Staatsblad verschenen. De wet treedt (deels) al op 8 juli 2020 in werking. Het betreft de verplichting voor rechtspersonen om informatie over hun UBO’s te verzamelen en bij te houden en de verplichting voor stichtingen om uitkeringen van 25 procent of minder bij te houden.

Read more