Articles

Administrative Law & Real Estate

Administrative Law & Real Estate

01.01.2012 NL law

1.  De nieuwe Aanbestedingsrichtlijnen 
 
De Europese Commissie heeft op 20 december 2011 twee voorstellen gepubliceerd ter vervanging van de Europese aanbestedingsrichtlijnen 2004/18/EG (de "Algemene Richtlijn") en 2004/17/EG (de "Richtlijn Nutssectoren"), alsmede een voorstel voor een concessierichtlijn. Kort daarna zijn de voorstellen door het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie in behandeling genomen.

Het is niet met zekerheid te zeggen hoe lang het Europese wetgevingstraject zal duren, maar ervaring uit het verleden leert dat dit vele jaren in beslag kan nemen. Ter illustratie: de besprekingen over de Algemene Richtlijn en de Richtlijn Nutssectoren hebben vier jaar geduurd. Indien de voorstellen, al dan niet in gewijzigde vorm, worden aangenomen, zullen de lidstaten nog zo'n anderhalf tot twee jaar de tijd krijgen om de nieuwe richtlijnen in eigen regelgeving te implementeren.

Onderwerpen die in de voorstellen van de Europese Commissie aan de orde komen, zijn bijvoorbeeld de toegankelijkheid van de markt voor het midden- en kleinbedrijf, het verval van het onderscheid tussen zogenaamde A- en B-diensten, de mogelijkheid voor overheidsinstanties om invulling te geven aan taken van algemeen belang zonder dat daarvoor een aanbestedingsplicht geldt, de mogelijkheid om aanbestedingsplichtige opdrachten gedurende de looptijd van de overeenkomst te wijzigen en het toetsen van de geschiktheid van een dienstverlener in het kader van de gunning en belangenverstrengeling.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de inhoud van de voorstellen van de Europese Commissie zij verwezen naar de eerstvolgende twee afleveringen van het Tijdschrift voor Bouwrecht. Hierin zal een artikel van de sectie bouw- en aanbestedingsrecht van Stibbe over de voorstellen worden gepubliceerd. Het artikel bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de vervanging van de Algemene Richtlijn en het tweede deel gaat over het voorstel ter vervanging van de Richtlijn Nutssectoren en het voorstel voor een Concessierichtlijn.

Ten slotte is in het licht van de voorstellen van de Europese Commissie ook interessant dat de Nederlandse wetgever al enige tijd bezig is om te komen tot een Nederlandse Aanbestedingswet ter implementatie van de Europese aanbestedingsrichtlijnen die op dit moment gelden. Het wetsvoorstel voor de Nederlandse Aanbestedingswet is op 14 februari 2012 aangenomen door de Tweede Kamer en op diezelfde dag aangeboden aan de Eerste Kamer. De tekst van het gewijzigde voorstel van wet zoals deze aan de Eerste Kamer is aangeboden is hier te lezen. De op handen zijnde wijziging van de Europese aanbestedingsrichtlijnen is nog niet in het wetsvoorstel opgenomen. Dit gebeurt op een later tijdstip via een wijziging van de Aanbestedingswet. 
 
2.  UAV 2012 
 
De "Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken" (UAV) zijn de meest gebruikte algemene voorwaarden in de Nederlandse bouw. Op 30 januari 2012 is de UAV 2012 in de Staatscourant gepubliceerd. Met de UAV 2012 is de UAV 1989 geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in wet- en regelgeving en ontwikkelingen in de jurisprudentie sinds 1989. 
 
3.  Uitspraak Windmolenpark Noordoostpolder 
 
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 8 februari 2012 het rijksinpassingsplan 'Windenergie langs de dijken van de Noordoostpolder' in stand gelaten. Tegelijk met het rijksinpassingsplan lagen de milieuvergunningen, de bouwvergunningen, de aanlegvergunningen, de Wbr-vergunningen en de vergunningen gebaseerd op de Natuurbeschermingswet 1998 ter beoordeling bij de Afdeling voor. Het plan maakt de bouw van 86 windturbines mogelijk die gezamenlijk een vermogen van circa 450 Megawatt genereren. Daarmee kunnen ruim 400.000 huishoudens van elektriciteit worden voorzien.

De Stichting Erfgoed Urk, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeentes Urk en Lemsterland en een groot aantal particulieren en stichtingen hadden beroep ingesteld tegen dit rijksinpassingsplan en de bijbehorende vergunningen. Stibbe heeft de initiatiefnemers van het windturbinepark bijgestaan. De appellanten voeren een groot aantal beroepsgronden aan. Hieronder worden er een paar kort beschreven.

Een deel van de beroepsgronden heeft betrekking op het milieueffectrapport (MER). De appellanten stellen dat nut en noodzaak van het windpark niet zijn aangetoond en dat de locatiekeuze op onjuiste wijze is gemaakt. De Afdeling acht het onderzoek naar alternatieve locaties voor het windpark in lijn met de Europese SMB-richtlijn en de nationale wetgeving. Bij de selectie van mogelijke locaties mocht worden aangesloten bij de doelstelling van de Koepel, zijnde een grootschalig windpark van 450 MW op land. Verder mocht er belang worden gehecht aan de mogelijkheid van een snelle realisatie op de beoogde locatie en de reeds gemaakte keuze voor deze locatie in verschillende beleidsdocumenten. Ook wordt betoogd dat het geluid van de windturbines de geluidsnormen zal overschrijden. De Afdeling wijst al deze bezwaren van de hand. Ook de stelling van appellanten dat de dijkstabiliteit door het windpark in het geding zou komen, wordt door de Afdeling gepasseerd.

Wel vernietigt de Afdeling de bouwvergunningen, omdat deze zijn verleend voordat het rijksinpassingsplan werd vastgesteld en de grondslag voor de vergunningen daarmee ontbrak. Echter, aangezien er geen gronden zouden zijn geweest om de bouwvergunningen te weigeren indien de bouwvergunningen waren verleend ná de vaststelling van het rijksinpassingsplan, laat de Afdeling de rechtsgevolgen van de bouwvergunningen in stand. Er kan dus worden gebouwd.

De Afdeling bepaalt voorts dat een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet nog moet worden aangevraagd voor vleermuizen en bepaalde vogelsoorten. De Afdeling geeft daarbij aan dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat op voorhand in redelijkheid had moeten worden ingezien dat een ontheffing niet verleend zou kunnen worden en het windpark daardoor niet gerealiseerd zou kunnen worden. De Afdeling gaat daarbij onder meer in op de verhouding tussen de Flora- en faunawet en de Vogel- en Habitatrichtlijn, in het bijzonder in hoeverre de Flora- en faunawet een 'nationale kop' heeft met betrekking tot het al dan niet opzettelijk doden en vangen van vogels. Wie meer wil weten over deze onderwerpen, kan hier de volledige tekst van de uitspraak van de Afdeling lezen. 
 
4.  Wie kan procederen tegen een Flora- en faunawetontheffing? 
 
Een tijd is het onduidelijk geweest aan welke voorwaarden stichtingen en belangenverenigingen moeten voldoen om tegen de verlening van een Flora- en faunawetontheffing te kunnen procederen. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari jl. (LJN: BV5109) biedt duidelijkheid. De Afdeling oordeelt namelijk dat het niet noodzakelijk is dat de statuten van een stichting vermelden dat zij opkomt voor het behoud van de specifieke planten en dieren, bijvoorbeeld de bittervoorn, steenuil, kerkuil en rugstreeppad. Ook de feitelijke werkzaamheden van de stichting hoeven geen betrekking te hebben op de in de ontheffing genoemde dier- en of plantensoorten.

De uitspraak is opvallend, omdat naar aanleiding van een voorlopige voorziening de voorzitter van de Afdeling op 31 maart 2011 (LJN: BQ0258) nog had geoordeeld dat een stichting om deze reden niet kon worden aangemerkt als belanghebbende en dus niet-ontvankelijk was. 
 
5.  Aanmelding 5e tranche Chw-projecten geopend 
 
Tot 31 maart 2012 kunt u nieuwe projecten aanmelden bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu voor de vijfde tranche van de Crisis- en herstelwet (Chw). Aanmelding is mogelijk voor (i) ontwikkelingsgebieden, (ii) innovatieve experimenten en (ii) lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis. Meer informatie is hier te vinden.

Daarnaast heeft de ministerraad op 13 januari jl. ingestemd met de vierde tranche van de Chw. Hierin worden Waterfront Harderwijk, Centrumplan Eerbeek/Brummen, Spoorzone Tilburg, Oostelijk centrumgebied Arnhem en vliegbasis Soest/Zeist aangewezen als ontwikkelingsgebieden in de Crisis- en herstelwet. Daarnaast mag de gemeente Almere een innovatief experiment gaan uitvoeren. Het gaat om het niet meer handhaven van bepaalde bepalingen uit het Bouwbesluit bij particulier opdrachtgeverschap. Het ontwerp voor de vierde tranche is 20 januari jl. in de Staatscourant gepubliceerd.

Ten slotte is in januari het wetsvoorstel in verband met het 'permanent' maken van de Chw gepubliceerd. De huidige tekst van de Chw bepaalt dat de wet tot 1 januari 2014 geldt. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de geldigheidsduur van de wet voor onbepaalde tijd te verlengen en te bepalen dat de wet vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Alle kamerstukken over dit wetsvoorstel zijn hier te vinden. 
 
6.  Kan bevolkingskrimp gevolgen hebben voor de toetsing van een bestemmingsplan? 
 
Een bestemmingsplan kan economisch niet uitvoerbaar zijn wegens krimp van de bevolking in het gebied. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2011 (LJN: BU9448) waarin de Afdeling oordeelt dat een krimp van de bevolking in een gemeente niet per definitie met zich hoeft te brengen dat in een gemeente geen behoefte aan nieuwe woningen is of kan ontstaan.
Een gemeenteraad moet echter inzichtelijk maken in hoeverre met een krimpende bevolking rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan en in hoeverre onder ogen is gezien of het plan binnen een termijn van tien jaar kan worden uitgevoerd. 
 
7.  Relativiteitsvereiste en de financiële gevolgen van een bestemmingsplan 
 
Op grond van het relativiteitsvereiste (artikel 1.9 van de Chw) dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari jl. (LJN: BV5115) werd betoogd dat een inpassingsplan financieel niet uitvoerbaar zou zijn (omdat het plan in strijd met artikel 6.13 Wro, dat eisen stelt aan de vorm en inhoud van een exploitatieplan, zou zijn). De Afdeling oordeelt dat artikel 6.13 Wro strekt tot bescherming van de belangen van degenen die rechtstreeks met het verhaal van kosten verbonden aan de exploitatie van in het betrokken exploitatieplan opgenomen gronden te maken kunnen krijgen. Artikel 6.13 van de Wro strekt derhalve kennelijk niet tot bescherming van de belangen van anderen. De Afdeling laat het betoog daarom buiten beschouwing.
Ook alle andere beroepsgronden waren gericht tegen de financiële gevolgen van het exploitatieplan en verschillende artikelen uit afdeling 6.4 van de Wro. Deze artikelen strekken om dezelfde redenen eveneens niet tot bescherming van de belangen van appellanten bij de financiële uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. 
 
8.  Onrechtmatige permanente bewoning van recreatiewoningen 
 
Het Wetsvoorstel onrechtmatige bewoning recreatiewoningen is ingetrokken. In plaats daarvan heeft de VNG voorbeeldbeleidsregels gemaakt. Deze voorbeeldbeleidsregels geven voorwaarden waaronder een persoonsgebonden beschikking verleend kan worden aan bewoners van een recreatiewoning. De VNG verzoekt gemeenten dringend om deze beleidsregels vast te stellen.

De beleidsregel maakt het mogelijk dat een bewoner die vóór 1 november 2003 (en sindsdien) een recreatiewoning onrechtmatig bewoont onder voorwaarden een persoonsgebonden omgevingsvergunning kan verkrijgen voor het bewonen van een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast moet ten aanzien van de bewoner voor 1 januari 2010 geen handhavingsbesluit zijn genomen en moet de bewoner deze beleidsregel genoemde bewijsmiddelen van zijn bewoning kunnen overleggen. Deze voorwaarden komen in aanvulling op de in artikel 4, onderdeel 10 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde voorwaarden. Er is dus sprake van een persoonsgebonden (en geen zaaksgebonden) vergunning. 
 
9.  Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) 
 
De Europese Commissie past sinds 31 januari 2012 nieuwe regels voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) toe. Het betreft EU-staatssteunregels voor de beoordeling van overheidscompensatie voor diensten van algemeen economisch belang.

De nieuwe mededeling geeft een toelichting bij basisbegrippen uit het staatssteunrecht die voor DAEB's van belang zijn.

Daarnaast is er een herzien besluit waardoor lidstaten voor bepaalde categorieën DAEB's compensaties niet meer vooraf bij de Europese Commissie hoeven aan te melden.

Ten derde is er een herziene kaderregeling voor het beoordelen van grote compensatiebedragen voor partijen die buiten de sociale dienstverlening actief zijn. Zo bevat deze onder meer een preciezere methodiek om het compensatiebedrag te bepalen.

Ten slotte is een voorstel voor een nieuwe de-minimisverordening  gepubliceerd. Staatssteun die wordt verleend aan DAEB-verrichtende ondernemingen die onder een bepaalde drempel blijft, valt niet onder het staatssteuntoezicht.
 
10.  Staatssteun in bestemmingsplan 
 
In een eerdere nieuwsbrief kwam de vraag aan de orde hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bestemmingsplannen toetst aan de staatssteunregels. De uitspraak van 15 februari 2012 (LJN: BV5119) gaat verder in op de bewijslast van de gemeenteraad.

Het enkele betoog dat een bestemmingsplan in strijd is met staatssteunregels en dat deze staatssteun kan worden teruggevorderd is onvoldoende voor vernietiging van een bestemmingsplan. Ook moet aannemelijk worden gemaakt dat als gevolg van de terugvordering van de staatssteun het bestemmingsplan niet binnen de planperiode (van meestal tien jaar) kan worden gerealiseerd en het plan dus niet uitvoerbaar is. De projectontwikkelaar had ter zitting verklaard dat, zo al sprake zou zijn van onrechtmatige staatssteun en deze terugbetaald zou moeten worden, zij desondanks het plan zou uitvoeren. De Afdeling acht dit echter onvoldoende, omdat het ging om een aanzienlijk bedrag aan ongeoorloofde staatssteun en er geen enkel inzicht in de financiële positie van de projectontwikkelaar was gegeven. Hoewel het dus primair aan de appellant is om aannemelijk te maken dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, kunnen de gemeenteraad en projectontwikkelaar ook niet volstaan met een enkele toezegging. 
 
11.  Subsidietender: eisen aan verslaglegging en verantwoording achteraf 
 
Steeds vaker worden subsidies toegekend door middel van een systeem waarbij de ingediende aanvragen onderling vergeleken en vervolgens gerangschikt worden op basis van een aantal kwalitatieve criteria. Het CBb heeft op 21 december 2011 (LJN: BU9729) geoordeeld dat in dat geval wel eisen gesteld moeten worden aan de wijze waarop achteraf van de wegingen en waarderingen die hebben plaatsgevonden, verslag wordt gedaan en verantwoording wordt afgelegd. Dit moet ter bevordering van een voldoende mate van transparantie. Over zowel de ontwikkeling van de beoordelingscriteria, als over de toepassing daarvan op de ingediende aanvragen, moet inzichtelijke documentatie beschikbaar zijn. In dit geval werd aan deze eisen niet voldaan. Er was aan de aanvragers geen inzicht gegeven in de samenstelling, taak en werkwijze van de beoordelingscommissie(s). Ook was er in het dossier geen schriftelijk advies van de commissie(s) aanwezig, zodat niet kon worden nagegaan of het bestuursorgaan het advies van de beoordelingscommissie(s) gevolgd heeft. 
 
12.  Wet bescherming persoonsgegevens gewijzigd 
 
Op 9 februari jl. is de Wet bescherming persoonsgegevens ("Wbp") gewijzigd. Het betreft een wijziging in het kader van de vermindering van administratieve lasten en nalevingskosten.
De aanpassingen van de wet hebben voornamelijk tot doel dat de verantwoordelijke, dat is degene die het doel en de middelen van de verwerking van persoonsgegevens vaststelt en op wie de meeste verplichtingen van de Wbp rusten, wordt ontlast. Hieronder worden een aantal van de wijzigingen besproken.

Ten eerste is het door de aanpassingen voor de verantwoordelijken eenvoudiger om deel te gaan nemen aan een zogenaamde zwarte lijst. Hierbij kan gedacht worden aan de zwarte lijst voor ongewenste hotelgasten of de zwarte lijsten voor bepaalde winkeliersverenigingen. Als een andere partij die deelneemt aan deze zwarte lijst het College Bescherming Persoonsgegevens ("CBP") al om een voorafgaand onderzoek naar de gegevensverwerking heeft verzocht en het CBP deze verwerking rechtmatig heeft verklaard, hoeft de nieuwe deelnemer niet wederom een voorafgaand onderzoek aan te vragen.

Ten tweede wordt het doorgeven van persoonsgegevens naar landen buiten de Europese Unie waar geen passend beschermingsniveau ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens aanwezig is, gemakkelijker. In de oude situatie was hier in veel gevallen een vergunning van de minister van Veiligheid en Justitie nodig. Dit is niet meer het geval indien de verantwoordelijke gebruik maakt van bepaalde modelcontracten die zijn goedgekeurd door de Europese Commissie.

Ten derde is het verwerken van bijzondere persoonsgegevens, bijvoorbeeld gegevens over iemands gezondheid, vanaf nu ook mogelijk als dit noodzakelijk is om de belangen van een betrokkene of een ander persoon te verdedigen, maar het niet mogelijk is om diegene uitdrukkelijk om toestemming te vragen. Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin iemand in levensgevaar verkeert.

Ten vierde mogen bijzondere gegevens vanaf nu ook door het CBP, de Nationale Ombudsman en andere ombudslieden worden verwerkt, zonder dat hiervoor de toestemming van de betrokkene nodig is.

Voor verantwoordelijken vindt tevens op een aantal plaatsen een mogelijke "verzwaring" van de lasten plaats. Hieronder worden er twee genoemd.

Ten eerste wordt de strafrechtelijke boete voor onder andere het overtreden van de meldingsplicht verhoogd. Op grond van artikel 27 Wbp moet een verantwoordelijke de verwerking van persoonsgegevens melden bij het CBP. Dit is zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gesanctioneerd in de wet. De strafrechtelijke boete voor het niet melden is door de wetswijziging verhoogd naar de derde categorie en bedraagt derhalve EUR 7800,-. Indien een bedrijf opzettelijk niet tot melding overgaat, kan dit leiden tot een boete van EUR 19.500,-.

Ten tweede worden de rechten van betrokken bij het uitoefenen van hun recht van verzet in het geval dat bedrijven hun gegevens voor direct marketing gebruiken, aangepast. Betrokkenen kunnen zich niet alleen verzetten tegen het gebruik van hun persoonsgegevens, maar kunnen de verantwoordelijke ook vragen om aan te geven welke maatregelen hij heeft genomen om het gebruik van de persoonsgegevens te beëindigen. De verantwoordelijke moet hier binnen vier weken op antwoorden.

Deze wetswijziging van de Wbp zal vermoedelijk niet de laatste zijn. Het privacyrecht is volop in beweging door onder andere de wens om een meldplicht datalekken in te voeren (waarvoor reeds een consultatie is gestart) en de Europese voorstellen op dit gebied. Het is daarom van groot belang om deze ontwikkelingen nauwgezet te volgen. 
 
13.  Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen
 
 
Op 14 februari jl. is de Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen door de Tweede Kamer aangenomen. Het wetsvoorstel bevat een expliciete wettelijke beperking van de aansprakelijkheid van DNB en de AFM. Daarnaast bevat het voorstel een regeling over het uitkeren van variabele beloningen (bonussen) aan de bestuurders van financiële ondernemingen die ten laste van de publieke middelen steun genieten.

Voor meer informatie over dit wetsvoorstel en de door de Tweede Kamer aangenomen amendementen wordt verwezen naar de Corporate Alert die op 17 februari is verzonden. 
 
14.  Publicaties 
 
Eén jaar Wabo-jurisprudentie
J.R. van Angeren en V.M.Y. van ‘t Lam, TO 2011, afl. 4, p. 96-108
Ontwikkelingen in het ruimtelijke ordeningsrecht 2011
H. Doornhof en J.C. van Oosten, BR 2012/15
Artikelgewijs commentaar artikel 7:11 Awb
F. Onrust en R. Koenraad, Module bestuursrecht
Naar een 'slagvaardiger' bestuursrecht met de Wet aanpassing bestuursprocesrecht?
T. Barkhuysen en M. Claessens, Ars Aequi 2012, nr. 2, p. 83-93
De postitie van de interveniërende partij bij aanbestedingsgeschillen
B.J.H. Blaisse-Verkooyen, TA 2012, nr. 2, p. 18-29
De omgang met bestaande pensioenrechten: het Europeesrechtelijke speelveld voor verplicht invaren en de methodiek van het zo nodig vrijwillig invaren
T. Barkhuysen en T. Huijg, Publicatie van de Vereniging voor Pensioenrecht, Den Haag 2011, p. 73-88
Annotatie onder een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepassing van algemene regels uit het Activiteitenbesluit
A. Collignon, M&R 2012/14
Annotaties onder uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet arbeid vreemdelingen
C.S. Saris, AB 2011/371 en 372 

Team

Related news

23.11.2017 EU law
The precautionary principle: outdated protection against authorized GMOs?

Articles - Member States must not - on the sole basis of the precautionary principle - adopt national emergency measures prohibiting certain authorised genetically modified organisms (GMOs). This was decided by the EU Court of Justice in the recent Fidenato case. While such a decision ensures a harmonized approach to GMO regulation, it undermines the possibility for Member States to prohibit the cultivation of already-authorized genetically modified crops for which there is no new scientific evidence.

Read more

10.11.2017 BE law
Brussel hertekent stedenbouwkundig landschap (DEEL 2: VERGUNNINGEN)

Articles - Met een grondige facelift van de bestaande regels in het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (BWRO), wil het Brussels Gewest projectontwikkeling flexibeler maken en sneller doen vooruitgaan. Het Brussels parlement heeft de hervorming van het BWRO op 13 oktober 2017 goedgekeurd.  Een aantal nieuwigheden lijken overgewaaid uit de Brusselse regels inzake milieuvergunningen en uit het Vlaamse Gewest. Hierna een overzicht van hetgeen u zeker niet mag missen.

Read more

14.11.2017 NL law
7 December 2017: Anna Collignon and Marleen Velthuis give a lecture about administrative and criminal enforcement action under environmental law

Speaking slot - On 7 December, lawyers Anna Collignon (administrative law) and Marleen Velthuis (criminal law) will give a lecture at the University of Amsterdam (UvA) about the possible enforcement action that companies could face under environmental law. They will  focus on the area where administrative supervision turns into a criminal investigation and provide insight into the different rules and obligations for each stage of the investigation.

Read more

07.11.2017 BE law
De Codextrein: hoe zit dat nu? Een stand van zaken

Articles - De Codextrein nadert het eindstation met (opnieuw) enkele extra wagonnetjes. Over de eerste reeks van extra amendementen werd het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State ingewonnen. Dit alles had vandaag moeten worden besproken in de bevoegde Commissie van het Vlaams Parlement. Gelet op het laattijdig ontvangen van een tweede reeks van nieuwe amendementen (ter antwoord op de bezorgdheden van de afdeling Wetgeving van de Raad van State), werd de behandeling in de Commissie met één week uitgesteld.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy and Cookie Policy