Short Reads

Bevoegd gezag: uitgangspunten onder de Omgevingswet

Bevoegd gezag: uitgangspunten onder de Omgevingswet

Bevoegd gezag: uitgangspunten onder de Omgevingswet

03.11.2014 NL law

Diverse overheden en bestuursorganen zijn belast met de zorg voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet beoogt het stelsel van overheidszorg voor de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen en te verbeteren, onder meer door de daarmee gepaard gaande besluitvorming zo dicht mogelijk bij de burger te laten plaatsvinden.

Artikel 2.3 Omgevingswet verduidelijkt dat de overheidszorg voor de fysieke leefomgeving in de eerste plaats bij de bestuursorganen van gemeenten rust. Slechts indien het doelmatiger en doeltreffender is om bepaalde aangelegenheden op provinciaal of op rijksniveau te regelen, komen de provincies en het Rijk in beeld. De wetgever noemt dit het ‘decentraal-tenzij-beginsel’.

Het decentraal-tenzij-beginsel komt zowel naar voren op het niveau van de oorsprong van omgevingsrechtelijke normen (1) als op het niveau van de concrete toepassing daarvan (2).

1. Bevoegd gezag: de oorsprong van omgevingsrechtelijke normen

Het Rijk

Als gezegd, is het decentraal-tenzij-beginsel van toepassing op omgevingsrechtelijke normstelling. In beginsel vormt regulering van rijkswege zodoende de uitzondering. Dit komt tot uitdrukking in artikel 4.3 Omgevingswet, dat een limitatieve opsomming geeft van activiteiten die door rijksregels gereguleerd (kunnen) worden.

Als rijksregulering van een bepaalde activiteit eenmaal heeft plaatsgevonden, betekent dit niet dat decentrale overheden hun regelgevende bevoegdheid voor die activiteit hebben verloren. Voor zover activiteiten buiten het toepassingsbereik van de rijksregel vallen, blijven de decentrale overheden bevoegd om zelf algemene regels op te stellen.

Ook mag de rijksoverheid, op grond van artikel 4.3, lid 4, Omgevingswet, niet meer regels stellen dan strikt noodzakelijk is. Om deze reden maakt artikel 4.6, lid 2, Omgevingswet het mogelijk dat rijksregels de decentrale overheden de ruimte laten om nadere invulling te geven aan de nationale normen door middel van zogenaamde maatwerkregels.

De provincies en de gemeenten

Wanneer geen sprake is van rijksregulering, rijst de vraag tot waar de grenzen van de provinciale regelgevende bevoegdheid strekken. Buiten die grenzen zijn de gemeentelijke bestuursorganen steeds bevoegd. Het toepassingsbereik van de bevoegdheid van decentrale overheden om algemene regels te stellen is overigens zeer ruim blijkens artikel 4.1, lid 1, Omgevingswet: alle activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving kunnen gereguleerd worden. Er worden wel grenzen aan de provinciale bevoegdheden gesteld: op grond van artikel 2.3, lid 2, Omgevingswet geldt als regel dat provinciale bestuursorganen bevoegd zijn regels te stellen (i) als provinciale belangen in het geding zijn en deze belangen niet op doelmatige en doeltreffende wijze op gemeentelijk niveau behartigd kunnen worden en (ii) als – kort gezegd – internationaal rechtelijke verplichtingen daar aanleiding toe geven. Buiten deze grenzen zijn, als gezegd, de gemeentelijke bestuursorganen bij uitsluiting bevoegd om algemene regels te stellen.

Ter afsluiting van deze deelparagraaf wijzen wij nog op de artikelen 2.16 t/m 2.19 Omgevingswet. In deze artikelen wordt stapsgewijs uiteengezet welke taken met betrekking tot de fysieke leefomgeving (in ieder geval) worden toebedeeld aan de respectieve bestuurslagen die bevoegdheden kunnen verkrijgen onder de Omgevingswet. De bedoelde artikelen zullen aanknopingspunt bieden bij de invulling van het decentraal-tenzij-beginsel dat ten grondslag ligt aan de systematiek van de Omgevingswet.

2. Bevoegd gezag: de concrete toepassing van omgevingsrechtelijke normen

Voor de dagelijkse praktijk vormt de meest relevante vraag tot wie men zich onder de Omgevingswet zal moeten wenden om toestemming te verkrijgen voor het verrichten van een activiteit met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Met andere woorden: wie vormt het bevoegd gezag waar men onder het nieuwe wettelijke stelsel een omgevingsvergunning kan verkrijgen?

De Omgevingswet biedt een duidelijk antwoord op deze vraag: indien sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op één vergunningplichtige activiteit, is bevoegd het college van burgemeester en wethouders, tenzij, op grond van een algemene maatregel van bestuur (‘AMvB’), een ander bestuursorgaan bevoegd is. De mogelijkheid om een ander bevoegd gezag aan te wijzen wordt beperkt tot de in artikelen 5.9 t/m 5.11 Omgevingswet genoemde gevallen. Zo kan het college van gedeputeerde staten worden aangewezen als bevoegd gezag voor vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten met betrekking tot – bijvoorbeeld – ontgrondingsactiviteiten buiten de rijkswateren, Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Echter, zijn de twee laatstgenoemde activiteiten van ‘nationaal belang’, dan kan het Rijk worden aangewezen als bevoegd gezag. Ook activiteiten in de territoriale zee of de exclusieve economische zone kunnen bij AMvB onder de beslissingsbevoegdheid van het Rijk gebracht worden. In het algemeen kan gesteld worden dat de limitatieve lijst van uitzonderingen van artikelen 5.9 t/m 5.11 Omgevingswet in hoofdlijnen aansluit bij de bevoegdheidsverdeling onder het huidige wettelijke regime. Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning ziet op meer dan één vergunningplichtige activiteit, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om op de gehele aanvraag te beslissen mits het college bevoegd is op de aanvraag te beslissen voor ten minste één van die activiteiten. Van dit uitgangspunt kan alleen bij AMvB worden afgeweken. Is het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd om op welk gedeelte van de aanvraag dan ook te beslissen, wordt op gehele de aanvraag beslist door het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op alle afzonderlijke delen. Indien verschillende bestuursorganen bevoegd zijn te beslissen op verschillende gedeelten van de aanvraag, wordt het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de gehele aanvraag bij AMvB aangewezen.

Tot besluit zij er hier op gewezen dat artikel 18.2, lid 2, Omgevingswet een koppeling aanbrengt tussen de bevoegdheid tot het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning en bestuursrechtelijke handhaving van de vergunningvoorschriften: het bestuursorgaan dat bevoegd is de omgevingsvergunning te verlenen, is belast met de handhaving van de door hem verleende vergunning.

3. Slotopmerking

Zoals in de inleiding reeds is benadrukt, vormt een belangrijke grondslag van de Omgevingswet de wens om het omgevingsrecht te vereenvoudigen voor burgers, bedrijven en overheden. In dit licht is het voor de praktijk van bijzonder belang dat er duidelijkheid wordt geschept omtrent het vraagstuk van het bevoegd gezag en dat discussies daarover zo veel als mogelijk worden vermeden. Met dit uitgangspunt in het achterhoofd zouden de AMvB’s die de bevoegdheidsverdeling in het omgevingsrecht regelen, moeten worden opgesteld. Dit uitgangspunt kan er – bijvoorbeeld – toe leiden dat niet zo zeer de omvang van een bepaalde inrichting, maar de soort van de inrichting doorslaggevend zal zijn voor het antwoord op de vraag welk gezag bevoegd is om te beslissen over zaken die een inrichting aangaan.

Dit is een blog in een serie over de Omgevingswet. Tot het einde van het jaar kunt u meer blogs over de Omgevingswet lezen op www.stibbeblog.nl. Een overzicht van alle blogberichten kunt u ook vinden op www.pgomgevingswet.nl (onder documenten).

Het bericht ‘Bevoegd gezag: uitgangspunten onder de Omgevingswet‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.

 

Team

Related news

29.06.2020 NL law
ABC-constructie bij vastgoedtransactie: verkoopbedrijf heeft afgeleid belang en is niet ontvankelijk bij bestuursrechter

Short Reads - Het zijn van ‘belanghebbende’ is een noodzakelijke voorwaarde om een ontvankelijk beroep te kunnen instellen bij de bestuursrechter (artikel 1:2 lid 1 Awb). Een persoon moet een zelfstandig en eigen belang hebben dat niet is afgeleid van een ander om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Dit is het leerstuk van afgeleid belang.

Read more

02.07.2020 NL law
De NOW 2: de overeenkomsten en verschillen ten opzichte van de eerste tranche

Short Reads - De Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (“NOW 2”) is op 25 juni 2020 in de Staatscourant gepubliceerd. Vanaf 6 juli 2020 kunnen werkgevers een aanvraag indienen voor een NOW 2-subsidie. In ons eerdere blog over de NOW zijn we uitgebreid ingegaan op de subsidierechtelijke aspecten van deze regeling. De NOW 2 sluit vanuit subsidierechtelijk perspectief in hoofdlijnen aan bij de eerste NOW (“NOW 1”). In de NOW 2 zijn er echter een aantal subsidieverplichtingen toegevoegd.

Read more

23.06.2020 NL law
Overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over artikel 8:29 Awb: verzoek tot geheimhouding van stukken bij de bestuursrechter

Short Reads - De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een overzichtsuitspraak van 10 juni 2020 de jurisprudentie over artikel 8:29 Awb op een rij gezet. Deze belangrijke uitspraak geeft duidelijke handvatten voor de rechtspraktijk met betrekking tot de vraag wanneer een procespartij onder geheimhouding stukken aan de bestuursrechter mag toezenden, zodat andere partij(en) er geen kennis van kunnen nemen.

Read more

23.06.2020 NL law
Wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering: structurele aanpak voor de stikstofproblematiek?

Short Reads - Van 27 mei 2020 tot en met 10 juni 2020 heeft het conceptvoorstel voor de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in internetconsultatie voorgelegen. In dit conceptwetsvoorstel heeft het kabinet zijn nieuwe structurele aanpak van de stikstofproblematiek verankerd. Anders dan het Programma Aanpak Stikstof (PAS) voorziet het conceptwetsvoorstel niet in een systeem voor de toekenning van ontwikkelingsruimte voor vergunningverlening, maar in een systeem waarbij condities en herstel van de natuur in Natura 2000-gebieden voorop staan.

Read more